Gedegen en gedreven

In januari besluiten de RPF en het GPV over een politieke unie. Geen fusie, want dat was voor GPV-leider Gert Schutte een brug te ver. ‘Het karakter van het GPV blijft in de unie gewoon bestaan.’

GERT SCHUTTE: ‘Maar zó werkt het niet! Ontdekt Hans Dijkstal afgelopen weekend een probleempje met het nieuwe belastingplan van het kabinet. De kleine ondernemers werden wat al te zwaar aangepakt. Is natuurlijk mogelijk: Dijkstal heeft een onvolkomenheid in dat plan ontdekt en wil dat oplossen. Maar hoe reageert hij? Hij zal het foutje gaan aankaarten bij de coalitiepartners. En als die moeilijk doen, dan is het jammer maar helaas: Dijkstal wil de zaak niet op de spits drijven. Maar hij vindt toch als Kamerlid dat er iets schort aan een plan van het kabinet? Dan moet je je niet meteen gewonnen geven en in overleg met coalitiepartners kijken of er iets te regelen valt. Je bent als héle Kamer wetgever. Hoe vaak al niet hebben we in een discussie over bijvoorbeeld de staatsrechtelijke vernieuwing de spreker namens de VVD gehoord die zei: “Een man een man, een woord een woord, maar van mij hoeft dit eigenlijk allemaal niet. Zelf zouden we zoiets nooit gesteund hebben.” Eén keer mag je zoiets zeggen. Als je dat iedere keer zegt, wordt het ronduit beschamend. Inhoudelijke discussies worden gemeden. En de Kamer staat buitenspel.’
Kijk, daarom wordt het boegbeeld van het Gereformeerd Politiek Verbond dus bij iedere gelegenheid 'het staatsrechtelijk geweten’ van de Tweede Kamer genoemd. Of zelfs: 'de kroon op de parlementaire democratie. Natuurlijk, alle honderdvijftig leden van de Kamer behoren een staatsrechtelijk geweten te hebben, zegt hij. Maar Schuttes terechtwijzingen hebben impact.
'Er worden nu veel mooie woorden gesproken over het zogenaamde interactief besturen: in samenspraak met de burger. De eerste eis hiervoor is natuurlijk dat je als Kamer niet met handen en voeten aan een regeerakkoord gebonden bent. Je moet in een regeerakkoord slechts een minimum aan afspraken maken. Het is echt slecht als je ziet dat werkgroepen uit de beoogde coalitiefracties allemaal bezig zijn hun wensen in te dienen en vervolgens het onafhankelijk functioneren van de Kamer in gevaar brengen. De Kamer regeert niet! Als je écht een paars kabinet wilt, dan kun je mij niet wijsmaken dat daar een boekwerk van dertig, veertig pagina’s voor nodig is waarin tot in de allerkleinste details de komende vier jaar zijn dichtgetimmerd. Je zou zo veel vertrouwen in elkaar moeten hebben dat je op basis van hoofdlijnen in het regeerakkoord het inhoudelijke debat aandurft. Eerst met de samenleving, vervolgens met de Tweede Kamer. We vinden allemaal dat de burgers vertrouwen moeten kunnen hebben in wat er in de Kamer gebeurt. En die burgers hebben in ieder geval aan één ding een broertje dood, en dat is dat ze helemaal geen argumenten horen, maar alleen maar het argument van: ja, we hebben het nu eenmaal zo niet afgesproken. Een partij als de VVD is daar heel open in, maar ook heel slecht.’
De fractievoorzitter van het GPV krijgt er opeens weer schik in. Over niets liever spreekt hij dan over het functioneren van de Kamer, waarvan hij sinds 1981 lid is. Maar eigenlijk was dat niet de aanleiding voor het gesprek. Gert Schutte zou uitleggen waarom zijn GPV met de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF) van Leen van Dijke samengaat in een politieke unie met één verkiezingsprogramma en één kandidatenlijst. 'Het heeft iets verdrietigs’, schreef Jan Blokker twee weken geleden na het bekend worden van de protestants-christelijke samenwerking, 'en je ziet het ook aan de vrijgemaakte Schutte, die wel lacht, maar in zijn hart niet blij is.’
