‘De schrijfster Elsa Morante is geboren uit zichzelf’, schreef literair criticus Cesare Garboli. ‘Zij is een eenmalig evenement’ © Smith Archive / Alamy Stock Photo

Bij het lezen van Elsa Morante kruipt het gevoel van eenzame kindermiddagen langzaam omhoog in de keel. Van die middagen waarop de regen langs het raam sijpelt en het wachten op je moeder bij het invallen van de schemer overvloeit in de zekerheid van haar dood. De kosmische eenzaamheid uit de kindertijd waar een mens later ontsnappingsmethodes voor vindt, was voor de Romeinse schrijfster Elsa Morante (1912-1985) haar belangrijkste inspiratiebron. Zij schreef vanuit het eenzame kind, haar ‘buut vrij!’ van het volwassen leven.

‘Voor Elsa Morante is het leven na de kindertijd niet meer de moeite waard om te leven, omdat voor haar het leven alleen dragelijk is in de mythologische verheerlijking en vervorming van de realiteit die kenmerkend is voor de kindertijd’, schreef haar man, de grote schrijver Alberto Moravia, in 1963 in een recensie voor het weekblad L’Espresso naar aanleiding van de verfilming van L’isola di Arturo, ‘Het eiland van Arturo’, de roman waarmee Elsa Morante in 1957 als eerste vrouwelijke auteur de belangrijkste literaire prijs van Italië won, de Premio Strega, en bekend werd bij een groter publiek, alhoewel nooit zo groot als het zijne.

Het eiland van Arturo is het verhaal van de tienerjongen Arturo, die woont op het paradijselijke eilandje Procida voor de kust van Napels, en die zo eenzaam is als maar mogelijk. Hij woont in een spookhuis op een rots hoog boven zee, een huis zonder meubels en sanitair, waar de uilen in en uit vliegen. Zijn leven is gevuld met wachten op zijn vader. Af en toe komt hij ineens van de pont stappen die Procida met Napels verbindt, en brengt wat tijd door in het spookhuis. Hij legt niets uit, behandelt zijn zoon als een sympathieke hond die hij achter zich aan laat drentelen over de rotsstrandjes van het eiland, altijd hopend op een aai, op een moment van contact, maar meer dan ‘hé Zwartkop!’ zit er niet in. ‘Zwartkop’, omdat de kleine Arturo de donkere complexie van zijn Italiaanse moeder heeft, terwijl zijn half-Duitse vader Wilhelm blond en lang is, een god in de ogen van zijn zoon. Voor Arturo het weet is hij weer met de pont vertrokken, onbekend waarheen en voor hoe lang. Een moeder is er niet, want die is gestorven tijdens zijn geboorte.

Je afvragen waar Het eiland van Arturo over gaat, is niet de juiste houding, legt de Italiaanse literatuurcriticus Cesare Garboli uit in zijn introductie voor de Italiaanse uitgave. Hij was een boezemvriend van Elsa Morante en had toestemming haar te duiden, een eer waar ze heel zuinig mee was. ‘De manier van schrijven van Elsa Morante kent geen enkel model, hoort bij geen enkele literaire stroming, past niet in de organisatie van het systeem literatuur zoals wij dat in Italië kennen’, aldus Cesare Garboli. ‘De schrijfster Elsa Morante is geboren uit zichzelf, zij is een eenmalig evenement. Het eiland van Arturo is een omgekeerde Odyssee, het is een reis terug naar binnen, naar de wateren van de moederschoot, want het enige waar Arturo op kan rekenen is het eiland en de omringende zee: de baarmoeder en het vruchtwater.’

Een schitterende verklaring, het soort verklaring waar Elsa Morante van hield. Het komt niet te dichtbij, het tilt haar werk naar de mythologische, tijdloze dimensie waarin zij het liefst verkeerde. Cesare Garboli respecteert de afstand die zij afdwong, of probeerde af te dwingen. Niet iedereen hield zich aan die afstand, zeker niet haar man Alberto Moravia, voor wie de openbare psychoanalyse de motor was van zijn leven en werk, en dus gold het ook voor het hare, of ze het wilde of niet.

