Profiel: Django Reinhardt (1910 – 1953)

Geboren solist, muzikale vrijdenker

Het is het streven van alle kunst een vanzelfsprekend onderdeel van de werkelijkheid te worden. In dat streven is Django Reinhardt met zijn muziek zonder twijfel geslaagd. De klank van zijn spel is, eenmaal gehoord, niet meer weg te denken. En toch, als ik voor wellicht de honderdste keer luister naar de inzet van zijn gitaar in het nummer Lentement Mademoiselle uit 1946 is het alsof ik die voor het eerst hoor. Me vastbijtend in de opeenvolgende noten neem ik me voor de muziek nu eens en voor altijd te beluisteren. Volledig te begrijpen. Maar ze ontglipt me. Steeds weer. Eerst is er een melancholieke klarinet die de band aanmoedigt tot het spelen van een loom ritme. In de schaduw van die muziek horen we af en toe al het melodieuze peinzen van zijn gitaar. Tot zo ver is de muziek te volgen. Na dit lieve intro volgt op 1 minuut 23 een break. De gitaarsolo, die zal duren tot 2 minuut 50, zet in. En alles wordt anders. De noten waaruit de muziek leek te zijn opgebouwd, verdwijnen. Met een korte spurt tokkelt de gitaar zich op de voorgrond, in het centrum van je oor. Dat is nog te volgen. Maar aangekomen bij 1 minuut 30 begint de gitaar slepend te zingen en ontsnapt zijn spel wederom aan elk verstandelijk begrip. Klinkt de muziek opnieuw alsof ze voor het eerst gespeeld en beluisterd wordt. Zijn bewonderaars en hedendaagse navolgers weten het: Django Reinhardt, inmiddels al vijftig jaar niet meer onder ons, is zich nog steeds aan het ontwikkelen. En iedere volgende dag speelt hij beter dan op voorafgaande dagen. Onmogelijk, en toch is het zo.

Het heeft tot het begin van de twintigste eeuw geduurd voor de vermeende hoogste kunst gelijkwaardig werd aan haar mindere zusters de literatuur en de beeldende kunst. Pas vanaf het moment dat de muziek in haar uitvoering kon worden vastgelegd, was er sprake van een gelijkwaardigheid aan tekst en beeld. Tot die tijd werd zij, de meest abstracte van alle kunstvormen, overgeleverd en bewaard in een gebrekkige geheimtaal. Stel je de geschiedenis van de schilderkunst voor als een lijvige encyclopedie vol beschrijvingen van schilderijen. Schilderijen die steeds opnieuw en op aanwijzing van de teksten moesten worden gemaakt om te kunnen worden aanschouwd. Waarna het beeld, direct nadat het gezien was, weer zou verdwijnen. Die werkelijkheid was eeuwenlang het lot van de muzikale compositie.

Een tekst, eenmaal opgeschreven, legt onveranderlijk de intenties van de schrijver vast. De opgedroogde verf bevrijdt op zijn beurt het gedroomde beeld van de vergankelijkheid. De penseelstreek op een litho van Picasso zal tot in lengte van dagen zichtbaar blijven. Hoe lang er ook naar gekeken wordt. Het beeld ligt vast en is onveranderlijk. Maar de penseelstreek zelf blijft in haar oorspronkelijke, spontane beweging zichtbaar. Hoewel bij het lezen en kijken verschillende interpretaties mogelijk zijn, bieden het schrift en het beeld anders dan de muzieknotatie de mogelijkheid een gevoel of gedachte ondubbelzinnig over te brengen. «Ik ben verliefd» — daar staat het. Geschreven. Ondubbelzinnig. Maar wie deze woorden in muzieknotatie probeert te schrijven, wordt bij de uitvoering ervan onvermijdelijk slachtoffer van interpretatie, misverstanden of gewoon een middelmatige vertolking. Hoe weinig benijdenswaardig dit gehandicapte bestaan van de componist ook was, het lot van de uitvoerders van zijn composities was zo mogelijk nog hardvochtiger.

Niets dan een herinnering of in het beste geval overdracht via een leermeesterschap restte de virtuositeit van de uitvoerende muzikant. Als een gedachte zo vluchtig werd de lucht vormgegeven om een moment later weer uiteen te vallen in betekenisloze ruis. Een enkele legendarische vertolker leeft voort in de oog- en oorgetuigenverslagen van tijdgenoten. Beschouwingen uit kranten en tijdschriften of memoires. Tekst. Verhalen over keurige dames die tijdens een concert van Liszt met hetzelfde enthousiasme flauwvielen als beatmeisjes tijdens een popconcert ruim een eeuw later. Verhalen over solisten in extase, over een duizendkoppig publiek dat betoverd en willoos meegelokt wordt in de hypnotiserende afdaling van een cello. Verslagen van snaren die uit hun kasten springen. Keizers en kooplui die gelijkelijk in aanbidding liggen voor een stem. Wanhopige pogingen om de magie en het magnetisme van een vertolker en zijn muziek in woorden hoorbaar te maken. Op z’n best levert het goede literatuur op, maar het blijft altijd slechte muziek. Dat was het lot van de uitvoerend muzikant. Virtuoos of hark, het maakte geen verschil. Na de uitvoering restte alleen nog de herinnering. En in die herinnering zou de muziek onherroepelijk ooit een zachte dood sterven.

