Gebrek aan heimwee

Mei 2002. Ik sta in een rij. Ik ben de enige blanke. Na een half uur ben ik aan de beurt.

‘Ik kom mij inschrijven’, zeg ik. Ik krijg een nummertje en ik loop naar boven, naar de verdieping waar ik moet zijn. Ik ga zitten op een bank in een gang met allemaal identieke kantoortjes. Houten deuren met daarnaast een raam waardoor je een glimp opvangt van wat er binnen gebeurt. Ik zie koppels met kinderen. Mannen alleen. Vrouwen met hoofddoeken.

Weer een half uur later ga ik zo'n kantoortje binnen. Er zit een vrouw achter een balie.

'Hoe bent u het land binnengekomen?’ vraagt ze.

’…’

Ze neemt er een plattegrond van Nederland bij.

'Ehm.’

'Via de zuidgrens?’

'Ja,’ zeg ik. 'Via de zuidgrens.’

Even later sta ik weer buiten. Schuin tegenover het kantoor van de vreemdelingenpolitie staat een ander grijs gebouw. Op het dak staat een enorme omgekeerde piramide vervaardigd uit stalen buizen. Geen huizen. Nergens huizen. Ik kijk omhoog. De lucht is van beton. Terwijl ik naar de auto loop, bekijk ik het document dat ik van de vrouw heb gekregen. Ik weet het zeker nu: ik ben een buitenlander.

Een paar jaar later spreek ik een Portugees, ergens op het Westergasterrein in Amsterdam, na afloop van een concert. We stellen vast dat we allebei droevig worden bij de gedachte aan ons geboorteland. Dat komt niet omdat we er niet meer wonen. Of tenminste, heimwee is niet de oorzaak. Eerder een gebrek aan heimwee. De vaststelling dat we steeds minder verlangen om terug te keren. En dat men er alles aan schijnt te doen om het ons makkelijk te maken.

Als je er woont is het briljant. Dat herinner ik me. Je begreep er net zo weinig van, maar dat onbegrip werd gesmoord in het cynisme dat wij voor het gemak vaderlandsliefde noemden. Wij waren hilarisch. Uniek. Het beste land van de wereld. Origineel ook. Kijk ons eens origineel absurdistisch-grappig-amateuristisch bezig zijn. We wentelden ons in onze onbegrijpelijkheid als varkens in de modder. We vergaapten ons aan onze eigen, tragische reality comedy. Gulzig hapten we naar meer en we smulden van elke citroen die op ons bord werd gelegd alsof het een vijfgangendiner betrof.

Nu kijk ik naar België als naar een aflevering van The Office. Oeh, doe dat nu niet. Auw, zeg dat nu niet. En dan doen ze of zeggen ze het toch. Er valt alleen niks te lachen en de schaamte lost niet op. Ik heb Belgische vrienden die kwaad worden wanneer ik dat zeg. Het verschil tussen hen en mij is: zij staan op de grond en ik kijk op de luchtfoto.

Het ergste van al, zo besluiten de Portugees en ik, is dat je jezelf er niet minder Portugees of Belg door gaat voelen. Integendeel. En zo voel je je, tegen wil en dank, steeds meer verbonden met een plek die je steeds minder mist.

Enkele weken later rij ik naar Venlo, Wilders-city. Ik parkeer op de kade bij het water, aan de achterzijde van Theater de Maaspoort, stap uit en steek een sigaret op.

Er stopt een Marokkaan op een scooter met een sigaret in zijn mond. Ik geef hem een vuurtje. Zo, denk ik. Dat statement is dan ook weeral geleverd.

’s Avonds, op het podium, word ik geïnterviewd. Het is een fijn, vrolijk gesprek en de lachsalvo’s denderen door het theater. De hilariteit bereikt een hoogtepunt wanneer ik het publiek vertel hoe de gemiddelde Antwerpenaar denkt over Nederlanders, dat arrogante, luidruchtige volkje van boven de Moerdijk dat elke zaterdagmiddag de Meir koloniseert ter voorpret van een vrijgezellenavond. En dat ik ooit een Antwerpse journaliste die niet kon begrijpen dat ik in Nederland woonde én gelukkig was, heb geïrriteerd - zoniet, verbijsterd - door te stellen dat Nederlanders ook maar mensen zijn. True story. Ik vervolg met te zeggen dat ik zelf ook een tijdlang zo over Nederlanders dacht, maar als je lang genoeg in het buitenland woont, het makkelijker wordt door het uiterlijk vertoon en de lokale gewoontes heen te prikken en te zien dat de menselijke verlangens, angsten en drijfveren universeel zijn. Het wordt stil in de zaal.

Najaar 2012. Ik ontvang een brief van mijn leraar Latijn uit de middelbare school. Hij feliciteert mij met mijn romans en hij concludeert: 'Mijn oud-leerlingen doen het goed - denk aan Bart de Wever.’

Ik broed op een verschroeiend antwoord maar ik kan de kracht niet vinden. Ik had nooit eerder de mogelijkheid overdacht dat ik als opa mijn kleinkinderen zou moeten vertellen over een land dat België heette. Ook na meer dan tien jaar Nederland word ik niet blij van deze gedachte. Maar ik zie er wel de romantiek van in mijn oude dag te slijten als een soort ex–Joegoslaaf. Op 21 juli drapeer ik de nationale driekleur over de rugleuning van mijn rolstoel en bij elke aankoop in de winkel vraag ik -onverstoorbaar naar de prijs in Belgische franken.