Kinderontvoeringen

Gedeeld gezag, halve smart

Een gastarbeider die zijn kinderen meeneemt naar zijn vaderland - dat is het beeld van internationale kinderontvoeringen. Maar tegenwoordig is de ontvoerder meestal een westerse moeder, strijdend tegen een verouderd verdrag.

TWAALF JAAR GELEDEN werden de kinderen van Nelleke Sigtermans op Moederdag bij haar weggehaald. ‘Het was een emotionele dag, een zwarte bladzijde in mijn bestaan.’ Ze was op bezoek bij haar ouders, toen er hard op de deur werd geklopt. 'Er stonden zeven agenten op de stoep. Ze wilden mijn kinderen meenemen naar een gastgezin, waar ze door hun vader zouden worden opgehaald. Ik probeerde nog met ze te vluchten, want ik wilde mijn kinderen niet kwijt, maar ik was omsingeld. Ze zijn echt van me weggerukt.’
Negen maanden eerder was Sigtermans, nadat haar huwelijk met haar Amerikaanse echtgenoot was stukgelopen, samen met haar kinderen naar Nederland teruggekeerd. Ze woonde toen al acht jaar in de Verenigde Staten maar voelde zich er niet thuis. 'Ik had geen baan en na al die jaren was ik nog steeds een vreemde eend in de bijt. Amerikanen lijken zo vriendelijk en open, maar dat is allemaal heel oppervlakkig: het is moeilijk om als buitenlander in de Verenigde Staten een leven op te bouwen.’ Ze sprak met haar ex af dat hij de kinderen zo vaak mocht spreken en zien als hij wilde en hij gaf haar toestemming om met de kinderen te vertrekken. Na enkele maanden veranderde hij echter van gedachten. Hij stapte naar een Amerikaanse rechter en beweerde dat zij zonder zijn toestemming met de kinderen naar het buitenland was vertrokken. Sigtermans had zijn toestemming niet zwart op wit en kon dus niet aantonen dat hij akkoord was gegaan met haar vertrek. Ze werd hierdoor een ontvoerder: ze had haar kinderen zonder toestemming van een gezaghebbende ouder meegenomen naar een ander land.

