Hoe komen de Unesco-erfgoedlijsten tot stand?

Gecorrumpeerde cultuurhoeders

Derdewereldlanden ijveren al jaren voor de erkenning van hun gebruiken, talen en rituelen als immateriële cultuurgoederen. Maar is het wel de moeite waard tradities kunstmatig in leven te houden, en hoe komen erfgoedlijsten als die van de Unesco tot stand?

Wat is de overeenkomst tussen een Boli viaanse gebedsgenezer, een Guineese balafoon en Sinterklaas? Ze behoren alledrie tot het immateriële erfgoed van de mensheid zoals gedefinieerd door de Unesco, de VN-organisatie voor onderwijs en cultuur. Vorige maand aanvaardde de Algemene Vergadering van Unesco een conventie voor de bescherming van dit immateriële erfgoed (Nederland behoort tot de ondertekenaars) en afgelopen vrijdag werd de lijst van immateriële werelderfgoederen alvast drastisch uitgebreid.

De conventie is bedoeld als aanvulling op het Werelderfgoedverdrag van 1972 dat Unesco machtigt tot de bescherming van honderden materiële erfgoederen in de hele wereld, waaronder de Egyptische doden steden, de Kasba van Algiers en de zilver mijnen bij het Boliviaanse Potosí. De geo grafische spreiding van deze erfgoederen is echter nogal ongelijk omdat Afrika, Azië en Latijns-Amerika beschikken over weinig gebouwd erfgoed. Wat Azië betreft wordt de verhouding enigszins rechtgetrokken door de inspanningen van Japan, dat behalve de directeur-generaal van Unesco, Koïchiro Matsuura, ook een aanzienlijke financiële bijdrage levert aan het behoud van Aziatische monumenten. Het Unesco/Japan Trust Fund steekt in nauw overleg met de Japanse regering zijn geld voornamelijk in projecten in de eigen regio.

Daarentegen wordt het Westen disproportioneel bediend door het World Monuments Fund. Dit particuliere fonds in New York subsidieert elke twee jaar de honderd «meest bedreigde» monumenten, waarvan er volgens de jongste lijst 33 in Europa en 31 in de beide Amerika’s liggen. Die wanverhouding wordt niet echt goedgemaakt doordat het hutje van ontdekkingsreiziger Shackleton op de Zuidpool er ook op staat. Derdewereldlanden ijveren dan ook al jaren voor de erkenning van hun gebruiken, talen en rituelen als immateriële cultuurgoederen. Hun voorvechter is de Spaanse schrijver en stalinist Juan Goytisolo, die zich op de vlucht voor generaal Franco in Marokko vestigde.

In zijn romans geselt Goytisolo het eenkennige Westen en in het bijzonder Spanje, bakermat van de kleinburgerlijke «hispanos» die hun moorse en joodse wortels ontkennen. Op het plein van Jemaa-el-Fna in Marrakesj ontdekte hij naar eigen zeggen de waarde van de orale literatuur, belichaamd door de halaki, de «verhalenvertellers» die het plein vanouds bevolken. Toen het stadsbestuur een ontsierende kantoorkolos op het plein wilde bouwen, ontketende hij een succesvolle conserveringslobby waarmee hij tot zijn eigen verbazing doorstootte tot in de Parijse wandel gangen van de Unesco. Eind 1999 besloot de organisatie op aandringen van de Marokkaanse overheid een begin te maken met de conservering van immateriële erfgoederen.

«De steun van Unesco is nodig om autoriteiten en opiniemakers te beïnvloeden en mensen aan te sporen tot een frisse kijk op bepaalde culturele verschijnselen», sprak de schrijver bij die gelegenheid. «Het verlies van één enkele halaki is veel ernstiger voor de mensheid dan het verlies van tweehonderd bestsellerauteurs. We moeten niet iets levends veranderen in een museumstuk, maar we moeten het wel in leven helpen houden. Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen dat scholen hun leerlingen meenemen om naar de halaki te luisteren, hen binnen te voeren in hun eigen cultuur en te leren dat niet alle verhalen toebehoren aan Walt Disney.»

Onder auspiciën van de directeur-generaal werd een jury samengesteld waarin naast Goytisolo en andere kunstenaars ook internationaal erkende cultuurkenners zitting kregen. Op hun gezag publiceerde de Unesco in 2001 een lijst van negentien «Meesterwerken van het orale en immateriële erfgoed van de mensheid» die mochten rekenen op bijzondere bescherming van de Unesco en de betrokken overheden. De lijst moest om de twee jaar worden aangevuld. Afgelopen vrijdag is dat voor het eerst gebeurd.

De tweede lijst bevat maar liefst 28 talen, rituelen en gebruiken waaronder het Koninklijk Ballet van Cambodja, de «cosmovisie» van de Boliviaanse Kallawaya-genezers en het dorpscarnaval in het Waalse Binche (de Franstalige Belgische minister Louis Michel had zich bijzonder voor de conventie ingespannen).

