Gedaanteverwisselingen

Het werk van de Zwitserse kunstschilder Martin Disler bestaat uit bewegende en vlechtende lijnen, vegen wild zwart, een verstuiving van roze. Je ziet van alles.

Martin Disler, Zonder titel (Maggio), 1987. Inkt, gouache, acryl op papier op doek, 152 x 270 cm; © Gert Jan van Rooij Amsterdam / Willem Baars Projects, Amsterdam
Het ware genot: op het spoor komen van een figuratie

Het was alweer een tijd geleden dat ik de kunst van Martin Disler (1949-1996) gezien had. Te zien, bij Willem Baars, was een groot werk dat een wonderlijk mateloze indruk maakte. Veel geslinger van gevlochten lijnen was er op te zien, en verbuigingen en verwarde proppen. Lijnen op en neer, gemaakt met inkt en zwarte verf. Onophoudelijk beweeglijk zijn ze, in lengte grillig uitgerekt, tegelijkertijd zijn ze ook gebundeld, ze woekeren, zijn dan gewichtig en dus zwarter. Ze zijn hier en daar ook met stug zwart krijt nog aangezet. Het was gelig korzelig papier, later op linnen geplakt, 270 centimeter breed, ruim van beeld dus. De lijnen zijn onrustig en energisch. Ze overrompelen. Nog steeds zie ik het eigengereid beweeglijke, dwarse handschrift dat ik van vroeger kende.

In 1982 nam Disler deel aan onze documenta in Kassel. Het waren eerder overzichtelijke figuraties die hij toen schilderde, vormen in zonderlinge contouren, de kleur vlak in natte verf geschilderd. Er zat poppenkast in. Wat ik nu zag was een dicht, erratisch web geweven met lijnen die zich in zichzelf verstrikken. Het handschrift nog steeds vol opwinding, tegelijk ook verward, eigenlijk op zoek naar figuratie. Uiteraard hebben de vellen papier geen titel. We zien verwarring van lijnen die door de kunstenaar met opzet verward werden. Hij zag en voelde een verbeelding die zei dat hij zulke bundeling van lijnen, vervlechting van lijnen, krabbels en vlekken eerst maar eens zo moest maken. Dan zien we verder. De kijker moet zich maar redden in de moderne kunst. Uiteindelijk begin je echter altijd wel wat te zien. Dat is goed. Als je als onschuldige kijker zo kijkt, begin je te ontdekken wat je ziet. Ik denk dat dat, zonder haast, op het spoor komen van een figuratie het ware genot is van de omgang met kunst. Dat is niet zoiets banaals als begrijpen. Het is iets veel verfijnders. Je ziet iets dat nieuw is, zoals je uit de verte een melodie hoort die je nooit gehoord had. Dat onbekende ontvouwt zich aan onze ogen in de stille, rustige tijdspanne die daarvoor nodig is.

Martin Disler, Zonder titel, 1983. Inkt, spraypaint en acryl op papier, 150 x 196 cm © Gert Jan van Rooij Amsterdam / Willem Baars Projects, Amsterdam

Eerst wist ik niet wat ik aanmoest met Martin Dislers omvangrijke verwarring van bewegende en vlechtende lijnen. Toen zag ik, in de breedte van het blad, een vorm van figuur van dunne, lichtgroene schemer opdoemen. Die hangt daar midden in de breedte van de voorstelling. De figuur ligt daar uitgestrekt met vrij hangende ledematen. Ik denk (of droom) een schouderpartij te zien, rechts in beeld, en verder een kloek torso van een man. Aan de schouder bungelt en kronkelt een arm met een zware hand. De schouder is breed. Midden erop zie ik een hard, recht hoofd en het strenge gezicht van een manspersoon. Het is alsof dat gezicht ons aankijkt. Ook andere delen van de gestalte beginnen, als je eenmaal de vorm ervan begint te zien, dan verder op de plaats te vallen waar ze, in het losse geheel, thuishoren. We zien het verdere verloop van de vreemd slungelige gestalte, die ledematen waarvan een vorm is aangezet met die dunne kleur groen. Dat zijn stukken arm, dijen en benen, opgetrokken knieën, momenten van buiging die karakteristiek zijn voor levendige figuren. Maar ook nog dit: links naast het strakke hoofd, midden op de schouder, zie ik nog een ander wonderlijk gezicht. De vorm heeft iets van een arabesk, katachtig, misschien gemaskerd. Misschien, het is maar wat ik zie, een vrouw die tegen de man aan ligt en met hem meekijkt. Rechts in de hoek zweeft nog een ander gezicht, ijl en zacht alsof het gesluierd is. Het zijn drie hoofden bovenin, en misschien ook de groteske maskerade helemaal links in de hoek, die ons aankijken. Als krachtige akkoorden van vorm werken de koppen die worden voortgedragen op voortslingerende lijnen van zwarte inkt en krijt en wat vederlicht groene kleur, zwevend en warrig doorzichtig. Die lijnen balanceren als een melodie. Geleidelijk wordt de voorstelling een mise-en-scène. Een vertelling met figuratieve akkoorden en momenten. Zou dit het verhaal zijn van maggio, zoals dit werk ook genoemd wordt? Herinnering aan een of ander samenzijn.

Gekronkelde figuren door elkaar, maniëristisch rumoerig. In ieder geval is maggio een feestelijk melodieus woord. Spreek het langzaam uit, een beetje slepend, net zo slepend als in Dislers verbeelding de lijnvervlechtingen eruitzien. De volgende morgen kijk ik nog eens. Nu zag ik twee figuren tegenover elkaar, misschien een vrouw en een man, de benen onlosmakelijk verstrengeld. Ik denk dat nu zeker te weten. In de kunstzaal, tegenover de soepele verstrengeling van gestalten, hing van Disler een werk op papier dat een stuk driftiger gemaakt was. Schuin, dwars in het beeld, zien we een gestrekte zwarte figuur, opgewonden met brede kwast geschilderd. Ik denk een figuur, achterover gespreid op de vloer. Over dat harde zwart buigt zich de strak gebogen buigzame figuur van een vrouw. We zien haar van achteren, ledematen van zachte lijnen met spuitverf en wendbaar slank penseel. Benen, billen, rug, grimassen van een gezicht. Rondom deze bestijging was er ook anders nog gaande: vegen wild zwart, een verstuiving van roze. Ik zie van alles, hoe ik dingen zie komt later. Het zijn eigenlijk onnavolgbare gedaanteverwisselingen, de kunst van Disler, we zien de een na de ander terwijl ze nog gaande zijn.