BIJ INTERNATIONALE kinderontvoering wordt al snel gedacht aan een niet-westerse vader die zijn kinderen meeneemt naar zijn vaderland, maar ontvoerders zijn in driekwart van de gevallen juist westerse moeders, zoals Nelleke Sigtermans. De media besteden desondanks vooral aandacht aan zaken waarin kinderen door hun niet-westerse vader worden meegenomen. Een bekend voorbeeld is dat van Sara en Ammar; zij werden door hun Syrische vader bij hun Nederlandse moeder weggehaald en naar zijn vaderland ontvoerd. Janneke Schoonhoven, de achtergebleven moeder, schreef hier een boek over, Kom niet aan mijn kinderen, dat dit jaar ook is verfilmd.
Het beeld dat in de media wordt geschetst - zielige Nederlandse moeder is het slachtoffer van (vaak islamitische) man die kinderen meeneemt naar een land dat niet wil meewerken aan terugkeer - vindt zijn oorsprong in de jaren zeventig. Toen was de kinderontvoerder inderdaad vaak een gastarbeider die na een stukgelopen huwelijk met een westerse vrouw de kinderen ontvoerde naar zijn vaderland. Daar kon die man het volledige gezag krijgen over zijn kinderen, zelfs al had in Nederland formeel de moeder het ouderlijk gezag.
Om dit tegen te gaan, werd in 1980 het Haags Kinderontvoeringsverdrag opgesteld (zie kader). Kern van het internationale verdrag: als kinderen zonder toestemming van een gezaghebbende ouder zijn meegenomen naar een ander land moeten ze zo snel mogelijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats. Het verdrag gaat uit van de situatie van de jaren zeventig, de man-zonder-gezag die zijn kinderen ontvoert en in eigen land de controle over zijn kinderen krijgt. Maar die situatie is achterhaald. Gezag wordt steeds vaker gedeeld, ook moeders 'ontvoeren’ kinderen en terugkeer naar de oorspronkelijke woonplaats hoeft niet altijd goed te zijn. De laatste jaren klinkt dan ook steeds meer kritiek.
Het verdrag past niet meer in deze tijd, zegt Menne Menninga van de Vereniging Internationale Kinderontvoering (IKO): 'Moeders als Nelleke Sigtermans nemen de kinderen niet mee om ze weg te houden bij de andere ouder, of om gezag te krijgen. Ze zijn meestal de verzorgende ouder en vinden het niet meer dan logisch dat de kinderen met hen meegaan. Ze hebben vaak zelfs toestemming van hun ex om het kind mee te nemen. Het verdrag is hier niet voor opgesteld, maar deze zaken worden wel volgens het verdrag behandeld. Dat zorgt voor wrange situaties.’
Zoals bij Nelleke Sigtermans. Ze moest haar drie jaar oude dochter uitleggen dat ze haar moeder voorlopig niet meer zou zien. 'Wat zeg je op zo'n moment tegen je kind? Ik heb haar gezegd dat ze goed op haar broertje, toen nog een baby, moest passen. Verder kon ik geen woord uitbrengen. Ik was in shock.’ Sigtermans is haar kinderen meteen achterna gereisd naar de Verenigde Staten, maar haar ex had via de Amerikaanse rechter inmiddels het volledige gezag gekregen. 'Toen ik bij hem langs ging om mijn kinderen te zien, bleek hij ook een straatverbod tegen me te hebben. De politie stond meteen op de stoep. Ik probeerde zo rustig mogelijk te blijven, voor de kinderen, maar het maakte me kapot.’
De Kinderbescherming had de rechter nog geadviseerd om de kinderen in Nederland te laten blijven, omdat ze hier al waren gesetteld en nog erg jong waren. Maar de rechter besliste anders. 'Mijn ex heeft uiteindelijk met veel leugens de rechtszaak gewonnen. Hij zei dat ik onvindbaar was en dat hij geen contact met de kinderen kon krijgen. Dat was niet waar. Maar de rechter luisterde niet eens naar mijn verweer, hij zat gewoon uit het raam te kijken, de beslissing was toch al genomen.’