Die tijden zijn inmiddels lang voorbij. De mogelijkheid om muziek vast te leggen in directe, niet-symbolische vorm, heeft gemaakt dat in veel gevallen de uitvoering van een compositie als gelijkwaardig wordt beschouwd of zelfs hoger aangeslagen dan de compositie zelf. Klank of «sound» en gevoel kunnen een eenvoudige compositie een betekenis geven die het idee ervan ruimschoots ontstijgt. De gedocumenteerde muziekgeschiedenis van de twintigste eeuw draagt daarvan de bewijzen. Django Reinhardt is één van die bewijzen.

Op 16 mei is het vijftig jaar geleden dat hij, 43 jaar oud, werd getroffen door een fatale hersenbloeding. Reinhardt, die vele klassieke jazzcomposities schreef, was het muziekschrift niet machtig. Hij speelde en componeerde op gehoor, gevoel en geheugen. Een uitvoerend muzikant pur sang. Maar godlof is zijn gitaarspel vastgelegd. Op plaat. Inmiddels zijn, achteraf, ook alle solo’s van Reinhardt uitgeschreven en gevangen in bladmuziek. Nobel, maar in feite zinloos werk van bewonderaars en adepten. Want hoe interessant en wonderlijk de uitgeschreven snarenacrobatiek ook mag zijn, de muziek leeft met name bij de gratie van haar uitvoering.

Reinhardt wordt op 23 januari 1910 geboren tijdens een tussenstop ergens in Belgisch Brabant. Hij is zoon van ouders die leiding geven aan een reizend gezelschap van acrobaten, goochelaars en muzikanten. Zigeuners. Hij lijkt voor de muziek geboren en al snel doen verhalen over het wonderkind de ronde. Hoe hij bijvoorbeeld, als negenjarige jongen, op een banjo die veel te groot voor hem was, zeventien composities uit zijn hoofd naspeelde nadat hij ze slechts één maal had gehoord. En hoewel zulke verhalen ongetwijfeld zijn ingekleurd en aangedikt door de zucht naar mythevorming lijdt het geen twijfel dat het bestaan van die mythe gerechtvaardigd is. Daarvan getuigt Reinhardts vastgelegde muziek van later datum. Hij was vergroeid met zijn instrument. Speelde altijd. Speelde alles. Gewiegd en geborgen in de traditionele zigeunermuziek maakt hij, eind jaren twintig en dankzij de geluidsplaat, kennis met de muziek van Louis Armstrong en Duke Ellington. Muzikaal viel er voor Reinhardt terrein te winnen, maar ook financieel was er een noodzaak de vleugels uit te slaan. De zigeunermuziek die eind negentiende eeuw haar populaire hoogtepunt had bereikt, werd steeds vaker uit de salons en cabarets verdrongen door andere muziekstijlen. Door de foxtrot. De tango. De jazz.

Voor Django Reinhardt, de beroepsmuzikant, is het noodzaak van de nieuwste rages op de hoogte te zijn en zijn spel daarop aan te passen. Gezegend met een overdadig talent gaat hem dit moeiteloos af en zijn faam groeit. Alles gaat goed tot hem, op achttienjarige leeftijd, een persoonlijke ramp overkomt. Als gevolg van een brand in zijn woonwagen verliest hij gedeeltelijk de beheersing over zijn linkerhand. Mocht hij al herstellen van de kwetsuur, dan zou het alsnog de verlamming van twee vingers zijn die hem het spelen onmogelijk zou blijven maken. Dat is de medische diagnose. Voor de jonge muzikant, koppig en wanhopig, zit er niets anders op dan de diagnose aan te vechten en haar ongelijk te bewijzen.

Anderhalf jaar duurt de revalidatie. Eindeloos en pijnlijk oefent hij op een gitaar die hij van zijn broer en vaste begeleider Joseph heeft gekregen. Nooit meer spelen is geen optie, en dus ontwikkelt Reinhardt een geheel eigen muzikale techniek. Hij voltooit de mythe van zijn uitzonderlijkheid door met twee vingers te leren spelen wat slechts enkelen met vier vingers kunnen. Een wonder. In 1932 is hij terug. Spelend als nooit tevoren. Hij ontmoet de violist Stéphane Grapelli. Ze spelen samen wat. Het bevalt. Ze spelen meer. Het bevalt nog beter. Broer Joseph, slaggitarist Roger Chaput en bassist Louis Vola schuiven aan. Het Quintette de Hot Club du France wordt gevormd. Op 2 december 1934 vindt in de Ecole Normale de Musique het eerste concert plaats. Meer nog dan de geboorte van een band markeert dat optreden de eerste mani festatie van een sound. Viool en gitaar. Reinhardt en Grapelli.