Elsa Morante was zeer geïrriteerd over de recensie van Alberto Moravia, waarin hij de film gebruikt om iets over haar te zeggen wat niemand wat aanging. Zij wilde niet gedefinieerd worden. Haar persoonlijkheid en haar leven waren haar geheime schatkist waar iedereen van af moest blijven. ‘Elsa Morante heeft gedurende haar leven alle serieuze biografische zoektochten systematisch ontmoedigd door haar levensverhaal steeds te mystificeren in totaal andere versies, delirische anekdotes, onherroepbare vonnissen, uitzinnige haat- en liefdesgevoelens, die met de snelheid van de wind konden omklappen’, schrijft haar Franse biograaf René de Ceccatty in Elsa Morante: Une vie pour la littérature (2018).

En aan wie doet dit denken? Aan het hedendaagse mysterie van de Italiaanse literatuur Elena Ferrante, wier pseudoniem niet voor niets een eerbetoon is aan Elsa Morante: E. Morante en E. Ferrante. ‘Cara Sandra’, schrijft Elena Ferrante in 1992 aan haar Italiaanse uitgeefster Sandra Ozzoli, ‘ik ben helemaal in de war van het gedoe rond die prijs. Dat wat me het meest in de war brengt, is niet het feit dat mijn boek een prijs heeft gewonnen, maar dat het een prijs is die de naam Elsa Morante draagt.’

Het ging om de ‘Procida-Eiland-van-Arturo-Elsa-Morante-prijs’, een hele mondvol die jaarlijks wordt uitgereikt op het eiland Procida en die in 1992 naar L’amore molesto ging, ‘Kwellende liefde’, het debuut van de onbekende schrijfster Elena Ferrante. Ongeveer stotterend probeert Ferrante uit te leggen aan haar uitgeefster dat het voor haar eigenlijk onmogelijk is om de immensiteit van Elsa Morante te vatten in een enkel handzaam citaat dat door iemand anders kan worden voorgelezen bij de uitreiking. Elsa Morante is niet te vatten, besluit Ferrante uiteindelijk na dagen- en nachtenlang bladeren in haar werk, omdat het flitsen zijn, beelden die je doorklieven, inzichten die uit hun context gerukt niets meer betekenen.

Het is de inspiratie, de geest, soms slechts een alinea, die een hele wereld kan oproepen. Zoals: ‘De juiste kleur voor de kleren van een moeder is zwart, of hooguit grijs of bruin. Haar kleren zijn vormeloos, opdat niemand, te beginnen bij de naaister van een moeder, gaat denken dat een moeder een vrouwenlichaam heeft. Haar jaren zijn een onbelangrijk mysterie, want haar enige leeftijd is toch de ouderdom.’ Uit De Andalusische sjaal, het beroemdste korte verhaal van Elsa Morante. ‘Dit fragment, alsjeblieft, moet worden voorgelezen zonder nadruk, met een normale stem, zonder het gegalm van de slechte toneelspeler. Wie van jullie twee dit gaat voorlezen moet alleen de volgende woorden even licht benadrukken: “vormeloos”, “naaister van een moeder”, “vrouwenlichaam” en “onbelangrijk mysterie”.’ Aldus de zeer nauwkeurige instructies van Elena Ferrante in 1992 aan haar Italiaanse uitgevers, het echtpaar Sandro en Sandra van edizioni e/o. Haar zogenaamde schuwheid voor de schijnwerpers ging vanaf het begin gepaard aan een obsessieve regie vanuit de coulissen, met verbanning voor het leven voor wie die niet opvolgde. Ook hierin precies zoals Elsa Morante.

Elsa Morante met haar man Alberto Moravia tijdens de uitreiking van de Premio Strega, 1957 © Premio Strega

En zeker weten dat Morante’s invloed in het werk van Elena Ferrante is terug te vinden, bijvoorbeeld in de manier waarop de kindertijd van Lila en Lenù in De geniale vriendin wordt neergezet. De hardheid van toon, de escapades in de fantasiewereld, en ook de desolate sfeer van een arme kindertijd in een stoffige volksbuurt, allemaal zeer Morante. Elsa Morante’s hoofdrolspelers zijn vaak kinderen, hooguit tieners, met onduidelijke of afwezige ouders, die de eenzaamheid verdrijven met sprookjeswerelden in hun hoofd, waarin ze helden zijn, van adel, tegen de klippen op hopend op dat ene moment waarop er toch van ze zal worden gehouden.