NAAR AANLEIDING van het verhaal van Nelleke Sigtermans begon Stichting de Ombudsman een onderzoek naar verdragszaken. De Ombudsman volgde een aantal kinderen nadat ze waren teruggekeerd naar de achtergebleven ouder en concludeerde dat het niet altijd in het belang van het kind is om terug te keren naar de oorspronkelijke verblijfplaats. Vooral voor kleine kinderen is de aanwezigheid van de verzorgende ouder veel belangrijker dan een zo spoedig mogelijke terugkeer. 'De rechter zou daarom goed moeten kijken naar de omstandigheden waarin het kind terechtkomt, alvorens hij het kind terugstuurt’, concludeert de stichting in haar rapport.
Dat is zeker van belang wanneer de ontvoerende moeder met haar kinderen naar een ander land vlucht wegens huiselijk geweld. De International Social Service (ISS) constateerde in een onderzoek dat in het merendeel van de gevallen waarin de moeder de ontvoerder is ze mishandeld werd door haar (ex-)partner. Onderzoekers in de Verenigde Staten, Australië en Groot-Brittannië kwamen tot eenzelfde conclusie: angst voor een gewelddadige (ex-)partner is meestal de reden dat moeders met hun kinderen teruggaan naar hun land van herkomst. De man doet vervolgens een beroep op het verdrag en begint een rechtszaak, vaak alleen om zijn (ex-)vrouw in zijn greep te houden. En hij is met behulp van het verdrag in staat om zijn kinderen op te eisen.
Het gebeurde Miranda van den Berg. Zij vluchtte in 2003 met haar dochtertje Noa vanuit Italië naar Nederland. Haar Italiaanse ex was gewelddadig en ze was bang dat zij en Noa in gevaar waren. In eerste instantie zocht ze onderdak in een blijf-van-mijn-lijf-huis in Italië, maar het opvanghuis bleek ook geen oplossing. Van den Berg: 'Er heerste chaos en het was er smerig. De situatie werd onhoudbaar. Ik nam contact op met een advocaat en hij adviseerde me terug te komen naar Nederland. Hij waarschuwde me niet dat dit strijdig zou zijn met het verdrag. Later gaf hij toe het verdrag niet eens te kennen.’ >
Enkele maanden nadat Van den Berg weer terug in Nederland was gekomen, deed haar ex aangifte van internationale kinderontvoering. Van den Berg leek echter een goede kans te maken om de rechtszaak te winnen. Het verdrag kent namelijk een aantal weigeringsgronden waardoor het kind toch bij de ontvoerende ouder mag blijven: als het in het belang van het kind is omdat het al lange tijd ergens woont, of omdat de situatie risicovol is. Maar dat Van den Berg met haar dochtertje was gevlucht voor haar gewelddadige ex, en dat Noa al (uiteindelijk, na alle processen) drie jaar in Nederland woonde, deed de rechter niet anders beslissen. Na een slepend proces moest Noa in 2007 terug naar haar Italiaanse vader. Van den Berg: 'Mijn ex leeft de bezoekregeling niet na dus ik zie mijn dochter nauwelijks meer. Als ik haar spreek of zie, merk ik dat het steeds slechter gaat met haar: ze ziet er ondervoed uit en maakt nauwelijks contact. Maar wat kan ik doen? Weer gaan procederen? Het geld is gewoon op.’
Volgens de Amerikaanse hoogleraar Jeffrey Edleson van het The Hague Domestic Violence Project stuurt de rechter in het merendeel van de gevallen waarin de moeder met de kinderen is gevlucht voor een gewelddadige (ex-)partner de kinderen toch terug naar de vader. Edleson stelt dat deze rechters vasthouden aan het idee dat terugkeer altijd het beste is voor het kind. Onterecht, vindt hij: 'Toen het verdrag werd opgesteld, was er nog weinig bekend over het effect dat huiselijk geweld op het kind kan hebben. Inmiddels is uit diverse onderzoeken gebleken dat dit schadelijk kan zijn voor het kind, ook als het kind niet zelf mishandeld wordt maar er alleen getuige van is. We kunnen dit niet langer negeren, en toch gebeurt dat in acht van de tien zaken wel.’
Edleson vindt het niet vreemd dat vrouwen als Van den Berg terugkeren naar hun vaderland. Volgens hem is het voor hen erg lastig om in het buitenland juridische steun te krijgen en wint in de meeste gevallen hun ex-partner de voogdijzaak. 'Maar als ze terugkeren, hebben ze een nog groter probleem. Huiselijk geweld is moeilijk aan te tonen en de procedure van een verdragszaak is daar eigenlijk te kort voor. Een enorm dilemma dus.’

