De duitse canon en de nederlandse

Gecanoniseerd verleden

Duitsland heeft waar Nederland nog naar uitkijkt: een permanente museale presentatie van de eigen geschiedenis. De Canon in de vitrine. Hebben de Nederlandse en Duitse politici en culturele beleidsmakers iets moois ontdekt waar ze elders in West-Europa nog niet aan toe zijn?

Sinds Pinksteren toont het Deutsches Historisches Museum (DHM) in Berlijn het Duitse verleden, vanaf het Germaanse verzet tegen Romeinse kolonisatie ten oosten van de Rijn tot aan de vereniging van de Bondsrepubliek met de ddr. Een dergelijke in staatsopdracht gemaakte presentatie van het eigen verleden is vrijwel uniek in West-Europa. Behalve in Duitsland heeft dit idee alleen in Nederland wortel geschoten. Het Rijksmuseum in Amsterdam is bezig zich om te vormen van nationale schatkamer van kunstvoorwerpen tot museum van de Nederlandse geschiedenis. In Den Haag komt, op uitdrukkelijke wens van het parlement, een ‘nationaal historisch museum’ in een ‘spraakmakend’ gebouw. Het Haagse museum zal ‘een compleet en samenhangend beeld van de Nederlandse geschiedenis’ bieden, volgens de in oktober gepubliceerde Canon van Nederland, opgesteld door de commissie-Van Oostrom. Zo luidden althans de berichten in de pers.

Medium adlerfibel

Westgotisch, 500/600

na Christus Het DHM is een museum met een verleden. De tentoonstelling is te zien in het Zeughaus aan Unter den Linden, ooit het arsenaal van het koninkrijk Pruisen. Op 7500 vierkante meter vloeroppervlak zijn hier achtduizend voorwerpen geëxposeerd. Met het door I.M. Pei ontworpen bijgebouw voor wisselende exposities is het DHM een grote instelling, vergelijkbaar met de eerbiedwaardige negentiende-eeuwse kunstmusea op het nabijgelegen Museumsinsel.

Medium karl

Albrecht Dürer, Kaiser Karl der Große, 1514

De regering-Kohl nam het besluit tot stichting in 1987, toen de vereniging van de twee Duitse staten nog heel ver weg leek. Ze hechtte haar goedkeuring aan een ontwerp van de geschiedenis die het museum zou tonen, gemaakt door historici van verschillende politieke en vakwetenschappelijke signatuur. Dit ontwerp leek sterk op een beredeneerde inhoudsopgave van een tiendelig handboek, inderdaad een poging om een ‘compleet en samenhangend beeld’ van tweeduizend jaar Duitse geschiedenis neer te zetten. De commissie koos voor een presentatie volgens tijdvakken gemarkeerd door de grote gebeurtenissen, veelal oorlogen, in de Duitse en Europese politieke geschiedenis, maar liet ook ruimte voor sociaal-economische en culturele ontwikkelingen die de tijdvakgrenzen overschreden. Het voorstel kon worden gelezen als een vervlechting van politiek-evenementiële geschiedenis, gemaakt door grote, bekende mannen, met de geschiedenis van sociale structuren, in stand gehouden door de naamloos velen.

Het voorstel stuitte op heftige kritiek, vooral van links. De spd-fractie in de Bundestag hield een publieke hoorzitting, waar gezaghebbende historici als Hans Mommsen en Christian Meier en de filosoof Jürgen Habermas ernstige bedenkingen tegen het plan naar voren brachten of zich er zelfs vierkant tegen verklaarden. De critici vreesden dat het de bedoeling van het DHM was een officiële, rechtsgetinte versie van de Duitse geschiedenis vast te leggen en die luid te propageren als rechtvaardiging van de eigen politiek in heden en toekomst. Een verleden met rijksgoedkeuring, zo voerden ze aan, paste bij jonge dictatoriale regimes, waarvan de leiders zichzelf de mantel van een historische zending willen omhangen. Ze konden verwijzen naar het Museum voor Duitse Geschiedenis, dat de ddr had laten inrichten in… het Zeughaus aan Unter den Linden.