Of Elsa Morante dat zelf ook zo zag, is niet bekend. Op het enige nog bestaande stukje beeld waarop je haar hoort en ziet spreken, een tv-opname uit 1957 van de avond waarop ze de Premio Strega wint, zegt ze met de snauwende, kortaffe dictie die sterk doet denken aan die van Alberto Moravia: ‘Dit verhaal lijkt een beetje op het verhaal van Robinson Crusoe. Het is het verhaal van een jongen die alle mooie, maar ook de lelijke dingen van het leven voor het eerst ontdekt. En omdat hij leeft op een van de mooiste plekken waar ik ooit ben geweest, het eiland van Procida, is alles wat hij ziet van buitengewone schoonheid.’

Terwijl ze spreekt, houdt ze haar ogen neergeslagen, als een blinde. Haar zware bijziendheid was legendarisch in de literaire en artistieke wereld van Rome, omdat het een speciaal effect gaf aan haar lichtgevende turquoise ogen, die ze ineens kon opslaan om iemand te verleiden. Een bril droeg ze nooit in het openbaar, al had ze hem hard nodig. Haar eigen omschrijving van Het eiland van Arturo is zo neutraal en kaal mogelijk. Elsa Morante gunde nooit een blik op haar binnenwereld, haar bedoelingen, haar drijfveren. En ze haatte inderdaad de professionele jacht op haar levensverhaal, die ze ontmoedigde door grommend geïrriteerd en kortaf te reageren op alle vragen die in die richting gingen. In haar glorietijd, de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw, kon dat nog, een succesvolle schrijver zijn zonder voortdurend de hoofdvraag van vandaag ‘in hoeverre is het autobiografisch?’ te hoeven beantwoorden.

Elsa Morante haatte de jacht op haar levensverhaal, die ze ontmoedigde door grommend geïrriteerd te reageren op alle vragen die in die richting gingen

De kwijnende palmboom op de binnenplaats van de typisch Romeinse woonkazerne aan de Via Amerigo Vespucci 41, daar moet Elsa Morante’s gevoel van eenzaamheid zo rond haar zesde zijn begonnen. Hij komt vaak terug in haar werk, die palmboom, samen met de etenswalmen die in het trappenhuis bleven hangen, het uitzicht op de binnenplaats, het overal weerkaatsende geluid van huilende baby’s, het druipende wasgoed uit de ramen. De kolos van de toen zeer moderne sociale woningbouw in het hart van de volkswijk Testaccio stond er nog maar net, toen de kleine Elsa er rond 1920 een aantal jaar kwam wonen met haar ouders en broertjes. Testaccio is de wijk rond het oude abattoir van Rome, toen niet een visitekaartje om trots op te zijn, inmiddels een buurt waar de inner crowd van Rome voor in de rij staat, zeker voor de typische case popolari uit begin 1900 waarin Elsa Morante tot haar tiende heeft gewoond.

Haar ware literaire habitat is de stad Rome, die ze op verschillende manieren opvoert en verdraait in haar caleidoscoop, soms tot Edgar Allan Poe-achtige, gothische proporties: ‘De stad was vroeger een keizerszetel geweest en kende uit die periode nog gebouwen van een pompeuze grandeur met veel versieringen. Langs de bruggen over de rivier stonden in onstuimige groepjes reusachtige stenen helden gehuld in wapperende mantels. Op de pleinen stroomde water in de met reuzen en monsters verlevendigde fonteinen, te midden van schelpen en vreemde bloemen (…)’ Aldus het begin van haar korte verhaal Zonden, uit de bundel De verzamelde verhalen van Elsa Morante (Meulenhoff, 2003).

