Prix de Rome: Claire Harvey

Gedachtenspoortjes

Claire Harvey schildert mensen op klein formaat – op overheadsheets, op Post-it-blaadjes. Het zal wel iets met haar eigen persoon te maken hebben, vermoedt ze. Het is geen vraag die haar echt bezighoudt. ‘Voor mij zijn die figuren gedachtenspoortjes die een menselijke vorm hebben aangenomen.’

Claire Harvey (Engeland, 1976) wilde beslist geen gesprek in de week dat ze bezig was met de inrichting van haar tentoonstelling voor de eindronde van de Prix de Rome. Duizend excuses, maar ze laat zich zó gemakkelijk afleiden: ‘Je praat over je werk, gaat over dingen twijfelen… Om dan weer terug te gaan naar het werk… Ik moest geconcentreerd blijven.’ En de situatie was al zo moeilijk. Er waren voor de opbouw maar zes dagen beschikbaar. ‘Zes dagen was niet genoeg. Het was gekkenwerk. Tijdens de opening was ik kapot. Ik was zó moe. De anderen, of in elk geval de meesten, hadden assistenten, ik niet. Bewust niet. Misschien was dat stom, maar het belangrijkste werk bij het inrichten van mijn presentatie had te maken met het nemen van beslissingen, en daarbij wilde ik me niet laten afleiden door de aanwezigheid van iemand anders. Het was om dezelfde reden als waarom ik geen interview wilde geven. Ik had vermoedelijk ook geen begrijpelijke zin kunnen uitspreken: mijn brein stond gewoon in een andere stand.’

Ze schenkt thee in, vraagt of ik er melk in wil, rolt een sigaret.

‘Het installeren van je werk is al een soort van gesprek, een conversatie tussen jou en het werk. Het is beslist iets anders dan je wil opleggen aan de ruimte, aan de dingen, aan je materiaal. Het gaat om allemaal kleine dingetjes die hun plaats moeten vinden, in hun eigen tempo, op het voor hen juiste moment. Om dat in zo’n korte periode samen te persen… Het was bovendien de grootste ruimte die ik ooit voor een tentoonstelling tot mijn beschikking had gehad, en ik wilde er op een andere manier mee omgaan: per se geen schilderijen, geen kant-en-klaar werk… Daarbij ben ik nog ’s één van de meest besluiteloze mensen die er bestaan. Alleen al de vraag of ik koffie of thee wil…’

Ze praat bedachtzaam, rustig zoekend naar passende woorden. Elke vraag, elke opmerking, hoe standaard ook, lijkt nieuw. Er vallen regelmatig stiltes, maar geen pijnlijke. Ze geeft niet de indruk dat een gesprek over carrière en werk een routinekwestie is geworden, hoewel ze de afgelopen weken al een flink aantal interviews heeft gegeven. Zeven, acht, ze is de tel kwijt: ‘Die Prix de Rome is een big thing hier ‘

Sinds 2002 woont ze in Nederland. Toen kwam ze voor een residency van twee jaar naar de Rijksacademie. Dat was eerder om Londen te ontvluchten dan vanwege Amsterdam: ‘Het was rusteloosheid. Bovendien was Londen veel te duur. Ik had geen tijd om ook maar enig werk te maken, ik had het veel te druk met baantjes, met overleven. Dat ik naar de Rijksacademie kon was een uitkomst.’ Dat ze daarna bleef had te maken met vrienden die ze gemaakt had, met tentoonstellingen die ze hier had: bij Fons Welters in Amsterdam, bij Buro Leeuwarden. ‘En weet je, ik ben echt dol op Amsterdam. De kwaliteit van leven hier is zo veel beter dan in Londen. Het is daar zoveel hectischer. In Londen gaan de dagen twee keer zo snel voorbij. Amsterdam is a special place.’ Toch is ze van plan te vertrekken. Naar Berlijn. In elk geval voor een jaar. Ze lacht verontschuldigend. En nuanceert meteen: ‘Nou ja, misschien. Het gevoel van rusteloosheid groeit, maar ik twijfel. Elke lente en zomer ben ik weer verliefd op Amsterdam.’ Ze heft in gespeelde vertwijfeling de handen en geeft haar shagje een extra vuurtje. ‘Ik moet er nog goed over nadenken.’

Claire Harvey schildert in olieverf kleine mensfiguren – vaak niet groter dan een halve duim – op kleine formaten canvas, op transparante overheadsheets en op zeer kleine Post-it-blaadjes en stukjes plakband, die ze in wisselende combinaties en configuraties op de muur hangt of projecteert. Ze begon met schilderen op de Rijksacademie, eerder had ze zich er nooit mee beziggehouden. Inmiddels is ze er behoorlijk bedreven in, maar nog steeds ervaart ze het als een vreemd metier: ‘Ik ben er niet in opgeleid en ik weet totaal niet wat ik doe als ik aan het schilderen ben. Ik voel me soms zo ongelooflijk dom! Maar dat is ook juist een van de redenen waarom ik er zo van hou. Je staat tegenover zo veel geschiedenis als je voor een leeg, wit doek staat.’ Harvey gebruikt uitsluitend zwart. Dat maakt ze zelf door allerlei kleuren te mixen: rood, groen… Dat de klassieke én handigste manier om zwart te maken het mengen van gebrande omber en ultramarijn is, daar kijkt ze van op: ‘Dat wist ik dus niet.’ Ze moet er om lachen. Het is ook niet van wezenlijk belang.

