Er is een theorie – ik weet niet meer waar ik hem heb gelezen – en die beweert dat je meer aan je kindertijd denkt als je ouder wordt omdat je als grootouder je kleinkinderen moet opvoeden, aangezien paps op jacht is, mams, zwanger, voor het huishouden zorgt.

Voed ik mijn kleinkinderen op, als ze bij ons logeren?

Nou nee.

Ik zou ze het liefst volstoppen met drop en chocola, zoals mijn grootmoeder dat bij mij deed, maar ik weet dat dit niet gezond is en ik wil geen ruzie.

Wat doe ik wel?

Ik zing twee minuten een half liedje, omdat ik de tekst niet verder ken.

Ik doe een oude goocheltruc, waar ze niks aan vinden.

Ik maak boterhammetjes klaar – met hagelslag dat wel. Ik speel wat piano en gitaar. En dat is het.

Voor de rest van de tijd heb ik per ongeluk mijn iPad en telefoon uitgeleend. Daar zijn ze toevallig net mee klaar als hun ouders ze komen ophalen en ik met de kinderen weer een half liedje zing.

Mijn ouders waren lieve grootouders. Als ik mijn dochter kwam halen had mijn vader een hoedje van een krant opgezet – hij was de reus – had mijn moeder haar kamerjas aangedaan en een doekje over haar hoofd geknoopt – zij was de heks – en was mijn dochter, met alle kettingen van mijn moeder, een prinsesje.

Ze waren de hele middag al aan het spelen. Dochter wilde ook niet weg. Maar ja, mijn ouders gingen dood, dus dat hield op.

Zelfs mijn kleinzoon van tien schrikt als ik heus per ongeluk ‘slaaf’ zeg

Wat hebben ze overgedragen? Weet ik eigenlijk niet.

Zoals ik me schaam voor mijn vaderschap, zo schaam ik me voor mijn grootvaderschap.

Terwijl ik me er altijd wel heel erg op verheug. Maar kinderen en ik… Ik wil altijd te leuk doen, te enthousiast, ik wil er altijd een feest van maken, gezellig zijn. Maar dat lukt nooit.

Opa doet altijd maar een beetje mee, want opa moet werken, heeft hoofdpijn, is moe en laat alles aan oma over.

Is het mijn grootouderlijke plicht om wat over te dragen? Ik hoor van grootouders die hun kleinkinderen elke week een brief schrijven – en dat al twintig jaar! – waarin ze alles over zichzelf en de familie vertellen, maar daar moet ik niet aan denken. Eigenlijk omdat dat geen leuke brieven worden. Daarbij voel en weet ik dat ik gedateerd begin te raken. Mijn moeder vroeg mij eens: ‘Uit je dak gaan, wat betekent dat?’ Ik vraag aan mijn dochter: ‘Waarom zeg je “hen” en niet hij of zij? Wie heeft dat bedacht? En hoe doe je dat met bezittelijke voornaamwoorden?’ We praten dan wel leuk, maar dat neemt niet weg dat mijn irritaties dan steeds groter worden.

‘Probeer nou eens “tot slaaf gemaakte” niet ironisch te zeggen!’ hoor ik. Maar dat kan ik niet. Ik heb al tien keer uitgelegd waarom ik dat slecht en lelijk Nederlands vind, maar ik weet ook wel dat de esthetiek van onze taal bepaald wordt door de gebruiker en ik behoor tot een minderheidsgroep waarnaar niet meer geluisterd wordt. Zelfs mijn kleinzoon van tien schrikt als ik heus per ongeluk ‘slaaf’ zeg. Met hem ga ik niet in discussie. Je kunt met de tijdgeest niet discussiëren.

Ook komt er steeds een advies van een of ander taalinstituut. Nu mag ‘groter als’ weer van gerenommeerde taalhoogleraren die nog nooit een letterkundig werk hebben geschreven. Ze leggen zo’n taalverandering (die zeker geen verbetering is) op door hun gezag.

Tja, waarom kunnen wij P.C. Hooft niet meer lezen – en leest niemand die ook meer? Waarom kent men van Joost van den Vondel twee regels die men ook niet begrijpt. Dat komt door die instituten die beweren dat de taal zijn eigen regels stelt.

Ja, schrijvers van nu, jullie worden steeds sneller onleesbaar.

Godlof is er Lotte Jensen die zich bekommert om de achttiende en negentiende eeuw in onze literatuur die helaas ook niemand meer leest.

Kan lezen.

Opa moet niet aanleren, maar afleren. En dat weigert opa!