Maar soms ook roept ze het arme, perifere Rome van haar jeugd op, met eenzame zondagmiddagen langs de diepliggende oevers van de Tiber. Middagen in de brandende zon die ze zelf als klein meisje goed moet hebben gekend, en die zich uitstrekten als een woestijn tot het avondeten. In die setting speelt zich de sterfscène af van de kleine Useppe, de hoofdrolspeler van Morante’s best verkochte en bekendste roman, La storia, ‘De geschiedenis’, uit 1974. Haar roman over de Tweede Wereldoorlog, beschreven vanaf de onderste trede van de geschiedenis, de trede waarop de nederigen, de slachtoffers staan. Zij die niets te kiezen hebben en alles ondergaan.

De poster van de verfilming van Morante’s Het eiland van Arturo © Metro Goldwyn Mayer

‘Dit is een roman die voor de anderen is geschreven’, schreef een lyrische Natalia Ginzburg in de Corriere della Sera in juni 1974. ‘En dat is een enorme gebeurtenis, omdat het idee van een roman geschreven voor de anderen al tientallen jaren volledig uit ons literaire panorama is verdwenen. Vandaag schrijven de schrijvers alleen voor zichzelf, schuw om de anderen tegen te komen, vervuld van één grote walging en verwaandheid jegens andermans wellicht gewone levens. Daarom beschouw ik, zelf ook schrijfster, De geschiedenis van Elsa Morante als een immense gebeurtenis in onze literatuur; iedere zin, ieder woord, is met enorme generositeit en nederigheid voor de anderen geschreven. En, schokkend feit in de hedendaagse literatuur: Elsa Morante schrijft in de derde persoon enkelvoud! Die vreest de hedendaagse romanschrijver als een tijger, omdat daarin levensgevaar voor hem schuilt. Door ik te schrijven voelt hij zich zo oneindig veel zekerder, omdat hij zich er meteen mee indekt, al zijn gebreken meteen alvast zelf aangeeft (…)’

Een scherpe, zeer geestige recensie van Natalia Ginzburg, waarin ze de verschuiving van het ruimhartige ‘wij-tijdperk’ van na de Tweede Wereldoorlog naar het naargeestige ‘ik-tijdperk’ van de Rode Brigades markeert zonder haar te noemen. Dat had ze zelf het jaar ervoor, 1973, ook al briljant gedaan met haar fictieve brievenroman Lieve Michele, die hoogstnodig opnieuw moet worden uitgebracht in Nederland (de laatste vertaling is van 1979 bij Meulenhoff). In 1963 won Natalia Ginzburg de Premio Strega met Lessico famigliare, ‘Familielexicon’, zeven jaar na Elsa Morante, de tweede vrouwelijke auteur die de prijs won. Maar Natalia Ginzburg vond zichzelf in geen enkele verhouding staan tot Elsa Morante. ‘Ik was trots dat ik haar kende, iemand van dusdanige grootheid’, zegt Ginzburg over Morante na haar moeizame dood in 1985.

Por el analfabeto a quien escribo, ‘Voor de analfabeet voor wie ik schrijf’, luidt het citaat van César Vallejo dat Elsa Morante had uitgekozen als opdracht aan haar lezers: een roman over en voor het volk. Met La storia wilde ze haar grote definitieve volksroman schrijven, een roman voor de ongeletterden, en ze had ook een ‘volksprijs’ afgesproken met haar chique uitgever Einaudi in Turijn: tweeduizend lire, ongeveer de helft van wat een boek van die omvang toen, in 1974, kostte bij de boekhandel. Einaudi vond dat niet leuk, maar gokte op de enorme verkoop die met een gigantische eerste oplage van 100.000 werd ingezet, en die uiteindelijk met meer dan 600.000 exemplaren inderdaad een van de grootste verkoopsuccessen uit de Italiaanse literatuur werd.

Het verhaal dat zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog en focust op het trieste lot van het jongetje Useppe met zijn moeder Ida, ‘de onwetende proefkonijnen van de geschiedenis’, staat op de lijst van de honderd belangrijkste boeken ter wereld die in 2002 werd samengesteld door literaire zwaargewichten als Milan Kundera, Doris Lessing, Salman Rushdie, Nadine Gordimer en Paul Auster. Alberto Moravia staat niet op de lijst, noch Primo Levi, Natalia Ginzburg, Giorgio Bassani, Umberto Eco of Tomasi di Lampedusa, om de andere literaire hoofdrolspelers van de voorbije eeuw in Italië nog even te memoreren.

