Als ik op m'n fiets de Dam in Amsterdam doorkruis, moet ik altijd even aan Anna Enquist denken, en aan haar dochter Margit, die 27 was toen ze hier tien jaar geleden werd doodgereden. Deze dagen moet ik ook aan hen denken als ik een willekeurige boekhandel passeer en de overleden zoon van A.F.Th. van der Heijden me vanuit de etalage aankijkt. Verdriet kent geen competitie, maar literatuur wel.

Komt het op rouwliteratuur aan, dan wordt IM onmiddellijk weer van de planken gehaald, en Schaduwkind, en het heilig verklaarde Year of Magical Thinking. Terwijl áls Tonio al in een traditie geplaatst moet worden, het werk van Enquist het meest voor de hand ligt. Na verschijning van haar historische roman De thuiskomst, vijf jaar geleden, waarin een zeemansvrouw alleen achterblijft nadat haar hele kinderschaar zo'n beetje het leven heeft gelaten, zei Enquist in een interview dat haar onderwerpen op waren. Het enige waar ze nog op hoopte was dat ooit iemand, ‘over een eeuw of zo’, een mooie roman zou schrijven over haar dochter. Na drie jaar schreef ze die toen gewoon zelf alvast maar, Contrapunt.
Een pijnlijke roman, met aan de ene kant de pianiste die zich verbeten aan het stukbijten is op Bach, en aan de andere kant de moeder die zich de dagelijkse momenten uit het leven van haar dartele dochter weer voor de geest haalt. Net als Tonio is Contrapunt een oefening in beheersing en lamento inéén, een wanhopige poging iets wat voorgoed voorbij is weer terug te halen, en zolang het boek niet af is bij je te houden.
Onvergetelijk brengt Enquist iets heel dierlijks onder woorden, namelijk het moment dat je voor het eerst niet meer precies weet wat er 'in’ je kind is gegaan, qua voedsel. Zeker als je je baby zelf voedt, is dat moment betrekkelijk lang uit te stellen. Maar dan op een dag dient zich toch die geprakte banaan aan, en raak je langzaam de controle kwijt. Voor je het weet eet je kind pap met een flinke schep suiker eroverheen gestrooid.
'En lekker dat hij ’t vond!’ riep m'n moeder enthousiast, toen mijn zoon voor het eerst uit logeren was geweest. Suiker, ik had ’t ’m graag zo lang mogelijk bespaard.
Zo gaat het, maar in het licht van wat er verder allemaal nog met je kind moet gebeuren is dat al een besef van verlies.
Geboren!
Geboorteadvertenties hebben steevast een juichende inzet, maar soms vraag je je af waarom. De bescherming die de baarmoeder biedt is voorgoed verleden tijd.
'Als ik alles van tevoren had geweten, had ik geen kinderen gekregen’, zei vorige week een vader van een volwassen dochter en zoon tegen me, medejurylid voor een poëzieprijs. We hadden net eindeloos zitten beraadslagen over welk formaat bundel de beste vorm zou zijn voor de gedichten van de prijswinnende dichteres die nogal lange zinnen bleek te gebruiken.
'Zullen we er anders een liggend formaat van maken?’
Ik zag ons daar zitten, koffie met pindakoeken tussen ons in, schuivend met vellen papier en lettertypes, en ook nog eens bedenkend waar we op zouden kunnen bezuinigen. Minder consumptiebonnen voor de gasten als de prijs uitgereikt zou worden, misschien dat dat de begroting weer iets de goede kant op zou trekken.
Toen hij dat zei van die kinderen, keken we inmiddels uit op het meest vredige tafereel dat er bestaat. Weiland, koeien, sloot, en in de rug een straatje waar Hielke en Sietse Klinkhamer blindelings de smidse zouden vinden. De bijna-zomerzon scheen, de Pouilly-Fumé fonkelde in het glas.
Er liep een jongen voorbij die mij een steek in de maag bezorgde. De manier waarop hij iets krom liep, het hoofd naar beneden gericht.
'Hij loopt kwartjes te zoeken’, zei de juf van de basisschool al.
Als ik de foto’s op Facebook mag geloven, is er inmiddels heel wat 'in’ mijn baby gegaan waarvan ik het bestaan niet kan vermoeden. Een onbekend landschap, vreemde vrienden. Op één foto kan ik zijn gezicht van dichtbij zien. Ik vind het moeilijk om ernaar te kijken. Om dezelfde reden hoefde ik niet te skypen.
'Laten we gewoon brieven schrijven’, stelde ik hem voor toen hij drie maanden geleden vertrok.
Van de week mailde ik hem dat hij een nieuw buurjongetje heeft. Het huilt zo hard dat ik hem door de muren heen hoor. Iedereen zet toch iedere keer in op een rimpelloos nieuw leven.
Toen mijn baby een paar weken oud was, zat ik midden in de nacht met hem op de bank. Hij had net gedronken en ik zette hem even op m'n knie. Z'n hoofdje was nog een beetje wiebelig, maar plotsklaps keek hij naar mij alsof hij meer van me wist dan me lief was. Het was een blik waarin geen enkele tolerantie schuilging. Met één snelle beweging pakte ik hem op en rende naar zijn kamertje, hem met gestrekte armen voor me uit houdend alsof hij ieder moment kon ontploffen. Ik smeet hem in de wieg en gooide de deur achter me dicht.
Dat kon toen nog.