De dromerige, melancholieke, achter noten aanrennende gitaar van Reinhardt blijkt moeiteloos te passen in het hitsige, grootsteedse ritme van de vroege jazz en swing. Zijn spel voegt een traditioneel en Midden-Europees element toe dat, eenmaal op plaat gezet, ook in de bakermat van de jazz niet onopgemerkt blijft. Een meermalen geplande reis naar de VS, plus de droom van een contract in Hollywood worden gefrustreerd door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Stéphane Grapelli vlucht naar Engeland. Reinhardt blijft achter op het vasteland. Hij formeert nieuwe bezettingen van het Quintet en blijft optreden en platen maken tijdens de oorlogsjaren. Als een van zijn eigen gitaarsolo’s kronkelt hij zich een weg door de wereldgeschiedenis.

Als zigeuner en vertolker van door de bezetter weliswaar niet verboden, maar zeker ook niet aanbevolen negermuziek is zijn leven bijna voortdurend blootgesteld aan acuut gevaar. Maar af en toe geholpen door jazzminnende Duitse officieren als Dietrich Schulz-Koehn komt hij zonder al te veel kleerscheuren uit de oorlog. Het isolement waarin de Europese jazz tijdens die jaren heeft verkeerd, is in zekere zin zelfs voordelig geweest. Bij afwezigheid van overzeese concurrentie konden lokale musici uitgroeien tot sterren. Aan het eind van de oorlog is Reinhardt wereldberoemd in Frankrijk. Maar nog steeds lonkt Amerika. In 1946 volgt de uitnodiging en Django gaat.

Op internet vond ik een foto van Django en Duke Ellington. Samen achter een piano. New York, 1946. De stemming is goed, godzijdank. Duke speelt Django een melodietje voor. Hij lacht. Django kijkt toe. Lacht ook. Spreekt vermoedelijk net zo veel Engels als de Duke Frans kon.

Allebei lijken ze een beetje verlegen. Ze kennen elkaar al jaren. Van platen. Maar ze hebben elkaar nog nooit ontmoet.

Ik probeer me voor te stellen hoe het gesprek gaat.

Duke speelt een paar akkoorden. Django knikt. Hij begrijpt wat Duke wil zeggen. Vult diens gedachten aan met een paar noten.

«Right!» zegt Duke blij, en speelt weer wat.

Ze hebben samen opgetreden. In 1946. Een aantal concerten in het land. Maar het is nooit tot een echte plaatopname gekomen. Volgens een verhaal omdat Django niet kwam opdagen voor een concert. Hij had in een café een bokser ontmoet die hij bewonderde. Was gaan biljarten en drinken en was de tijd vergeten. Hij werd bijna onmiddellijk ontslagen.

De geboren solist, muzikale vrijdenker en improvisator had moeite zich in te passen in het afgetrainde orkest van de autoritaire bandleider. Eind 1946 wordt Reinhardt weer gesignaleerd in Europa. Spelend in een café in Luik. Alsof er niets gebeurd is.

Maar hoe soepel de draad na 1946 ook werd opgepakt — het Quintet hergroepeerde zich in de oorspronkelijke bezetting en speelde als vanouds — allengs werd duidelijk dat hoewel zij nog «als vanouds» waren de wereld om hen heen veranderd was. In de slipstream van het bevrijdingsleger veroverden nieuwe muziekstijlen de oren en harten van Europese liefhebbers. Reinhardt, grootmeester van de swing, voelde zich door nieuwe stijlen als de bebop buitenspel gezet. Lof en bezoeken van buitenlandse grootheden als Dizzy Gillespie mochten niet baten. Muzikaal is er niets mis met de opnamen van het Quintet na 1946. De componist wil nog wel, maar het is de performer, het fenomeen Django dat niet nog eens de energie kon opbrengen om zichzelf wederom te veranderen. Misschien was hij verwend door de onverdeelde aandacht tijdens de bezetting. Wellicht ook aangeslagen door het debacle van zijn Amerikaanse reis. In elk geval trok hij zich steeds meer terug in het landelijk gelegen Samois sur Seine, ongeveer honderd kilometer ten zuidoosten van Parijs. Naast het maken van platen wijdde Reinhardt zich daar met enthousiasme aan de schilderkunst, tot hij in 1953 overleed.