De columnist lijkt gelijk te hebben: Gert Schutte heeft veel woorden nodig om uit te leggen dat hij zich best in de samenwerking kan vinden. Hij lijkt tegen zijn gewoonte in zelfs wat nerveus. Een echte fusie, zoals Van Dijke graag had gezien en zoals ook Schuttes enige GPV-fractiegenoot Van Middelkoop al eens bepleitte, is het niet geworden. Maar in de toekomst zou zoiets nog altijd kunnen. Schutte weet het. Het is maar goed dat hij bij de verkiezingen van vorig jaar al bekendmaakte dat dit zijn laatste termijn als Kamerlid zou worden. Hoeft hij niet in de gemeenschappelijke unie-fractie en hoeft hij een fusie tenminste niet als partijleider mee te maken.
Niet dat hij zit te mokken; zeker niet. Daar is hij trouwens ook te oprecht voor. Schutte weegt gewoon zijn woorden. 'Na een heel lang proces is nu eindelijk een keuze gemaakt waar ik achter kan staan. Een fusie, dat was en dat is een stap te ver. Ik heb dat indertijd al gezegd toen de adviescommissie die de partijen aanraadde zo spoedig mogelijk volledig samen te gaan, bezig was. Maar dan moet je gemeenschappelijke grondslagen formuleren en de RPF heeft natuurlijk een heel andere samenstelling, deels mensen met een evangelische achtergrond. Nu hebben we gekozen voor een model waarbij een fusie nog altijd kan, maar waarbij het niet noodzakelijk is. Ik heb zelf ook liever een laatste termijn waarin ik con amore kan meewerken aan nieuwe vormen dan een laatste termijn in de Kamer waarin ik op een gegeven moment zou moeten zeggen: sorry, jongens, jullie zoeken het vanaf nu zelf maar uit.’
Hij probeert al het moois van de samenwerking aan te stippen, de goede kanten van de RPF naar voren te halen, de overeenkomsten met zijn GPV te benadrukken. Er werd met de partij van Van Dijke de laatste jaren natuurlijk al op veel terreinen samengewerkt. Vrijblijvender. Op lokaal niveau, in de provincie en ook in de Kamer, waar de fracties sinds begin vorig jaar samen optrekken. Ze stellen gezamenlijk vragen aan het kabinet en sturen vaak slechts één woordvoerder naar kamer- en commissievergaderingen. Want, in de 'praktische politiek’ zijn er zo veel verschillen niet, zegt Schutte. En waar er verschillen zijn, worden die snel gladgestreken. Israel was tot voor kort nog zo'n struikelblok. Verschillende RPF'ers beschouwden het volk Israel nog altijd als het volk van God, dat aanspraak kon maken op allerlei beloften over landsgrenzen en de positie van de stad Jeruzalem uit het oude testament. 'Dat was onverteerbaar voor ons. Als dát je einddoel zou zijn, dan ben je nauwelijks in staat in de Midden-Oostendiscussie een zinnig geluid te laten horen.’
Dat probleem is inmiddels getackeld. De RPF heeft zich geschikt naar het standpunt dat ook voor de GPV acceptabel was. Een ander punt van praktische politiek dan: de infrastructuur. Schutte: 'Het GPV heeft altijd sterk de nadruk gelegd op de opdracht van mensen om in de samenleving waarin je leeft je actief op te stellen - eruit te halen wat erin zit. Een wat activistische inslag noem ik dat zelf. Binnen de RPF is vanouds wat meer de nadruk gelegd op een zekere gedrevenheid, het opkomen voor de christelijke waarden en normen. Heel belangrijk, natuurlijk, maar het schept meer afstand tot de samenleving waarin je je bevindt. Het GPV staat, met het oog op die samenleving, altijd iets positiever tegen grote infrastructurele projecten als de hogesnelheids- en de Betuwelijn. Je moet kijken naar de taak die je hebt in de samenleving waarin je leeft.’ Ook daar komen de twee fracties wel uit voordat bij de verkiezingen van 2002 een gezamenlijk programma gemaakt moet worden, zegt Schutte.
