Muziek

Gebroken zingt men

Muziek: ‹Les Indes Galantes› van Jean-Philippe Rameau

Rameau (1683-1764) is mooi. Zijn klank is verslavend. Wonderlijke, soeverein klinkende mengeling van veel violen, fluiten, violones en van ruisend klavecimbelwerk, een elegant palet van klank dat onderstreept hoe diep beheerst gevoel kan gaan. Het stuk muziek dat we vandaag verheerlijken komt uit een vrij potsierlijk opera ballet dat in 1735 niet gunstig werd onthaald, al keerde een herziene versie toch het tij. Waarover gaat Les Indes Galantes van Rameau? Over de liefde. Veel lijn of handeling zit er niet in. De proloog en de vier aktes laten zich bezien als quasi-zelfstandige tableaus. Mij staat iets bij van scènes met verklede paartjes die elkaar toch vinden, veel gedoe met goden en uitbundige gelegenheidsexotica. Schuifdeurentoneel in een pathetisch kader. Maar wat maakt het uit? Zo nauw kan het niet luisteren in een als dansfeest opgetuigd paradestuk. De indruk is dat Indië (de term slaat bij de componist op alles wat ver weg is) als dramaturgisch voorwendsel bij Jean-Philippe Rameau vooral de functie heeft van dansbaar materiaal: tot zijn instrumentale nummers behoren een Air pour des esclaves Africains en een Ritournelle pour les incas du Pérou. Nooit klinkt hij trouwens Afrikaans of Peruaans. Voor Rameau is het niet-westerse een spiegel. Het mooie van zijn Fernweh is dat hij altijd keihard terugslaat naar de zachte spleen van zijn verdrietig hoofse wereld. Les Indes, dat is alles wat niet Frans is door een hongerige Franse bril bezien, dus Franser dan de Fransen.

Diep gehecht ben ik aan de suite. Fijn aan een suite is dat je geen last hebt van verkeerde zangers, en bijna alle zangers zijn verkeerd. Frans Brüggen, die binnenkort het hele stuk in een geënsceneerde versie dirigeert, nam hem een jaar of tien geleden op voor Philips. Dat werd prachtig.

Er zijn in Les Indes Galantes veel mooie momenten. Maar er is één stuk bij dat in zijn grootse nietigheid nooit mag ontbreken op het onbewoonde eiland van de thuislozen en de ontheemden: Musette en Rondeau uit de Prologue.

Aan die musette zijn een paar dingen bijzonder. Eerst de volkse krakkemikkigheid van de Franse doedelzakjes en de bijna ongerijmde elegantie van hun melodie. De doedelzak was ooit van ver tot het Westen gekomen, uit het Oosten, en dat hoor je. De instrumentjes zingen als verkreukelde Bulgaarse vrouwen die zich met een tandeloze glimlach liedjes uit hun jeugd herinneren. Blazers en geblaasbalg steken elkaar aan met het nog nasmeulende vuur van die herinnering en het wordt prachtig. Men is gebroken en versleten maar toch zingt men: moed!

Bijzonder is, ten tweede, dat de volkse toon van de musette de muziek als mensenwerk zo vreemd nabij brengt in de tijd. Het afgewerkte, geciviliseerde karakter van veel kunstmuziek schept afstand, ook historisch. Het niet-gekunstelde van dit muziekje heft die afstand op, breekt uit de ketenen van de conventie die het voortbracht en maakt weer jong wat toch heel oud is: het is of het muziek van deze tijd wordt en daarnaast muziek uit ons, een volksmuziek van mythisch tijdloze waarachtigheid.

Als dit een rondo is, dan wel een simpel type. Toch is de eerste antithetische passage na het uitgesponnen thema vrij opvallend. Het pareert de kleintjes blèrende musetteliedzang met stijf hout, neemt wel thematische contouren van hun melodietje over maar spreekt anders — hoofser, met iets van welwillende distantie, decente nieuwsgierigheid, hoe zeg je dat? Misschien wel zo: daar ontstaat een dialoogsituatie tussen twee semi-congruente werelden, een dialoog in vrede. We weten niet goed wie zich daar met wie verstaat, maar wel dat de gesprekspartners het met elkaar getroffen hebben. En dat ze zachtjes praten van belangrijke intieme dingen die we wel herkennen maar nog niet kunnen benoemen. Dat slaat je uit het lood en het onschuldig fragmentarische van dit rondeau verhevigt nog de honger naar een kennis die ons op de lippen ligt en die de kunst van deze Fransman ons nu voorhoudt als een spiegel die alleen je beeld maar niet je naam weerspiegelt. De muziek wekt begeerte, omdat hij vluchtig is als openbaringen: niets wil de getuige zo graag vasthouden als het voorbijgaande van zulke onbepaald indringende, geziene dingen. Stel, denk je, dat deze componist deze beleving bij het componeren plande — dan was hij nóg groter dan we al dachten. Want een idee dat echt wordt waargemaakt, dat is pas echt een wonder.

Jean-Philippe Rameau, Les Indes Galantes. Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen, regie Jeroen Lopes Cardozo: tot 12 mei in diverse Nederlandse steden

Op cd: Suite Les Indes Galantes, Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen, Philips