Zo’n verzameling van rijp en groen rechtvaardigt op zichzelf al argwaan, nog afgezien van de stank van corruptie die al tientallen jaren rond de Unesco hangt. Je kunt je ook afvragen of het wel de moeite waard is tradities kunstmatig in leven te houden. In weerwil van alle weeklachten over globalisering raken de meeste «bedreigde» erfgoederen gewoon in de verdrukking omdat ze niet van deze tijd zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de sosso-bala, de eeuwenoude rituele trommel van een Guineese dorpspatriarch die onder meer in onbruik dreigt te raken omdat zijn erfgenamen liever in New York willen wonen.

En waar het balafoongevoel ontbreekt, staat conservering gelijk aan musealisering. Een scherpslijper zou zeggen dat de vermelding van een cultuurgoed op de Unesco-lijst per definitie betekent dat het niet meer leeft. Maar ook dat gaat niet op, want de lijst van immateriële «meesterwerken» is net zo onevenwichtig als die van de materiële.

Het is jammer dat de stokdove Goytisolo in zijn Marokkaanse villa onbereikbaar is voor commentaar, want uit de conventie en de meesterwerklijst verrijst een heel ander conserveringsbeleid dan hem voor ogen moet hebben gestaan. Om te beginnen lijkt het erop dat behalve Goytisolo, die persoonlijk werd beloond met de verheffing van de culturele ruimte van Jemaa-el-Fna tot «meesterwerk», ook alle andere juryleden een erfgoed in hun eigen land of tenminste in een bevriend land op de lijst hebben weten te krijgen. En hoewel de préambule van de conventie suggereert dat Unesco zich wil ontfermen over «door de globalisering, sociale transformatie en intolerantie bedreigde» erfgoederen, staan er verdacht veel officieel erkende en voortreffelijk geconserveerde tradities op. De voordracht van immateriële erfgoederen is namelijk het voorrecht van de deelnemende regeringen. Hun (onderdrukte) minderheden die er het meest bij gebaat zouden zijn, hebben het nakijken.

Een pijnlijk voorbeeld biedt Japan, dat zowel zijn aristocratische noh-theater als het bijna even beroemde bunraku-poppentheater op de lijst wist te krijgen, maar zich niet heeft ingespannen voor de nominatie van de gebruiken van de Ainu, een minderheid in het noorden van het land die al honderden jaren een kwijnend bestaan leidt.

Om te beginnen lopen de eerste twee geen enkel gevaar. «Het noh-theater is nu niet méér ‹bedreigd› dan toen ik hier voor het eerst kwam in 1962», zegt Japan-kenner Karel van Wolferen. «Er is geen sprake van dat noh of bunraku wordt bedreigd door globalisering, intolerantie of welke andere factor dan ook», meent ook Ken Vos, conservator voor Japan en Korea in het Volkenkundig Museum te Leiden. «Hetzelfde geldt voor het hofritueel dat Zuid-Korea op de lijst heeft laten zetten. Dat is een echo van de oude confucianistische cultuur van de Koreaanse bovenlaag, maar daarom niet minder populair en beslist niet veronachtzaamd. Zuid-Korea voert al tientallen jaren een succesvol beleid voor behoud van zijn immateriële erfgoed.»

Wat Vos betreft zouden juist de Ainu, die nog altijd door de Japanse overheid worden gedwarsboomd in hun aloude jager-verzamelaarsbestaan, een plaats op de lijst verdienen. Vos: «Hun rituelen en sommige van hun ambachten horen er zonder twijfel op thuis. Binnenkort ontvangen we een Ainu-delegatie die de techniek van de geweven stoffen in onze museumcollectie komt bekijken. Dat geeft wel aan dat die technieken op het punt van verdwijnen staan. Dat geldt ook voor het jaarlijkse berenritueel, de iomande, waarbij een jonge beer door de Ainu wordt gevangen, gevoed en ten slotte geofferd als dank aan de goden die de beer aan de mens ter beschikking hebben gesteld. Vroeger werd het beertje daadwerkelijk gewurgd en uitgebeend. Tegenwoordig wordt het ritueel beervriendelijk afgewerkt met het oog op de dierenbescherming, dus daar kan het niet aan liggen.»

De conventie bevat ook enige clausules met onheilspellende gevolgen voor ons land. Ingevolge de artikelen 12,13 en 14 dient elke deelnemende staat zijn eigen immateriële erfgoed te inventariseren, er een gericht beleid voor te ontwikkelen en de bevolking te waarschuwen voor de voornaamste bedreigingen van dat cultuurgoed.

In Nederland valt die taak toe aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dat opent een asgrauw perspectief van beleidsnota’s over het kantklossen, ludieke pressiegroepen voor het katknuppelen en dwergwerpen en natuurlijk een baanbrekend essay van Paul Scheffer over de rechten van Sinterklaas versus die van de kerstman. Een klein lichtpuntje is dat staatssecretaris Medy van der Laan volgens haar woordvoerster over dit alles «nog geen standpunt» heeft ingenomen. Zelfs van een brief naar de Tweede Kamer is vooralsnog geen sprake.