Essay Denken, willen en het brein

Gedachten kun je sturen

De speciale status die het denken eeuwenlang had, is in hersenwetenschap verloren gegaan. Hannah Ahrendt laat zien dat de hersenwetenschap veel van de filosofie kan leren.

Denken, zegt Hannah Ahrendt, vereist dat we ons losmaken van het hier en nu, van de wereld zoals die op dit moment aan ons verschijnt. Dat is wat tweeduizend jaar wijsbegeerte ons heeft geleerd, een geschiedenis die zij in haar onlangs vertaalde boek Denken: Het leven van de geest voor ons ontsluit. De filosoof die zich afvraagt waarom wij bestaan, de natuurkundige die de beweging van de planeten onderzoekt, maar ook de leerling die een opmerking van zijn leraar niet begrijpt: allen moeten zich mentaal losmaken van hun omgeving, zich even in gedachten terugtrekken. Van buitenaf kun je dit losmaken niet observeren, hoogstens kun je zien dat iemand ‘afwezig’ is. Filosofen en geleerden, zo wil het cliché, vallen dan in het water of lopen ergens tegenaan.

Terwijl filosofen steeds maar weer opnieuw het belang onderstrepen van dit losmaken, staat voor de moderne hersenwetenschap juist het opgaan in die omgeving centraal. Zij bestudeert de processen waarmee de hersenen zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Denken als zelfstandig onderwerp van onderzoek bestaat dan ook nauwelijks meer. Denken wordt gezien als synoniem met informatie verwerken, en dat is iets dat de hersenen doen. De speciale status die het denken eeuwenlang had, is in hersenwetenschap verloren gegaan. Hannah Ahrendts fascinerende boek laat zien waarom dit te betreuren valt. Haar analyse maakt duidelijk dat de hersenwetenschap veel van de filosofie kan leren.

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer we ons losmaken? We maken ons voorstellingen. Van vroegere waarnemingen hebben we beelden in ons geheugen bewaard en die brengen we opnieuw tot leven. Door die daad van verbeelding maken we aanwezig wat eigenlijk afwezig is. Dit is een unieke gave van de menselijke geest, zegt Ahrendt. Op deze manier kunnen we terugdenken aan wat eerder gebeurd is, bijvoorbeeld aan de les van vanmorgen. Maar ons voorstellingsvermogen is creatief. Het kan meer dan belevingen van vroeger terughalen, het kan ze ook projecteren op de toekomst. Hierdoor zijn we bijvoorbeeld in staat ons af te vragen hoe onze leraar zal reageren als we hem om uitleg vragen. We kunnen ons ook in gedachten inleven in een toekomstig liefdesavontuur. Zo krachtig is ons voorstellingsvermogen dat zelfs onze geslachts­organen er dan door beroerd worden. Tot slot kunnen we ook met abstracte voorstellingen omgaan en nadenken over een werkelijkheid die we nog nooit hebben waargenomen. Een heelal dat zich oneindig uitstrekt, bijvoorbeeld.

Het menselijk voorstellingsvermogen wordt in de hersenwetenschap al geruime tijd intensief onderzocht, zij het niet onder de noemer ‘denken’. Er is gevonden dat bij ‘zich iets voorstellen’ dezelfde hersengebieden actief zijn als bij waarnemen. Wanneer bijvoorbeeld iemand een gezicht te zien krijgt, wordt een specifiek gebied actief in de temporale schors. Diezelfde plek wordt actief wanneer deze persoon zich een gezicht voorstelt.

Nu wordt begrijpelijk hoe wij ‘aanwezig maken wat eigenlijk afwezig is’. De hersenen doen net alsof we het voorgestelde ook echt aan het waarnemen zijn en geven ons toegang tot alles wat nodig is om de voorgestelde informatie te interpreteren. Daarmee overbrugt de verbeelding de kloof tussen onze bewuste processen en alle onbewuste kennis die in de hersenen aanwezig is. Tijdens dit proces maken we nog een andere ‘verbinding’. Door ons vroegere situaties te herinneren kunnen we ons toekomstige situaties voorstellen die vergelijkbaar zijn. Zo maken de hersenen het voor ons mogelijk na te denken over wat nog komen gaat.

