Gebroken vallen

Traag vallen, onbeholpen en diagonaal hangen. In een rubberbootje op zee de golven gladstrijken. Alles kan, ja. Vreemd mag het zijn. En absurd. Als het maar heel precies is. Kunst creëert haar eigen, enorme, vrijheid.

Medium brokenfallgeometric rechts 20plaatsen

Rond 1970, hoe was de stemming toen? In het Stedelijk Museum was, in 1969, de tentoonstelling Op losse schroeven te zien geweest. Wat daar vertoond werd was dat alles anders kon dan altijd was gedacht. Die titel gaf precies aan wat er aan de hand was: dat van niets nog aangenomen kon worden dat het vaststond. When attitudes become form heette kort daarvoor een soortgelijk verwarrende expositie in de Kunsthalle in Bern. Nieuw was toen ook dat zowel in Amsterdam als in Bern de kunstenaars het voor het zeggen kregen. Bij dit soort radicaal eigentijdse projecten was het de rol van de curator (die toen nog gewoon conservator heette) om de wereld rond te gaan op zoek naar nog onbekende talenten die met iets onbegrijpelijk nieuws bezig waren. Bij deze avontuurlijke manier van tentoonstellingen maken kwam de kunstenaar ter plekke iets maken dat geheel nieuw was en uniek. Dat was het principe. In de praktijk betekende het dat eigenlijk iedere deelnemer in Bern en Amsterdam (de meesten rond de dertig) iets uitzonderlijks maakte; hoe eigengereider, hoe beter. Meer dan ooit begon de tentoonstelling een vrijheid te betekenen, buiten de regels om. In het kort was dat de stemming toen: in de kunsten kon het niet anders genoeg. Natuurlijk was ook toen de verbeelding niet helemaal onbegrensd. Dat is die nooit. Maar er was veel geloof in de onbegrensdheid. Dat gaf ontroerend veel energie, in kunst en overal. In 1973 trad bij ons het kabinet-Den Uyl aan.

Medium the flattening of the brook s surface3  linksplaatsen
Het beste is: geloven wat je ziet zoals kinderen opgewekt de onwaarschijnlijkste sprookjes geloven

Zoals gewoonlijk dwaal ik af. Deze dagen zag ik in Galerie Grimm weer eens de Broken Fall (geometric) uit 1971 van Bas Jan Ader. Dit werk kun je op verschillende manieren bekijken. Het beste is altijd gewoon kijken om er de mooie vreemdheid van te proeven – geloven wat je ziet zoals kinderen opgewekt de onwaarschijnlijkste sprookjes geloven. Hier zien we hoe midden in beeld een wat stijve, magere gestalte naar links valt. Dat is wat er gebeurt: op een smal stuk weg in de schaduw tussen hoge heggen aan weerszijde. Waar verderop de weg naar links buigt, verrijst boven donkere bomen een plompe vuurtoren, in het volle zonlicht. Je ziet dat het tafereel zorgvuldig in scène werd gezet. Bij de titel ervan wordt ook Westkapelle vermeld als plaats van handeling. Het is dus dezelfde vuurtoren die in 1909/10 ook voor Mondriaan vaak als motief diende. Hij echter schilderde de toren van dichtbij en tegen een achtergrond van blauwe lucht. Zijn waarneming verliep van de voet en dan vrij steil omhoog zodat de toren er slank en hoog uitziet. Vooral dat rechtop strakke hield Mondriaan in zijn kijken vast. Waar hij niets van moest hebben waren diagonale bewegingen in beeld. Die stoorden maar. In het werk van Bas Jan Ader valt de figuur (de kunstenaar) naar links. De val wordt zo tegengehouden door een schraag dat er, met uitgerekend die vuurtoren in de verte, juist een diagonaal ontstaat. De schraag kantelt van rechtop naar scheef. Misschien houdt het ding de vallende man zo tegen, als een acrobaat in wankel evenwicht (maar op losse schroeven).

Dat dit tafereel van onbeholpen vallen en als diagonaal tegen een schraag hangen intussen ook dromerig is, zien we nog beter als ik terugkijk naar een filmwerk van Ger van Elk dat ook bij Grimm hangt en waarin we zien hoe de kunstenaar drijvend in een rubberbootje voor kinderen het kabbelend, rimpelend oppervlak van water aan het gladstrijken is – met een houten vlak zoals metselaars dat gebruiken. Het is uit 1972, toen Van Elk en Ader veel met elkaar omgingen. Van de twee was Van Elk het meest omstandig in de formulering van een tafereel. In zijn oeuvre zijn absurditeiten steeds met precies realistisch detail uitgewerkt. Zo ook hier: het tafereel gaat ook langzaam als een beekje, het dobbert eigenlijk, geluidloos als een schilderij. Omdat het zo traag gaat, merk ik dat ik er anders tegenaan kijk. Een eerder werk van Van Elk is een driehoekig stuk van een parket dat met boenwas glimmend is gepoetst. Ook dat gladstijken op de vloer was een precieze, langzame uitvoering. De val van Bas Jan Ader is impulsiever in karakter, eigenlijk on-realistisch, en overrompelend absurd. Bij hem denk ik ook aan de navrante verbeelding van Samuel Beckett. Maar daarover een andere keer.


PS Een mooie tentoonstelling met een selectie van werken van Ader en Van Elk, de twee vrienden, is voorlopig nog te zien bij Galerie Grimm, Frans Halsstraat 25, Amsterdam

Beeld: (1) Bas Jan Ader, Broken Fall (geometric), 1971, kleurenfoto, 15,9 x 29,2 cm; (2) Ger van Elk, The Flattening of the Brook’s Surfac_e, 1972/2002, 15 inch lcd screen,56x62x4cm_