Dat ze mensen schildert, en dat die doen wat ze doen, zal wel iets met haar eigen persoon te maken hebben, vermoedt ze. Het is geen vraag die haar bezighoudt. Of die ze graag beantwoordt: ‘Ik vind mensen fascinerend en ik vind het prettig om ze te schilderen.’ Interessanter is het waarom van het minieme formaat. ‘Voor mij zijn die figuren gedachtenspoortjes die een menselijke vorm hebben aangenomen. De controle die je over de voorstelling hebt als je op dat formaat werkt, is beperkt. Hoe fijn het penseel ook is, het blijft een groot ding. Je hand trilt even en het figuurtje waaraan je bezig was krijgt een heel andere houding en uitdrukking, wordt een heel ander persoon.’ Dat onbestendige en voorbijgaande vindt z’n pendant in het formaat en het alledaagse, kwetsbare materiaal van de dragers van de afbeeldingen: de stukjes plakband, de Post-it-blaadjes. De gebruikte olieverf met zijn geschiedenis, traditie en geur van eeuwigheid vormt daarmee een stevig contrast en accentueert de kwetsbaarheid en de tijdelijkheid van het werk.

Een ander contrast heeft te maken met de ruimte. ‘Door het kleine formaat benadruk je de ruimte waarin het werk is geïnstalleerd, en tegelijkertijd geef je ruimte aan de verbeelding, leg je een gebied open waar je met de fantasie in kunt. Het zijn die twee dingen ineen: je ziet wat het is – een kleine afbeelding op plakband – en je ziet wat het niet is.’ Ze verduidelijkt: ‘Het is als met een foto die je tijdens de vakantie maakt van iets groots: daar laat je iemand naast staan om de schaal duidelijk te maken.’ En ze haalt schrijver Italo Calvino erbij: ‘Calvino kan je in zijn verhalen vanuit het gewone-dagelijkse meevoeren naar metafysische verten, en dan ineens maakt hij een opmerking die je in één klap terugzet in de feitelijke werkelijkheid: dat je gewoon een verhaal zit te lezen, een boek van papier en inkt.’

Ze had er dus graag langer aan gewerkt, maar ze is tevreden over haar Prix de Rome-presentatie: ‘Niet honderd procent tevreden, maar dat ben ik nooit.’ Vroeger bestonden haar tentoonstellingen alleen uit tweedimensionaal werk dat op of aan de muur zat, hier werkt ze voor het eerst ook met beelden in de ruimte. Ze is er enthousiast over. Er hangen configuraties van schilderijtjes op plakband en overheadsheets, maar ze heeft ook een extra muur laten plaatsen, een deur laten zagen en een opening bij wijze van raam, ze heeft spijkers in de zwarte wand achter dat raam geslagen – als sterren in een duistere kosmos –, een lichtwerk geïnstalleerd en twee sculpturen van kistjes gemaakt, een ervan gevuld met zand, een met spiegels, beide ook met menselijke figuren. ‘Het zijn verschillende soorten werk, maar ze verhouden zich tot de ruimte op manieren die elkaar ondersteunen. Eigenlijk gaan ze op verschillende manieren over hetzelfde: de idee van presence. Dat wil zeggen, over de onmogelijkheid onderscheid te maken tussen figuratie en drager, of, meer in het algemeen, tussen werk en expositieruimte.’

Ze legt uit wat ze bedoelt: ‘Neem de kneedlijm waarmee de transparante sheets op de muur vastzitten. Je ziet de platgedrukte bolletjes lijm zitten. Ze gaan deel uitmaken van de voorstelling op de sheets. Hoe iets vastzit op de muur, het bevestigingssysteem, wordt deel van het werk. De lijm wordt een bal op het hoofd van een mannetje. Er zit zelfs een lege sheet tussen, leeg aan de voorkant, maar wel met een bolletje lijm erachter natuurlijk, dat als een ballonnetje is dat van de andere sheets wegzweeft. Je kunt overal in en achter kijken, er wordt niets verborgen gehouden.’ Een ander voorbeeld is de kubistisch-achtige kistjessculptuur. Daar zitten spiegeltjes in en uitgeknipte mensfiguurtjes. ‘Die figuurtjes kun je alleen waarnemen via de spiegeltjes, ze zijn volledig opgenomen in de constructie, het is onmogelijk ze er los van te zien.’

Dit idee van aanwezigheid vindt zijn hoogtepunt in de gecombineerde schildering/sculptuur aan het eind van haar presentatie. Daar heeft Harvey tegen de dwarswand van de toegang tot de volgende ruimte een witgeschilderd, enigszins doorgebogen stuk hardboard gezet. Het is ruwweg twee meter hoog en vijftig centimeter breed, en staat erbij als een lusteloze puber die zich afvraagt of hij hier eigenlijk wel thuis wil horen. Erboven staat de afbeelding van een schaap, een centimeter of zeven breed, direct op de muur geschilderd. Claire Harvey: ‘Dat stuk board werd steeds weggehaald door het personeel. Ze dachten waarschijnlijk dat het achtergebleven was van de opbouwfase. Zette ik het terug, was het de volgende dag weer weg. Dat schaap zagen ze kennelijk niet, het valt ook niet zo op. Het gekke van schapen is natuurlijk dat je er nooit eentje alleen ziet. Misschien dat ik hem er daarom wel heb neergezet. Ik stel me trouwens voor dat hij nog steeds iemand opvalt als ik de boel al heb afgebroken. Wie weet hoeveel jaren hij daar dan nog staat.’