De kunsthistorische relevantie van Django Reinhardts schilderijen weegt nauwelijks op tegen één enkele door hem gespeelde noot. Reinhardt schilderde in beheerst expressionistische stijl. Zijn kleurgebruik is niet opvallend te noemen. De vele gradaties bruin verraden een wanhopig gevecht met de kleurenleer waarin beide strijders ten onder gaan. Zijn vormtaal is braaf-modernistisch. Het zijn de schilderijen van een gepassioneerde hobbyist die in bijna niets herinneren aan de virtuositeit en veelkleurigheid van zijn gitaarspel. Terwijl zijn muziek gedachteloos lijkt te zijn ontstaan, zijn de schilderijen de veelgelaagde bewijzen van een moeizaam en hyperbewust proces van afwegingen. Een massagraf van goede bedoelingen. Van vanzelfsprekendheid is hier geen sprake.

Toch is er een element in zijn schilderijen dat van enig biografisch, en dus kunsthistorisch belang is. Waar het in zijn muziek eigenlijk nooit ging om wat hij speelde, maar om hoe het werd gespeeld, is dat bij zijn schilderijen precies omgekeerd. Door de beperking van een gebrekkig schildertalent wordt het onderwerp belangrijker. De thematische wereld van de schilder Reinhardt valt uiteen in twee grootheden: landschappen en vrouwen. Veel vrouwen. Beter gezegd, één specifieke vrouw. Steeds dezelfde. Een op de grond zittende figuur. Net passend binnen het kader van het schilderij. Een min of meer uitdrukkingsloos, half-exotisch gezicht. Lange donkere haren die vrij naar beneden golven. Zeer brede heupen. Benen die vaak buiten het kader vallen. Het kan niet anders of die vrouw is een gitaar. Reinhardts gitaar. Zijn liefde, zijn ziel, zijn stem. Zijn object en vertolkster van een verlangen. Met een aandoenlijke oprechtheid en onbeholpenheid geschilderd. Een vrouw. Een minnares.

Waar de gitaar in de masculiene rock wereld vaak wordt bespeeld en gedragen als een luidruchtige fallus is zij in de handen van Django Reinhardt juist het meest vrouwelijke van alle instrumenten. Niet alleen haar wulpse vormen herinneren daaraan, ook de wijze waarop ze vastgehouden wordt. Als een minnares in de armen gedragen. Met de ene hand, ter hoogte van haar onderbuik, worden de snaren beroerd, terwijl de andere hand speels maar stevig haar hals omvat. Het is die gitaar die Django tijdens de laatste jaren van zijn leven veelvuldig geportretteerd heeft. Het is deze vrouw die hij in de jaren daaraan voorafgaand heeft bespeeld.

De muziek van Django Reinhardt is derhalve het gedocumenteerde verslag van een liefdesrelatie. Liefde die altijd nieuw is en steeds weer moet worden uitgesproken om te bestaan, omdat zij kwetsbaar is als een gedachte. In die zinderende maar uiterst breekbare romance gaat het geheim van zijn muziek verborgen.

Maurice Ravel wilde in 1924 na een optreden van de destijds beroemde trombonist Leon Vauchant weten wat toch het geheim was van diens spontane improvisaties. «Wat zijn dat voor noten rondom de melodie?» Het geheim is overgave. De liefde tussen een man en zijn gitaar. Zinnelijke liefde. Uitgedaagd en aangemoedigd door de stilte en liefdeloosheid die haar aan alle kanten omringen. En het verbazingwekkende en deemoedig stemmende is dat we er live bij aanwezig kunnen zijn. Steeds weer. Liefde. Alles in één keer opgenomen. Geen montage, uiteraard. Geen 24 sporen. De eerste platen waren niet alleen geluidsdragers maar droegen in de schaduw van hun groeven ook een exacte afdruk van de tijd.

Laten we ten slotte teruggaan naar een aldus gedocumenteerd moment in de tijd. Parijs, 9 september 1937. Ergens in de middag. De afgeslankte Hot Club De France bestond die dag uit Django Reinhardt, gitaar, Louis Gaste, slaggitaar en Eugene d’Hellemes, bas. Het nummer heet Bouncing Around. Iedereen is op die wonderbaarlijke dag in topvorm. Django speelt een ingehouden, swingend melancholieke solo van 2.42 minuten. Zijn gitaar zingt, huilt, mijmert, blikt terug en loopt vooruit op de gebeurtenissen. Soms gehaast, soms plotseling inhoudend, wachtend tot zijn medespelers hem weer hebben ingehaald. De muziek zuigt elke bijgedachte uit je hoofd. 182 perfecte seconden waaruit iedere herinnering aan iets anders dan die muziek is weggevaagd. In het historisch gebeurtenis volle jaar 1937 zit een blinde vlek van 182 seconden. Waarin alle aandacht werd opgezogen door drie verliefde jongens en hun gitaren.