Er is nog een tweede manier waarop we aanwezig kunnen maken wat er eigenlijk niet is: we kunnen spreken over wat vroeger gebeurd is, en over wat er mogelijkerwijs in de toekomst te gebeuren staat. Taal wordt daarmee, naast voorstelling, een instrument van het denken. Om als instrument van het denken te fungeren, hoeft taal niet hardop te worden uitgesproken. Taal kan ook ‘in stilte’ worden gebruikt.

Dat klinkt eigenlijk vreemd, omdat taal immers bestaat om met anderen te communiceren. Tegen wie spreken we dan, als we stilletjes voor ons uit zitten te praten? En wie geeft er antwoord? Volgens bijna alle filosofen sinds Plato zijn we in gesprek met onszelf. Het denken in woorden heeft de vorm van een dialoog: we denken ‘in gesprekken’. Dit komt doordat de mens in diepste wezen sociaal van aard is. Hij bestaat, zegt Ahrendt, alleen ‘in het meervoud’. We gaan er dan ook automatisch van uit dat wat wij in een bepaalde situatie zien of horen ook door andere aanwezigen wordt waargenomen. We plaatsen onszelf als vanzelfsprekend in een gedeelde werkelijkheid. Daarom is de dialoog de natuurlijke vorm om in woorden te denken: ook dan nemen we aan dat de werkelijkheid waarover we denken door anderen gedeeld wordt.

Taal wordt natuurlijk veelvuldig gebruikt om naar gebeurtenissen te verwijzen die op dit moment en in onze directe nabijheid plaatsvinden. Even vaak, echter, gaat het over ‘wat afwezig is’: over een geliefde die je uit het oog bent verloren, bijvoorbeeld, of over dreigend onweer. Het grote voordeel van de taal is dat er al een soort abstractie is ingebouwd. Wanneer we het woord ‘driehoek’ gebruiken, verwijzen we naar een hele klasse van figuren, niet naar één concrete driehoek. We kunnen dus heel gemakkelijk met taal generaliseren, dat wil zeggen, algemeenheden ontdekken die voor alle driehoeken opgaan.

Maar we kunnen ook nadenken over abstractere begrippen dan driehoeken. Filosofen willen zich bezighouden met grote levensvragen. Voor dit soort denken heeft de taal een ander soort woorden beschikbaar: metaforen. Metaforen zijn woorden die oorspronkelijk iets concreets aanduidden, maar nu voor iets abstracts worden ingezet. Hierbij worden de relaties die in het oorspronkelijke woord centraal stonden naar het nieuwe woord ‘overgedragen’. Zo kun je zeggen dat een nog ongeboren kind ‘op de drempel van het leven’ staat. Zoals iemand die op de drempel van een woning staat, deze nog voor zich heeft liggen, zo ligt er voor het ongeboren kind een nog onbekend leven in het verschiet.

Metaforen vormen de reddingsboeien voor de filosofen in de zee van speculatie waarin zij zich begeven. Ahrendt neemt ons mee naar het allereerste begin van de filosofie, toen er nog helemaal geen woorden waren om over de menselijke geest te spreken. ‘Psyche’ betekende in het oude Grieks de levensadem, die op het moment van het sterven het lichaam verlaat. Plato begon het woord als metafoor gebruiken. Het woord voor levensadem verwees nu naar de menselijke ziel, die ook bij het overlijden het lichaam verlaat. Het woord ‘eidos’, waar ‘idee’ van afgeleid is, betekende zoiets als blauwdruk of model, dat de handwerksman gebruikt om zijn werkzaamheden te sturen.

Op vergelijkbare wijze gebruikt de filosoof ideeën om zijn denken te sturen. Metaforen, zegt Ahrendt, zijn de grootste gunst die de taal aan het denken bewijst. Ze zijn niet alleen van wezenlijk belang voor de filosofie maar ook voor de dichtkunst: ‘zonder metafoor’, laat ze de dichter Ezra Pound zeggen, ‘zouden we geen brug hebben om de oversteek te maken van de bescheiden waarheid van wat we zien, naar de volle waarheid van wat we niet zien.’ Maar Ahrendt waarschuwt wel: metaforen helpen om ons bestaan te doorgronden, maar het blijven onvolmaakte hulpmiddelen: de betekenis waar we naar op zoek zijn zal ons blijven ontglippen. Die diepere waarheid is nu eenmaal niet in woorden uit te drukken.