Medium nach berlin

Fritz Rosen, Nach Berlin!, 1926

In volwassen democratieën behoorde geschiedenis een ‘debat zonder eind’ te zijn. Ze vreesden verder dat het de bedoeling was het nationaal-socialistische regime voor te stellen als een betreurenswaardig incident in een nationale geschiedenis waarop de Duitsers trots konden zijn. Was het bovendien wel mogelijk om een aansprekende grote tentoonstelling over tweeduizend jaar geschiedenis te maken? Laat staan voor een instelling die nog een eigen collectie moest gaan vormen? Het werd geen debat zonder eind. De commissieleden beantwoordden de critici zo goed als zij konden. De regering-Kohl gaf opdracht het plan uit te voeren.

En toen kwam 1989. De laatste ddr-regering droeg het Museum voor Duitse Geschiedenis in het Zeughaus over aan het nieuwe Duitsland. De historisch-materialistische interpretatie van het Duitse verleden belandde op de mestvaalt van de geschiedenis. Maar het gebouw bleek bruikbaar, evenals delen van de collectie, onder meer de schitterende verzameling harnassen en wapens. De staf van het DHM in oprichting ging aan de slag om de collectie uit te breiden en het plan voor de vaste opstelling uit te werken. Het Zeughaus moest ingrijpend worden gerenoveerd, het bijgebouw voor tijdelijke exposities ontworpen en gebouwd. In afwachting van een vast onderkomen maakte de staf vanaf 1989 kleinere en grotere tijdelijke tentoonstellingen. Bijna twintig jaar na het regeringsbesluit kon het DHM de permanente presentatie van tweeduizend jaar Duitse geschiedenis laten zien.

Geen nostalgie

Wat treft de bezoeker aan in de vaste opstelling? Veel, overweldigend veel. Veel voorwerpen, veel bijschriften, veel introducerende teksten per tijdvak en per onderafdeling, veertien computerstations voor ‘Themenschwerpunkte’, drie multimediashows over een specifiek onderwerp. Met het chronologische verloop verschuift de aard van de tentoongestelde voorwerpen: van gebruiksvoorwerpen, simpele en kostbare, gemaakt door handwerkers naar fabrieksproducten; van media voor weinigen, zoals manuscripten en gedrukte folianten, naar massamedia als pamflet, affiche, krant, foto en film. Door de hele expositie heen vindt men geld en wapens. Slechts weinig voorwerpen zouden in een kunstmuseum zijn tentoongesteld. Door knap te doseren en te variëren zijn de makers erin geslaagd de veelheid te bedwingen. Door kundige presentatie voorkwamen ze dat het geheel oogt als een uitdragerij. Ze mikten daarbij meer op het hoofd dan het hart van de bezoeker. Slechts enkele ensembles, zoals het pantheon van de Verlichters, veroorzaken een visuele schok. Tot in de negentiende eeuw gaven de ontwerpers aan de tentoonstelling een voorname, aan het kunstmuseum herinnerende uitstraling mee. De twintigste eeuw kreeg een sobere, harde look. Hier geen statische ensembles, maar een suggestie van beweging, verwarring, dood en verderf, moeizame wederopbouw.

Het DHM gebruikt, net als de Canon van Nederland, een wat omslachtige omschrijving om aan te geven van wie of wat het nu precies de geschiedenis presenteert. In beide gevallen heeft men gegrepen naar de formule van een land (Nederland, Duitsland) en bewoners die een bij dat land horende taal spreken. Deze formule is in de plaats gekomen van omschrijvingen die een volk, een natie, of zelfs een stam tot onderwerp van een geschiedenis maakten, zoals tot ver in de vorige eeuw nog gebruikelijk was. De omschrijving maakt duidelijk dat de auteurs geen nationale en al helemaal geen nationalistische geschiedenis willen aanbieden. Ze stellen de bewoners van het land niet meer voor als deelgenoten in een unieke cultuur waardoor ze zich wezenlijk van andere naties onderscheiden. De vorming van een nationale staat die de eigen cultuur behoedt en internationaal tot aanzien brengt, is in hun opvatting niet meer de alfa en omega van de geschiedenis van de Duits- of Nederlandssprekenden. Terwijl een deel van hun politieke opdrachtgevers zeker nog nostalgie naar een vaderlands gevoel koesterde, namen de ontwerpers van de permanente expositie in het DHM en van de Canon van Nederland daarvan afstand. Ze bedrijven postnationale geschiedenis.