ELS PRINS van het Centrum Internationale Kinderontvoering, een informatie- en adviescentrum over het Haags verdrag, begrijpt dat deze vrouwen voor een dilemma staan, maar benadrukt dat het nooit de oplossing is om met je kind naar een ander land te vluchten: 'Dat ze met hun kinderen terugkeren naar hun thuisland is een logische stap, maar wel een fatale. Als je zonder toestemming van de andere ouder je kind meeneemt naar een ander land, ontvoer je je kind. Het kind moet dan terug.’
Prins heeft in 2006 het Centrum IKO opgericht omdat zij zag dat veel mensen onvoldoende kennis hebben van internationale kinderontvoering. Prins: 'Vaak weten ze niet eens dat het Haags Kinderontvoeringsverdrag bestaat, totdat het te laat is. Het liefst zouden we zien dat mensen de zaken vastleggen nog voor ze een internationale relatie aangaan. Maar daar wil men niet aan: zolang het goed gaat, wordt er niet gedacht aan wat er mis zou gaan. Toch zou het veel leed besparen.’ Naast advies biedt het Centrum IKO sinds dit jaar ook Cross Border Mediation, waarbij de ouders samen met twee bemiddelaars in gesprek gaan om een kinderontvoering op te lossen of te voorkomen. Tijdens de pilot van de Cross Border Mediation hadden acht van de twaalf zaken een succesvolle afloop: de ouders werden het eens over de verblijfplaats van het kind.
Lobke Riedijk deed met haar Italiaanse ex mee aan een Cross Border Mediation. Ze vertrok een jaar geleden met haar kinderen uit Italië om weer in Nederland te gaan wonen. Op het moment van terugkeer had ze het volledige gezag, maar met een procedure bij de Italiaanse rechter wist haar ex het gezag achteraf op te eisen. Riedijk had zich goed ingelezen en wist dat het lastig zou worden: haar kinderen zouden waarschijnlijk terug moeten naar Italië. Maar tijdens de eerste zitting werd haar en haar ex een mediation aangeboden. Riedijk: 'Bij de bemiddeling werd echt heel goed bekeken wat het beste voor de kinderen zou zijn. We hebben over twee opties gepraat, blijven in Nederland of terug naar Italië. Na twee dagen hadden de vader en ik overeenstemming bereikt: de kinderen mochten hier bij mij blijven.’
Volgens Menninga van de Vereniging IKO is de Cross Border Mediation wel een stap in de goede richting, maar niet het eindpunt. De bemiddeling voorkomt dat het tot een rechterlijke uitspraak komt. Maar als de ouders niet bereid zijn tot een gesprek of het niet eens worden? Dan zal de zaak toch volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag moeten worden opgelost. 'Met bemiddelingen kunnen de klappen wel tijdelijk worden opgevangen, maar het blijft toch symptoombestrijding. We moeten het probleem bij de wortel aanpakken: het verouderde verdrag.’ In een nieuwe versie van het verdrag moet er veel meer aandacht komen voor het kind, vindt Menninga. 'Het is heel belangrijk dat steeds weer de vraag wordt gesteld: wat is het beste voor de kinderen? Het verdrag moet het belang van het kind gaan dienen. En dat is lang niet altijd een snelle terugkeer.’


Het Haags
Kinderontvoeringsverdrag

Op 28 oktober 1980 werd het Haags Kinderontvoeringsverdrag opgesteld. Een internationale kinderontvoering is volgens het verdrag ‘het meenemen van een kind tegen de wil van de andere ouder die het gezag heeft, waarbij een landsgrens overschreden moet worden’. De achtergebleven ouder kan in dat geval om teruggeleiding vragen. De ontvoerende ouder krijgt dan een brief van de aangewezen instantie, de Centrale Autoriteit van het land waar hij of zij de kinderen mee naartoe heeft genomen, met een verzoek om de kinderen terug te brengen naar hun gewone verblijfplaats. Gebeurt dit niet, dan zal de zaak voor de rechter komen. Als de rechter beslist dat het kind inderdaad ongeoorloofd is meegenomen en dus ontvoerd, zullen de kinderen alsnog worden teruggestuurd naar de achtergebleven ouder.
Inmiddels hebben 83 landen het verdrag ondertekend, waaronder Nederland, de Verenigde Staten en Italië. Begin dit jaar is ook Marokko lid geworden. Dit wordt gezien als een belangrijke ontwikkeling omdat veel moslimlanden het verdrag niet willen ondertekenen.
Naar aanleiding van de kritiek op het verdrag heeft het ministerie van Justitie dit jaar enkele wijzigingen in de uitvoeringswet voorgesteld. Allereerst zou de Centrale Autoriteit een andere rol krijgen. Terwijl nu de achtergebleven ouder kosteloos wordt bijgestaan door de Centrale Autoriteit, moeten dan beide ouders een advocaat betalen. Hiermee wil het ministerie het gevoel wegnemen dat de achtergebleven ouder in een voorkeurspositie verkeert. Ook wil het ministerie een concentratie van de rechtspraak, zodat alleen het gerechtshof in Den Haag nog IKO-zaken behandelt. Daarnaast zal de teruggeleiding versneld worden, om ervoor te zorgen dat het leven van het kind minimaal verstoord wordt.
De eerste twee punten worden wel als een verbetering gezien, maar critici vinden een snellere teruggeleiding juist helemaal geen goede zaak. De teruggeleiding gebeurt volgens hen al veel te snel, zodat er te weinig tijd is om goed naar de situatie van de ontvoerende ouder en de kinderen te kijken en het belang van de kinderen te wegen. Momenteel ligt het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer.