Gebouwen kraken

HET MEEST kenmerkende van een standaard architectuurbespreking is haar aanleiding: er is zojuist ergens een gebouw neergezet en daar moet iets over worden gezegd. In feite is dan alles al bepaald: het commentaar gaat over de eindvorm, niet over het bouwproces; het betreft het object, niet het gebruik. Een gemiddelde architectuurbespreking is daarmee een momentopname in de ingewikkelde geschiedenis die elk gebouw doorloopt. In die geschiedenis gaat het dan bovendien uitgerekend om het moment dat het minst ingewikkeld is: de oplevering. Alle complicaties van de ontwerp- en realisatiefase zijn vergeten, alleen het formele resultaat telt. Alle complicaties die in het gebruik zullen ontstaan zijn nog niet opgetreden en kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten.

Architectuurkritiek in dit genre is dus in feite de meest gemakzuchtige vorm van beschouwing, omdat ze het moment kiest waarop het er even niet om spant. De bouwpartijen hebben hun biezen gepakt en laten het gebouw nu aan de wereld over. Bewoners zijn nog niet verschenen en hoeven dus ook nog niet te mopperen. Het gebouw is leeg, in maagdelijke staat, en het is aan de fotografen om op het ideale strijklicht te wachten om een en ander zo voordelig mogelijk vast te leggen. Dit is het moment dat de architect zijn rondleidingen geeft, niet gehinderd door bemoeials uit verleden en toekomst.
Deze situatie levert twee soorten kritiek op. Aan de ene kant de onbekommerde projectbeschrijving, bedoeld voor de collega’s en te lezen in menig vakblad. De verschijning van een gebouw en de selectie daarvan door een tijdschrift, zijn op zichzelf al voldoende voor een rondje goed nieuws. Het gebouw staat er, en dat is altijd een felicitatie waard. Mocht er ergens toch iets kritisch op te merken zijn, dan valt dit gemakkelijk weg in de droogheid van de projectbeschrijving of in de overtuigingskracht van de foto’s die in opdracht van de architect geschoten zijn.
Aan de andere kant is er de smaakkritiek in de populaire pers. Primair luidt hier de vraag of het nieuwe gebouw mooi is. Is het een sieraad voor de omgeving of is er juist een monster gebaard? Omdat het moment van oplevering het schoonste uur van de architect is, staat deze dan ook altijd centraal in dit soort besprekingen. De ontwerper is ofwel geniaal en heeft de wereld met een juweeltje verrijkt, ofwel hij is een wrede despoot die de wereld heeft opgescheept met het afzichtelijke residu van zijn incompetentie en van zijn ongetwijfeld walgelijke smaak.
WAT DEZE oordeelsvorming vermag werd onlangs treffend duidelijk in een lezersactie van Het Parool, waarin ongegeneerd mocht worden gekankerd op de architecten, met het onvermijdelijke pleidooi voor verbanning naar de ‘hoogovens’ tot gevolg. Zo ontbeert de architectuurbeschouwing de nuance. Voor de meeste architectuurkritiek is een gebouw nog altijd in eerste instantie een ding en niet een gebeurtenis.
Beschouwingen over gebeurtenissen vergen een heel andere vorm van spreken dan subjectieve uitspraken over geslaagd of mislukt. Ze vereisen een gevoel van inleving, het vermogen tot analyse en geduldig en intensief onderzoek. Hoewel een gebouw in de eerste plaats een materiële manifestatie van ruimtelijke ordening is, zou een diepgaande bespreking wel eens vooral een kwestie van tijd kunnen zijn. Het gebouw moet de tijd krijgen, het gebruik laat zich alleen beoordelen in termen van tijd en de hele levenscyclus van ontwerp tot sloop al evenzeer. Maar terwijl iedereen weet dat de architectuur een langzame kunst is, moet haar kritiek altijd snel zijn. Dit is de paradox van de architectuurjournalistiek.
De wederzijdse afhankelijkheid van de architect en de criticus versterkt deze situatie. De architect, zelfs als hij publiekelijk wordt gemangeld, houdt in ieder geval het idee dat hij de spil van de architectuur is. De criticus houdt met de beperking tot het architectonische object het idee dat hij weet waar zijn vak eigenlijk over gaat. Sterker nog: het idee dat de kritiek een herkenbaar vak is waarin je je kunt specialiseren.