In het Duitse geval, misschien nog meer dan in het Nederlandse, behoeft de postnationale formule bijgesloten waarschuwingen en relativeringen om misverstanden te voorkomen. Want waar lag Duitsland en wat verbond de Duitsers? De meeste Duitssprekenden woonden in een kerngebied, begrensd door de Rijn, de Alpen, de Oder en de Baltische Zee. Dit kerngebied bleef tweeduizend jaar lang politiek verdeeld. Er was niet één Duitsland en één Duits volk, er waren Duitssprekende volkeren en Duitse landen. Weliswaar stond boven de grotere of kleinere politieke eenheden in het kerngebied vanaf de Middeleeuwen tot aan het begin van de negentiende eeuw een overkoepelende politieke entiteit, het zogenaamde Heilige Roomse Rijk, maar dit was geen staat. Het was een verbond van Duitse vorsten, waarbij verenigingen van lagere edelen met eigen gebieden en zelfstandige steden met hun ommelanden zich hadden aangesloten. Bovendien verbleef al vanaf de Middeleeuwen een aanzienlijk aantal Duitssprekenden ver in Oost-Europa, te midden van anderstaligen, zoals in het gebied rond het Russische Kaliningrad, vroeger Königsberg, en in Zevenburgen, nu in Roemenië. Ze werden soms wel, soms niet door Duitse machthebbers geregeerd; velen van hen zullen enigermate tweetalig zijn geweest. Geletterde Duitsers communiceerden bovendien met elkaar en anderen niet alleen in het Duits, maar tot in de negentiende eeuw in het Latijn. Ze rekenden zichzelf niet alleen tot de Duitse cultuur, maar evenzeer tot de cultuur van de Westerse Christenheid of van Europa. Gedurende achttienhonderd van de tweeduizend jaar geschiedenis van de Duitssprekenden was het nationalisme geen factor in hun politiek en nauwelijks in hun cultuur.

Pas in de negentiende eeuw ging de nationale kwestie de politiek van de Duitse staten en de Duitse cultuur beheersen. Bismarck forceerde in 1871 de zogenaamde klein-Duitse oplossing voor het vraagstuk van de nationale staat en verenigde de Duitssprekenden, uitgezonderd die in het Oostenrijkse keizerrijk en in de Duitssprekende kantons van Zwitserland, tot een bondsstaat, bestaande uit vier koninkrijken, zes groothertogdommen, zeven vorstendommen en drie vrije steden. De koning van Pruisen mocht de erfelijke titel Duits keizer voeren. Binnen dit Tweede Keizerrijk ontwikkelde het liberale Duitse nationalisme zich tot een conservatieve politieke religie, die groot enthousiasme wist te wekken voor het streven het Duitse keizerrijk tot een wereldmacht te maken, vergelijkbaar met Engeland. Dit leidde tot de catastrofes van de Eerste Wereldoorlog, de verdere radicalisering van de Duits-nationale beweging in het nazisme, de Tweede Wereldoorlog en de holocaust, het verlies van Duitse gebieden ten oosten van de Oder en de vorming van de brd en de ddr. Na het imploderen van het sovjetregime, dat zich baseerde op die andere politieke religie van de twintigste eeuw, het communisme, verenigden die twee staten zich tot het Duitsland van vandaag.

Vervalsgeschiedenis

Het DHM laat zien dat de Duitse natie een polymorfe schepping was van de nationalistische bewegingen na 1800 en doet goed uitkomen dat het nationalisme in zijn radicale vormen tot groot onheil heeft geleid. De vrees van de critici uit 1987 dat het DHM zou worden opgezet als een Duitsertjesfabriek, waar je als mens in ging en als nationalistische Duitser uit kwam, blijkt ongegrond. Wie het Zeughaus verlaat, beseft dat de hereniging van brd en ddr niet historisch onvermijdelijk was en zeker niet het einde van de Duitse geschiedenis betekende.