Misschien wel de hoofdreden dat Elsa Morante zo lang had gewacht met háár verhaal over de Tweede Wereldoorlog: La storia verscheen bijna twintig jaar na de wereldwijde succesroman van Alberto Moravia, La Ciociara uit 1957. Daarmee had hij haar al het gras voor de voeten weggemaaid, want La Ciociara put volledig uit hun gezamenlijke onderduik in een stalletje in de uitlopers van de Apennijnen ten zuidoosten van Rome. ‘La Ciociara’ heet die broodarme bergstreek.

Sophia Loren in Two Women, naar Moravia’s roman La ciociara © Compagnia Cinematografica Champion

Die ervaring van de gezamenlijke onderduik van september 1943 tot mei 1944 in het arme, kale berggebied onder Rome is voor beide schrijvers een landmark in hun schrijverschap geweest. Alleen was Alberto Moravia sneller, zoals altijd. Zijn roman La Ciociara (‘De vrouw uit de Ciociara’) was een onmiddellijk internationaal succes, en wordt algemeen beschouwd als een van de beste Moravia’s. De film Two Women uit 1960 van Vittorio de Sica was dat ook, met een onvergetelijke 26-jarige Sophia Loren in de rol van de moeder die haar twaalfjarige dochtertje voor haar ogen verkracht ziet worden door Marokkaanse huurlingen van het Franse leger, een historische waarheid die is vergeten. Terecht kreeg Sophia Loren de Oscar voor beste actrice, terecht is Two Women bedolven onder de internationale filmprijzen, van Cannes tot Hollywood.

Kom daar nog maar eens overheen, als razend ambitieuze schrijfster die per se niet in de voetsporen van haar beroemde man wil treden en bovendien zelf de inspiratie voor La Ciociara was. De Elsa die zich tijdens die gezamenlijke onderduik ontvouwde was een Elsa die Alberto Moravia nog niet kende. Zíj is Cesira, de Mutter Courage uit La Ciociara, die met vanzelfsprekende moed, doorzettingsvermogen en vindingrijkheid het ziekelijke rijkeluiszoontje Moravia door omstandigheden sleept waar hij nooit weet van had gehad in zijn gepamperde bestaan. Elsa Morante had dat wel, want zij kende het leven vanuit een heel ander gezichtspunt dan hij, zelfs als betaalde ‘gezelschapsdame’ voor rijke heren op leeftijd.

Dat was allemaal vóór de ontmoeting die haar leven voorgoed zou veranderen, de ontmoeting met Alberto Moravia in 1936. Hij was van upstairs, zij van downstairs, al deed ze zich veel beter voor. Bij het kerkelijke huwelijk in 1941 met belangrijke gasten uit de Romeinse intellectuele kringen mocht niemand van haar familie aanwezig zijn, maar in deze acht maanden in de Ciociara kreeg Moravia een andere Elsa te zien, een Elsa die hij een leven lang dankbaar zou blijven. Zonder haar had hij het nooit gered, heeft hij altijd gezegd.

Razend werd Elsa Morante als iemand haar ‘mevrouw Moravia’ noemde. Ze speelde het genie dat absoluut niet uit was op de grote voordelen van haar huwelijk

Het echtpaar Moravia-Morante was Rome begin september 1943 ontvlucht, omdat Alberto Moravia op de zwarte lijst van ‘intellectuele subversieven’ stond, en dat betekende levensgevaar. Het was vriend, schrijver en oorlogscorrespondent Curzio Malaparte die Moravia had gewaarschuwd: Alberto, je moet zo snel mogelijk wegwezen uit Rome! Voor Elsa Morante was er geen gevaar, omdat zij op dat moment nog niets anders was dan de vrouw van. Dat zij, net als Alberto Moravia, half joods was, wist niemand. Van hem wel, door de typisch joods-Venetiaanse achternaam van vaders kant, Pincherle. Op 8 september vertrokken Moravia en Morante met een boemeltreintje uit Rome om de geallieerden bij Napels alvast tegemoet te reizen, zoals Malaparte hun had aangeraden. De villa van Curzio Malaparte, een architectonisch wonder op een klif van Capri pal boven de zee, zou totdat het veilig was hun logeeradres zijn. Eigenlijk gingen ze een beetje op vakantie, dachten ze.