Het verschijnsel innerlijke spraak heeft nog tot weinig hersenonderzoek geleid. Wanneer we ons taal voorstellen worden de taalgebieden in de linkerhersenhelft actief. Verder is bekend dat woorden hersengebieden actief maken die met de betekenis van die woorden samenhangen. Wanneer bijvoorbeeld iemand het woord ‘kleur’ hoort, wordt het ‘kleurgebied’ in de hersenen actief. ‘Schoppen’ leidt ertoe dat het hersen­gebied van de voet in activiteit toeneemt. Aangenomen wordt dat de hele linkerhersenhelft ons in staat stelt ons gedrag te interpreteren, ook als de precieze oorzaak van dit gedrag ons onbekend is. Er zijn dus aanwijzingen dat innerlijke taal inderdaad de brugfunctie realiseert die zij volgens filosofen moet bezitten. Zij is zelf bewust maar geeft ons toegang tot onbewuste hersenprocessen die met de interpretatie van de werkelijkheid te maken hebben.

Er is een belangrijke eigenschap van het denken waar ik tot nu toe nog geen aandacht heb geschonken. Denken moeten we willen. In dit opzicht verschilt het van gevoelens en emoties, die ons overspoelen. Denken wordt niet direct door de omgeving voortgebracht en aan de gang gehouden: het zweeft als het ware boven de grond. Daarom is voor denken een stuwkracht nodig, iets dat het proces in beweging zet. We moeten dus tot denken gemotiveerd worden. Volgens Ahrendt is een belangrijk motief bij filosofen altijd geweest het verlangen om in harmonie met de wereld om ons heen en met onszelf te leven. Omdat denken zweeft, niet door de omgeving wordt voortgebracht, kan het zomaar ophouden. Denken is vluchtig en heeft de eigenschap uit elkaar te vallen, ‘zichzelf te vernietigen’. Wil het denken ergens toe leiden, dan moet het telkens weer opnieuw worden opgestart. Alleen op deze wijze kan een minimum aan duurzaamheid bereikt worden en kan het denken vrucht dragen.

Je zou zeggen: als willen een voorwaarde is voor denken, dan zal willen als zodanig in de filosofie wel een algemeen aanvaard begrip zijn. Dat is het ook, zolang het om het willen denken gaat. Wanneer we iets willen denken maken we gebruik van de taal: we geven onszelf, hardop of in stilte, een opdracht om aan iets te denken (‘stel je voor dat ik zou winnen’). Die gedachte is er dan onmiddellijk, in een oogwenk. Willen wordt ook niet beperkt door onze mogelijkheden, door wat we kunnen. Niets staat ons in de weg om onmogelijke dingen te willen. We kunnen vrijelijk filosoferen over wat de toekomst ons zal brengen, rijkdom, roem of geluk. Bij zulk denken horen ook verwachtingen en emoties als hoop en vrees.

Vrijheid om te denken wat we willen lijkt dus een vanzelfsprekendheid. Maar zijn we ook vrij om te doen wat we willen? Natuurlijk niet, zeggen de meeste filosofen (en Ahrendt sluit zich daarbij aan), een wezenskenmerk van een vrijwillige handeling is dat we hem evengoed achterwege hadden kunnen laten. Daarmee lijkt de vrije wil samen te vallen met willekeur en toevalligheid. Toeval is per definitie iets waarvoor geen verklaring is. Het idee van een vrije wil is dus in strijd met de gedachte dat alles in de natuur een oorzaak heeft. Vrije wil impliceert verder dat het mogelijk zou zijn met iets totaal nieuws te beginnen. Dat is echter ondenkbaar, omdat we in ons gedrag altijd voortbouwen op wat er eerder gedaan is. Ten slotte zou men verwachten dat de menselijke geschiedenis de doelgerichtheid zou vertonen die hoort bij een vrije wil. Onze geschiedenis verloopt echter grillig en chaotisch: ‘’t is’ – in de woorden uit Shakespeare’s Macbeth‘a tale, told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.’