Het verhaal van het DHM zet zich evenzeer af tegen de vooruitgangsidee, waarop de ddr vroeger de bezoeker van het Zeughaus trakteerde. Zeker, de Duitsers worden in de loop van de tijd welvarender, natuurwetenschappen en techniek vergroten de kennis en de beheersing van de materiële wereld, en het gewone volk krijgt iets te zeggen in de politiek. Maar deze historische ontwikkelingen zijn hier niet gebracht als argumenten voor de stelling dat mensen de kunst van het vreedzaam en gelukkig samenleven steeds beter onder de knie krijgen, speciaal door de heilsboodschap van het socialisme in hun hart te sluiten. Door het Ancien Régime te bekleden met een voorname glans en de korte twintigste eeuw (1914-1989) te tonen als een ijzeren tijd presenteert het DHM in de esthetiek van de vormgeving eerder een vervalsgeschiedenis met de politieke religies van links en rechts als de kwade genii.

Gidsfunctie

Hoe het Nederlandse verleden in het Rijksmuseum en het Haagse Museum in spe gepresenteerd zal worden, zal moeten blijken. Van Oostrom hoopt dat de Canon van Nederland het begin zal zijn van een historisch reveil. Hij verwacht dat de vijftig canonieke onderwerpen en de thema’s waarnaar ze verwijzen niet alleen in het onderwijs, maar ook in de musea een inspirerende leidraad kunnen zijn. In de parlementaire plannen zijn het Haags Museum en de Canon al aan elkaar gekoppeld. Ook het Rijksmuseum zal er wel zijn profijt mee doen. Naar verwachting zal Nederland binnen enkele jaren kennis kunnen maken met grote museale presentaties van een postnationaal verleden. Interessant zal zijn om te zien hoe ‘progressief’ de presentaties zullen uitvallen. Van Oostroms Canon is vrij van het jaren-zestigprogressivisme waarin de geschiedenis louter het verhaal was van onrecht en onderdrukking, het verhaal van ‘wat allemaal nooit had mogen gebeuren’. De Canon vertoont echter wel sporen van sociaal-liberaal geloof in de historische gidsfunctie van de Westerse Beschaving.

Zeker de helft van de vijftig onderwerpen van de Canon van Nederland zijn terug te vinden in de titels van onderafdelingen van de expositie in het Zeughaus. Ze lijken te verwijzen naar een gedeelde geschiedenis met lokale varianten. Bekort weergegeven: van de Romeinen, het christendom en Karel de Grote, via Karel V, de boekdrukkunst en het protestantisme naar Napoleon, nationalisme en industriële revolutie, om te eindigen met de wereldoorlogen, de vrouwenemancipatie en Europa. Als de museale presentaties van het Nederlandse verleden er eenmaal staan en een vergelijking met het DHM werkelijk mogelijk is, zou kunnen blijken dat de gecanoniseerde versies van het Nederlandse en het Duitse verleden inderdaad opmerkelijk veel van elkaar weg hebben. Dat kan bijdragen tot de voortgaande revisie in het Nederlandse wij/zij-besef ten opzichte van onze oosterburen. Misschien groeit dan ook het inzicht dat je bezighouden met geschiedenis iets anders is dan je opmaken voor collectieve op-de-borst-klopperij.

Deutsches Historisches Museum, Unter den Linden 2, Berlijn. www.dhm.de Voor de Nederlandse Canon: www.entoen.nu

Literatuurverwijzingen:

Leonore Koschnik red., Deutsches Historisches Museum. Prestel-Museumsführer, München 2006. De bijdragen van R. Kosselleck en Ton Nijhuis in H. Beliën e.a., Leven met Duitsland: Opstellen over geschiedenis en politiek aangeboden aan Maarten Brands, Amsterdam 1998.
Voor de discussie in 1987: Christoph Stölzl red., Deutsches Historisches
Museum: Idee-Kontroversen-Perspektiven, Frankfurt 1988. Charles S. Maier, The Unmasterable Past: History, Holocaust, and German National Identity, Cambridge, Mass. 1988, blz. 121-139. Ian Buruma, Wages of Guilt: Memories of War in Germany and Japan, Londen 1995, blz. 235-238. Frits van Oostrom e.a., entoen.nu. De Canon van Nederland, Den Haag 2006

beelden: DHM in Berlijn