Elsa Morante, Alberto Moravia en Pier Paolo Pasolini, 1962 © Agenzia Dufoto / Courtesy Collezione Giuseppe Garrera

Maar bij de plaats Fondi, zo’n 140 kilometer onder Rome, hield de vakantie op. Het spoor werd gebombardeerd, de passagiers konden net op tijd ontkomen, iedereen te voet verder met de koffers in de hand. En vanaf daar ging ieder voor zich lukraak de bergen in, tot het vervallen stalletje van de boerenfamilie Marocco, een naam die dertig jaar later zal terugkomen in Elsa Morante’s La storia, een restje dat Alberto Moravia haar had gelaten. Verder was hun ervaring in de Ciociara al helemaal tot het bot toe door hem afgekloven, inclusief het gebombardeerde treinspoor, het te voet verder moeten met de koffers in de hand en het aankloppen bij een boerenhuisje. Prachtscènes uit La Ciociara allemaal. Maar hoe kom je daar nog overheen?

Ze was zijn vrouw, maar ze was ook zijn concurrent. Of wat haar betreft eerder in omgekeerde volgorde. Razend werd ze als iemand haar, per ongeluk, ‘mevrouw Moravia’ noemde. Meesterlijk speelde ze het kribbige, verstrooide genie dat het allemaal maar zo’n beetje overkwam en dat absoluut niet uit was op de zeer grote voordelen die het getrouwd zijn met Alberto Moravia voor haar betekende. Maar blijkbaar toch ook voor hem, getuige het volgende citaat van Moravia in een interview uit 1982, toen ze al twintig jaar uit elkaar waren, maar nog altijd getrouwd: ‘Elsa heeft mij heel veel gegeven. Ze heeft me geholpen om me te ontworstelen aan de normen van de gegoede burgerij, om kritischer, scherper te kijken naar het milieu waar ik uit voortkom. Ze is me zeer nabij geweest in de moeilijkste tijd van mijn leven, tijdens de rassendiscriminatie en de Duitse bezetting in de zwaarste jaren van de Tweede Wereldoorlog. In ruil hiervoor heb ik haar zekerheid geboden. In 1936 was Elsa een meisje voor wie het leven niet erg barmhartig was geweest. Sindsdien, tot op heden, heeft ze kunnen doen en laten wat ze wilde: ze heeft nooit meer moeten werken om te overleven. En dat is, denk ik, reusachtig veel voor een schrijver.’

Hij laat het wel even fijntjes weten, maar Moravia heeft zich levenslang als een heer opgesteld. Alles wat Elsa wilde, gebeurde. Kon ze hem niet meer om zich heen verdragen omdat ze in diepe rouw was vanwege de zelfmoord van de 23-jarige Amerikaanse schilder Bill Morrow – een van haar grote onbeantwoorde homoliefdes – dan liet Moravia haar het fijne echtelijke dakappartement met uitzicht op het Piazza del Popolo, en vertrok zelf naar gene zijde van de Tiber. Niet dat hij dan op een houtje zat te bijten, in een prachtig, modern appartement met dakterras aan de Tiber met zijn nieuwe liefde, de jonge Dacia Maraini, ook een groot Italiaans schrijfster, maar hij deed het allemaal omdat Elsa het zo wilde. Van hem hoefde het niet.

Wilde hij dan na een jaar of tien maar eens scheiden om met Dacia te kunnen trouwen, dan was daar weer geen sprake van. Want Elsa Morante had zo haar bijgeloven. Zij, de grootste kamikazepiloot denkbaar op alle gebieden van de liefde, vond dan ineens dat wat god had verbonden niet door mensenhanden mocht worden ontbonden. Al waren ze vooral in de kerk getrouwd om hun joodse afkomst te verdoezelen, anno 1941 immers. Heus niet omdat Alberto Moravia hechtte aan een katholiek huwelijk. Maar goed, als Elsa niet wilde scheiden, dan niet. Nooit tegen Elsa ingaan, dat wist hij al vanaf hun eerste ontmoeting.