Toch blijft het idee van handelingsvrijheid filosofen aantrekken, zelfs al hebben ze er tegelijkertijd een hekel aan. En dat verbaast niet. Stel dat we wel volledig vrij zouden zijn om te denken, maar niet om te handelen. Ons bewustzijn zou zich dan als het ware onder een glazen stolp bevinden: het zou een leven aan zich voorbij zien trekken, weten wat er eerder gebeurd is en wat er waarschijnlijk komen gaat, maar niet kunnen ingrijpen. Wat een hartverscheurend scenario! Het is alsof je een uitgehongerd iemand rondleidt langs een tafel met de heerlijkste spijzen en dranken, maar hem tegelijk verbiedt er iets van te gebruiken. Niet voor niets spreekt kerk­vader Augustinus van een ‘monsterlijk’ vermogen van de menselijke geest. Want de schijnbare onmogelijkheid in te grijpen laat ons niet onberoerd. De apostel Paulus beklaagt zich in Romeinen dat hij zijn eigen handelen niet begrijpt: ‘Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.’ Ons handelen kan inderdaad tot emoties leiden: dingen die gedaan zijn kunnen gevoelens van spijt teweegbrengen, wat je zou kunnen doen roept vaak hoop op of vrees.

Het wezenlijke verschil tussen een gewilde en een toevallige handeling is een verschil in betrokkenheid. Natuurlijk doe je veel ook ‘zomaar’. Een studiekeuze, bijvoorbeeld, is vaak heel toevallig: een aardige leraar op school, een oom die op je inpraat, een geslaagde voorlichtingsdag, al deze dingen samen kunnen je een bepaalde kant op sturen. Voor partnerkeuze geldt iets vergelijkbaars: op welke school je zat, bij welke studentenvereniging of welke datingsite je raadpleegde zijn op zichzelf betrekkelijk toevallig, maar beïnvloeden wel je keuze. Maar wanneer je eenmaal een keuze gemaakt hebt, verandert de situatie fundamenteel. Heb je voor een bepaalde studie gekozen, dan is die keuze niet meer vrijblijvend: je voelt je er bij betrokken en wilt het ook echt tot een succes maken. We zeggen ook wel dat je een plan ‘omhelst’: het plan heeft voor jou emotionele waarde. Heb je eenmaal de partner gekozen die toevallig op jouw weg kwam, dan omhels je hem of haar ook letterlijk, althans na een zekere aanlooptijd. En vervolgens doe je alle dingen die nodig zijn om de relatie tot een succes te maken. Er is sprake van commitment.

De overgang van toeval naar willen heeft dus te maken met de fase waarin je verkeert. Het was Aristoteles die de vrijwillige daad definieerde als een die je net zo goed achterwege had kunnen laten. Maar hij maakte een uitzondering voor het maken van objecten. Wanneer een ambachtsman een huis bouwt, maakt het wel degelijk uit wat voor middelen hij gebruikt: hij kan niet zomaar het dak weglaten. Aristoteles dacht dus dat men de middelen vrij kon kiezen; voor het doel gold dat niet. Ik denk echter dat het doel om een huis te bouwen evenzeer gekozen kan worden. Ook al kreeg de ambachtsman de opdracht toevallig, op een zeker moment aanvaardde hij hem en ging toeval over in willen. Vanaf dat moment was hem er alles aan gelegen zijn onderneming tot een succes te maken.

Hiermee wordt direct duidelijk waarom het grillige verloop van de geschiedenis geen argument tegen de vrije wil is. De geschiedenis is geen plan dat ooit in iemands geest is ontstaan. De geschiedenis wordt bepaald door talloze plannen in de hoofden van evenzoveel burgers, vorsten en edellieden, die alle tezamen natuurlijk het ‘verhaal van een idioot’ opleveren.

