Gebroken penseel

Van verf slaan met de hand maakte Arnulf Rainer een zelfstandige -techniek.

HET SNELLE maar ook (zou ik zeggen) zwierig gesmeerde schilderij op karton van Arnulf Rainer heeft geen titel. Ik zag het in het voorjaar van 1983 in een atelier van de schilder - samen met een groot aantal soortgelijke werken, misschien wel tegen de tweehonderd, in twee formaten, en allemaal met hand en vingers gemaakt. We hebben er toen 67 uitgezocht voor een beknopte tentoonstelling in 1984 in Eindhoven en daarvan kon er een, hier afgebeeld, voor de collectie van het Van Abbemuseum worden aangekocht. Het is dus ontstaan in een serieel maak-proces. Zelf heeft Rainer meegedeeld dat het er ergens in 1973 bij het werken op een schilderij zo heftig aan toeging dat het penseel brak. Hij is van nature toch een expressionist - en toen hij, zoals vaker, bezig was met abrupte, slaande verfbewegingen wilde hij zijn schildersroes niet onderbreken. Hij sloeg en smeerde verder met zijn hand. De directheid van de verfsporen die die beweging achterliet, beviel hem zozeer dat hij besloot om van het slaan met de hand een zelfstandige techniek te maken.
Omdat bij hard slaan de vingers tot bloedens verwond konden raken, gebruikte hij voor de eerste schilderijen een helder rood op een glad karton als ondergrond. Het ging immers (zoals in het buigzame, rode smeersel uit 1973/74, ook hier afgebeeld) om een snelle, krachtige klap rode verf, met de volle hand, die daarna iets langzamer werd uitgesmeerd. Terwijl de hand zich ontspant en daarbij een iets gebogen beweging maakt kunnen de vingers zich soepel spreiden en zo lichtere verfsporen achterlaten. Aan de verdichting van de kleur linksboven is te zien hoe, in deze vroege rode hand- en vingerschilderingen, de krachtige concentratie van de bewegingen zelf de expressieve hoofdzaak was. Naarmate er meer slagen en vegen over elkaar heen worden aangebracht, wordt het rood intenser en de vormgeving gespierder. Wat we zien is een ontlading van energie, doel-gericht als een verre sprong na een aanloop. De expressie is zichtbaar fysiek. In die zin pasten in die jaren 1973/74 de werken als een vervolg op een belangrijk complex daarvóór in Rainers oeuvre waarin hij foto’s van zichzelf in allerlei zo vreemd mogelijke elastische houdingen met verf en krijt bewerkte, om vormbewegingen en expressies te ontdekken die je niet, zo is het idee, zomaar kunt bedenken en ontwerpen. Behalve lichaamshoudingen gebruikte hij ook bizarre grimassen of face farces die spanningen en ontspanningen in hun vorm toonden, die hij dan scherp intensiveerde.
Dat waren de trucs en procedures die Rainer toepaste, voorbij aan de routine waarin iedere kunstenaar kan verdwalen, om verrassende en ongekende uitdrukkingen te vinden. Je moet alles gebruiken wat kan helpen. Die harde, agressieve handslagwerken betekenden een soort doorbraak: naar een levendiger manier van schilderen dan daarvoor, direct met de hand ook, en voor de verandering eens zonder foto als beeld van uitgang. Het was overigens niet zo dat de dingen van daarvoor werden ingeruild. Er werd iets toegevoegd aan het formele repertoire: wat Rainer nieuw in zo'n rood schilderij ontdekte, was een bepaalde stevigheid en scherpte in de definitie van de vormen en kleuren. Daarvoor was de vormgeving vaak diffuser en zachter geweest.
Het schilderij zonder titel uit 1983, met de vingers gemaakt, laat een volgende fase zien in, zou ik zeggen, het schilderen van kleur. Als we goed kijken, zien we onder de wirwar van vinger-sporen in zachtrood en roze een eerdere concentratie van vorm in blauw en blauwzwart. De rode en roze sporen, sierlijk als een bloemstilleven, lijken mij eerder beheerst dan snel te zijn neergezet, maar ze maken wel de indruk van grillige vlotheid, zelfs lichtheid. Ze zijn een open en buigzaam weefsel van lichte kleuren, hier en daar bijna doorzichtig. Ook zien we hoe dat web van roodroze slierten in zijn globale vorm rekening houdt met de donkere vorm erachter - zodat die als een schaduw in de achtergrond hangt. Het effect ervan is dat dit schilderij, veel meer dan het strakke, rode werk uit 1973/74, een prachtige luchtigheid heeft verworven. Tussendoor heeft Rainer ter zijde van de donkerblauwe vorm ook nog met witte verf gewerkt. Daardoor zijn het schilderij en zijn ruimte helderder geworden. De wonderlijke vingervlugheid van de bloemrijke vorm is opmerkelijk, maar verder is dit beeld met veel overleg tot stand gekomen - in verschillende sessies met veel kijktijd daartussen.
Dat gold voor alle werken die ik toen, voorjaar 1983, bij elkaar zag. Ik begreep ook waarom het er zo veel waren. Bij het maken van zulke impulsieve vormgevingen, op die manier met de vingers, moet het begin meteen goed zijn. Anders blijf je haspelen en roeren en vegen, ook omdat je je niet precies kunst voorstellen wat de temperatuur van de kleur zal worden. Je begint dus vaak met een vers karton. Daarna ga je weer eens terug naar een eerder ding dat nog niet voltooid leek. Waarom? Omdat een bepaalde luchtigheid of anders compactheid er nog aan ontbrak. Zoiets. In het grillige oeuvre van Arnulf Rainer (83 inmiddels) komt het ene werk letterlijk van het andere.

PS Voor liefhebbers is er de catalogus van de expositie, Arnulf Rainer: Der Übermaler, München, 2010, Hatje Cantz Verlag. Ook bij die uitgever: Arnulf Rainer: Schriften (2010)