Claudia Cardinale in de verfilming van Morante’s La storia © Rai 2

Dat was op een winteravond in november 1936, in de Antica Birreria van het Piazza Santi Apostoli om de hoek van het Piazza Venezia. Een Weens aandoend langgerekt bierlokaal als een trein met vele wagons, dat nog altijd exact zo bestaat. Er is helaas geen foto van het moment waarop de 24-jarige Elsa de Antica Birreria hartje Rome betrad en aan een donkerhouten tafeltje tegenover de toen 29-jarige Alberto Moravia en hun gezamenlijke vriend, de schilder Giuseppe Capogrossi, ging zitten. Ze was verlegen, maar flirtte meteen de ogen uit haar hoofd. Het was zeker geen toevallige ontmoeting wat betreft Elsa Morante, toen nog alleen schrijfster van ambitie, maar dan wel een immense. Ze had gezeurd om een ontmoeting met Alberto Moravia bij hun gezamenlijke vriend, want ze wilde hem per se leren kennen, het literaire wonderkind van Rome, dat tussen zijn zeventiende en zijn negentiende dé Italiaanse roman van het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen had geschreven: Gli indifferenti, ‘De onverschilligen’, uit 1929.

Gli indifferenti (1929) is de Italiaanse Zauberberg (1924), wellicht niet toevallig bedacht vanuit het sanatorium hoog in de Italiaanse Alpen waar Alberto Moravia een belangrijk deel van zijn jeugd moest doorbrengen wegens bottuberculose. Juist vanaf die afstand en hoogte wist hij genadeloos in te zoomen op het feest in Europa dat al lang voorbij was zonder dat de feestgangers het door hadden. De redenen van de opkomst van Mussolini schemeren door het lamlendige verhaal over de gegoede bourgeoisie van Rome, op een moment dat niemand nog wist wat er ging gebeuren. Geniaal, ook qua schrijfstijl.

D e nauwkeurige herinnering aan deze eerste ontmoeting is natuurlijk te danken aan Alberto Moravia, niet aan haar. Hij geloofde in het delen van jezelf en je biografie met de wereld. Toen hij haar voor het eerst tegenover zich zag in die Birreria had ze een schaterlach waarmee ze iedereen plat kreeg, enorme fonkelende ogen en een bijzonder gevormde natuurlijke krullenkrans rond haar hoofd. Ze was al helemaal spierwit op haar 24ste, een curieuze familietrek. ‘Haar haar leek een soort van grote paddestoelenhoed boven op een rond kindergezichtje’, aldus Moravia. En ze liet die avond meteen haar huissleutel in zijn hand glijden, een gebaar van ongelooflijk brutale intimiteit en verleiding bij een eerste ontmoeting, zeker in 1936.

Hij woonde nog thuis bij zijn ouders, want Alberto Moravia was een typische Italiaanse zoon uit de betere kringen, hoe baanbrekend en anti-bourgeois ook in zijn schrijven. Zij had een huurappartementje aan wat nu de Via del Corso heet, toen de Corso Umberto, wat heel bijzonder was voor een ongehuwd meisje. Hij bleef die nacht. Maar ze had hem nog niet, want Alberto Moravia was in de liefde zeer genereus, en zou dat ook zijn hele leven blijven. ‘O Alberto, gooi al die vrouwen toch de deur uit, want ze houden niet van je’, schreef ze hem in een van de vele, vele smeekbrieven voor het huwelijk. ‘Ik paste niet in haar poëtische universum, maar ze hield van me. En de liefde was voor haar misschien belangrijker dan de literatuur’, zei hij tientallen jaren later.