Omdat het ontstaan van plannen vaak aan toeval onderhevig is, is er alle ruimte voor nieuw gedrag. Maar ook tijdens het uitvoeren van een plan speelt toeval een grote rol. De ambachtsman ontdekt misschien dat de stenen die hij wilde gebruiken niet beschikbaar zijn of te duur. Maar toevallig hoort hij van een vriend over een steengroeve die niemand weet te liggen en waar je gratis stenen kunt delven. Nooit geprobeerd denkt hij, wie weet? En vervolgens kan het zelf uithakken van steen een apart plan worden dat hij ook bij andere gelegenheden gaat gebruiken. Vrijwillig gedrag bouwt voort op wat er al is, maar door de grote rol van toeval kan er toch volledig nieuw gedrag ontstaan.

Wat heeft het hersenonderzoek over dit alles te zeggen? Het wezenlijke verschil tussen een gewilde en een toevallige handeling is – we zagen het eerder – een verschil in betrokkenheid. Filosofen noemen dit verschil wel, maar kennen het geen rol toe in het proces van gedragskeuze. Dat is eigenlijk vreemd, want waarom zouden we gevoelens hebben met betrekking tot wat we gedaan of gelaten hebben, gevoelens van spijt bijvoorbeeld, wanneer we nooit iets zouden kunnen goedmaken of corrigeren? In de hersenwetenschap wordt het verband tussen deze betrokkenheid en gedragskeuze wel expliciet gelegd.

Direct achter de oogkassen bevindt zich een stukje hersenschors dat onderdeel uitmaakt van onze ‘emotionele’ hersenen, de zogeheten orbitofrontale schors.

Wanneer mensen een ernstige beschadiging hebben in dit gebied verliezen ze het vermogen emotioneel te reageren op gebeurtenissen die normaal als schokkend worden ervaren, zoals verkeers­ongelukken. Deze mensen vertonen ook stoornissen in het maken van keuzes. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat dit stukje schors gevoelig is voor wat we verwachten als resultaat van onze keuzes. Wanneer we iets waardevols verwachten, iets lekkers om te drinken, een prettig gezicht om naar te ­kijken, een hoeveelheid geld of een compliment, dan is deze schors sterker actief dan wanneer we iets minder waardevols verwachten. Meer naar achter gelegen hersengebieden in de frontale schors zorgen er vervolgens voor dat de keuze met de hoogste verwachte opbrengst ook feitelijk in gedrag wordt omgezet.

Plannen die we in gedachten maken door onszelf opdrachten te geven, kunnen dus wel degelijk tot gedrag leiden: examens worden gehaald, huizen gebouwd, huwelijken gesloten. Ook het voorstellen kan tot effecten op het gedrag leiden. Wanneer we een wedstrijd willen winnen, is het goed hiervoor mentaal te trainen. Wanneer we ons bijvoorbeeld keer op keer voorstellen hoe we bij het polsstokhoogspringen komen aanlopen en na een bepaald aantal passen afzetten, dan worden onze prestaties beter. Zo stelt ons voorstellingsvermogen ons in staat ons voor te bereiden op de toekomst.

Door voorstellingen en innerlijke spraak krijgen we dus toegang tot onbewuste hersenprocessen. Hierdoor kunnen we nadenken over ons verleden en ons gedrag interpreteren. Maar we kunnen ook plannen maken voor de toekomst. Door onszelf opdrachten te geven kunnen we dat gedrag bovendien ook tot stand brengen, afhankelijk van het voordeel dat we ervan verwachten. Ons brein geeft niet alleen informatie over de voor- en de nadelen die aan de uitvoering van een plan verbonden zijn, maar zorgt er ook voor dat het meest optimale plan erdoor komt. Zo zijn we in staat te denken en te willen.

Het is een diep bevredigende gedachte dat het moderne hersenonderzoek aansluiting zou kunnen vinden bij tweeduizend jaar filosofie van de menselijke geest. Nog bevredigender zou het zijn wanneer er door dat onderzoek eeuwenoude vragen dichter bij een antwoord zouden worden gebracht.


Herman Kolk is emeritus hoogleraar neuropsychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is auteur van onder andere Vrije wil is geen illusie: Hoe de hersenen ons vrijheid verschaffen