Wat dit genre onaangeroerd laat is dat de beperking tot het object niet alleen eenzijdig is, maar in feite afzijdig staat van wat er werkelijk aan de hand is. Architectuur is volledig verknoopt met talloze andere vakgebieden, waaronder enkele met minstens zo veel beschikbare creativiteit: industrieel ontwerp, informatica, civiele techniek en proces-organisatie. De architectuur die ertoe doet, tendeert naar de integratie van programma en de daarvoor benodigde ruimte, van gebeurtenis en gebouw. Architectuur communiceert zoals andere oude media, maar vormt daar ook een synthese van, terwijl ze eveneens experimenteert met nieuwe. Daarmee gaat goede architectuur voorbij aan het objectfetisjisme door in te gaan op de flux der stedelijke ervaringen. Zo kan men nauwelijks nog de grootschalige opmars van digitale media ontkennen, die nu de fysieke ruimte en stedelijke omgevingen doordringen.
Architectuur die deze processen verdisconteert en aldus de verschuivende grenzen tussen privé en publiek, tussen binnen en buiten onderzoekt, kan niet worden afgemeten aan haar aanzien als uiterlijke vorm. Het kan best zo zijn dat een op zichzelf nietszeggende vorm een programma herbergt dat op intelligente wijze begrippen als identiteit, plaats en gemeenschap herdefinieert. De schaal en diversiteit van het hedendaagse stedelijke leven scheppen problemen en tegenstellingen, die met de traditionele grenzen van de discipline architectuur simpelweg niet meer omvat kunnen worden. Laat staan door elegante vormen kunnen worden gepacificeerd. Daarvoor is het samenspel van pakweg transport, migratie, telecommunicatie, maatschappelijke fricties, het streven naar gemak en efficiency, dakloosheid en veranderende werkpatronen gewoon te groot.
WAT WEL KAN is het werken aan een stedelijke infrastructuur die het publieke leven bevordert en de snelle veranderingen die de hedendaagse stad kenmerken in goede banen leidt. Daarmee wordt het begrip infrastructuur uitgebreid met de sociale en culturele component. Architectuur faciliteert niet alleen, maar suggereert. Natuurlijk is vorm hierin nog altijd essentieel, maar het formuleren van een ruimtelijke strategie is minstens zo belangrijk. Waar het om draait is een ontwerp dat niet is gericht op het laten ontstaan van een ding, maar om het begunstigen van een publieke ervaring.
Natuurlijk is dit alles nog uiterst vaag en het is niet verwonderlijk dat velen, zowel onder ontwerpers als onder critici, geen verworvenheden willen opgeven zonder te weten wat ervoor in de plaats zal komen. Bovendien wordt gedachtenvorming op dit terrein al snel tot het abracadabra van een groepje ingewijden. Dit groepje is ook nog eens veel te herkenbaar: de leden zoeken elkaar steeds op, lezen elkaars werk, citeren elkaar, maar vinden nog nauwelijks gehoor bij een groter publiek.
Enkele gerespecteerde sociaal-geografen, zoals Saskia Sassen en Edward Soja, reizen de wereld rond en bediscussiëren bijna wanhopig de nieuwe concepties van de stad. Dezer dagen is dat circus ruim aanwezig in Nederland met een uitbarsting van studiedagen, lezingen en colloquia. Een al even selecte groep computerarchitecten onderzoekt al bijna even wanhopig de gevolgen van de opkomst van virtuele realiteit in de fysieke omgeving van alledag.
De wanhoop zit hem in het feit dat bijna iedereen zich deze vragen nog altijd stelt vanuit een bepaalde discipline, een bepaalde opleiding, een bepaalde beroepsactiviteit. Computeradepten ontmoeten elkaar vanwege hun voorliefde voor dit instrument; een slappere reden voor een gesprek is nauwelijks denkbaar. Net zoals het moeilijk is de architectuur uit het isolement van het bouwkundig object te halen, is ook haar beoefening in andere termen dan die der ruimtelijke disciplines een grote opgave. Wie het anders wil, zal zich immers eerst de vraag naar de legitimiteit van de eigen professionele achtergrond moeten stellen.
Als je ondertussen door de pers vrijwel uitsluitend op die gronden wordt beoordeeld, lijkt die opgave bijna onmogelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat degene die volhardt in zelfonderzoek tot een getto van gelijkgezinden gaat behoren. Daar uit te breken is de opgave waar een vernieuwende architectuur voor staat. Dat leren waarderen zou een taak voor de journalistiek kunnen zijn.