Wie wél in haar poëtische universum paste zat daar vaak niet op te wachten. A difficili amori io nacqui, ‘Ik ben geboren voor moeilijke liefdes’, schreef ze in een helder moment over zichzelf. Heel moeilijke liefdes inderdaad, want verliefd worden op homoseksuele mannen terwijl je een vrouw bent is wel zo’n beetje de grootste uitdaging op liefdesgebied die je kunt opzoeken. En verliefd worden betekende in het geval van Elsa Morante een drama waar alles voor moest wijken tot ze had wat ze wilde, wat in het geval van de notoir homoseksuele regisseur Luchino Visconti niet ging gebeuren, zoals het later ook niet ging gebeuren met anderen. Graaf Visconti was een onweerstaanbare man van de wereld, die alles en iedereen om zijn pink wond, de mooiste vrouwen en de mooiste mannen. Maar hij hield van mannen. Niet dat ze dat niet wist, maar dan júist vond zij het een enorme uitdaging om te kijken of zij kon doorbreken wat niemand kon doorbreken.

‘Die manier van lachen van hem als een Siamese kat, die avond, toen ik uit de trein stapte op het Stazione Termini en hem tegen het lijf liep, deed me smelten van liefde. In een bliksemschicht wilde ik hem met mijn hele wezen.’ De hopeloze liefde voor Visconti duurt een jaar of twee. Doodvermoeiend voor iedereen, Visconti, Morante en ook haar echtgenoot Moravia, met wie ze toen gewoon nog onder één dak woonde, en die haar in 1950 schrijft: ‘Wat nu weer dat vreselijke incident is waardoor je verhouding met L.V. nog verder verstoord is geraakt weet ik niet, maar ik neem aan dat het zoals altijd niet iets onherstelbaars is. Ik zou zo graag iets willen zeggen wat je kan troosten, maar ik weet dat het onmogelijk is, ook omdat de redenen van je grote ongeluk duister zijn en ook nogal duister door jou uitgelegd.’

Het is 1950, de oorlog is voorbij, het gaat ze voor de wind, Elsa Morante heeft haar eerste grote literaire prijs, de Premio Viareggio, voor haar eerste roman, Menzogna e sortilegio (‘Leugen en tovenarij’) al binnen, niet in de laatste plaats dankzij de contacten en bemoeienissen van haar man. Zij en Moravia zijn het literaire succespaar van Italië, hun toekomst strekt zich bezaaid met sterren voor ze uit. Maar ze gaat diep door het stof voor Visconti, die ze twee jaar lang bedelft onder pijnlijk uitleggerige liefdesbrieven en die haar overduidelijke teksten terug schrijft zoals: ‘Het mooie is dat ik het soort geestestoestand waarin jij nu verkeert heel goed begrijp. Ik heb hem zelf duizenden keren gehad. En ik bevond me altijd aan de kant waar jij je nu bevindt, alhoewel ook eens aan de andere kant, daar zal ik je nog wel eens over vertellen.’

De vernederende non-verhouding met Visconti zou de bron zijn voor de wrede vader-zoon-verhouding uit Het eiland van Arturo. Een poging tot het omschrijven van homoliefdes zou ze later, in haar laatste roman Aracoeli (1982) nog eens ondernemen, niet tot genoegen van haar allergrootste vriend en criticaster, Pier Paolo Pasolini. Hun band was zeer creatief en passioneel, maar godzijdank zonder erotische/sentimentele ambities van haar kant. Daardoor kon hij ook ruim twintig jaar duren, ondanks het feit dat Pasolini allesbehalve genereus was over haar werk. Hij rilde van haar fascinatie voor homoliefde, hij wilde haar niet in die buurt hebben. Dat was zíjn materiaal, net als de kennis van het Romeinse proletariaat. Daar moest ze vanaf blijven. Maar daarin vergiste hij zich zeer. Elsa Morante leefde in een heel ander Rome dan hij, de man van het diep-noordelijke platteland van Friuli, maar het hare was het echte. Elsa Morante wás Rome.

Elsa Morante, Het eiland van Arturo, vertaald door Manon Smits, Wereldbibliotheek. De bedoeling is dat de komende vier jaar ook Elsa Morante’s romans Leugens en tovenarij, Aracoeli en De geschiedenis vertaald gaan worden