IN DE BERICHTGEVING over de te vormen unie leek er vooral aandacht voor pakkende uitspraken over het kiezerspotentieel. Eimert van Middelkoop filosofeerde in het NOS-journaal over een hand vol extra zetels, te betrekken bij ontevreden CDA-stemmers. Leen van Dijke rekende zich in NRC Handelsblad in een tweegesprek met Schutte al rijk. Hij verwachtte electorale winst van jonge kiezers uit orthodox-christelijke milieus, die om het groene en sociale imago bij vorige verkiezingen nog GroenLinks stemden.
Allemaal praktische politiek weer. Maar daartoe was het GPV toch niet op aarde? De vrijgemaakten, die in 1944 met de Kampense theoloog Klaas Schilder de gereformeerde kerken de rug toekeerden, legden in 1948 de basis voor een eigen partij. Niet langer konden zij zich vinden in het kuyperiaanse beginselprogram van de Anti-Revolutionairen. Pas in 1963 zou het GPV met P. Jongeling een eerste vertegenwoordiger in de Kamer krijgen. In 1972 werd die zetel weer verloren, maar negen jaar later kregen de vrijgemaakten in Gert Schutte hun nieuwe man in Den Haag. De RPF, in 1975 opgericht door AR-leden die de vorming van het CDA niet zagen zitten, zocht bijna meteen aansluiting bij het GPV. In 1993 pas werd het lidmaatschap van die partij na een moeizame discussie opengesteld voor niet-vrijgemaakten. Voor Van Dijke, die toen de RPF leidde, reden om te pleiten voor een 'confederatie’. Uit vrees voor opnieuw een zwaar debat in de partij wees Schutte de avances van Van Dijke indertijd aanvankelijk van de hand. De (landelijke) samenwerking met de RPF die nu uitmondt in de politieke unie heeft ook Schuttes steun.
Zo'n electorale win-winrekening van Van Dijke en van Van Middelkoop, dat heeft 'niets meer met de tale Kanaäns te maken’, schreef Jan Blokker, 'maar alles met de taal die op het Binnenhof gesproken wordt’. Schutte noemt de discussie over zetelwinst ongelukkig. In NRC Handelsblad haastte hij zich de gretigheid van Van Dijke in te dammen. Voor Schutte geen sociaal gezicht, of een groen gezicht om kiezers bij GroenLinks weg te halen: 'De eer van God gestalte geven in praktische politiek, dat is onze opdracht.’
'Ik wil die discussie over zetels helemaal niet voeren. Alsof dat onze belangrijkste drijfveer zou zijn. Als je in een tijd waarin het christendom een minderheid in de samenleving is geworden zegt: we willen met een christelijke politiek naar de kiezers toe, dan ligt je ervaringsgrond uiteindelijk niet in de vraag of je net als GroenLinks of net als de Partij van de Arbeid een sociaal beleid voorstaat, maar dat je zegt dat het er uiteindelijk om gaat dat je je opdracht van God in de politiek inhoud wilt geven. Natuurlijk ben ik blij als de plannen aanslaan en er meer mensen bij komen, maar bovenal vind ik dat het in een seculiere samenleving niet past om als christelijke partijen naast elkaar en tegenover elkaar te staan. Dat vind ik het belangrijkste en ik wil al die discussie over levert het extra zetels op nu niet voeren. Als christelijke partijen in een geseculariseerde samenleving kunnen we ons zo'n discussie niet permitteren.’
HUN BESTAANSRECHT halen de kleine protestants-christelijke partijen uit minimale, maar zwaarwegende interpretatieverschillen. Voor de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) van Bas van der Vlies en voor het GPV geldt dat meer dan voor de RPF, die in de woorden van de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad iets 'populistischer’ is, minder intellectueel. Niet alleen de stijve mannenbroeders konden daar terecht, ook de evangelischen.
Schutte: 'Het GPV is gedegen en de RPF gedreven, typeerde onze voorzitter het. Daar kan ik meer mee. Je zit niet voor de lol in die christelijke politiek; je hebt een taak die voor de hele samenleving van belang is. Gedegenheid in die zin: we willen heel fundamenteel het debat aangaan met mensen die er anders over denken. We komen niet met een vrome boodschap en zeggen: jullie zien het allemaal verkeerd en wij zien het goed, dus zijn we tegen… Nee, we gaan in discussie. Kijken of je elkaar op concrete punten kunt vinden.’
Maar is de RPF dan wél een partij met een belerende, vrome boodschap?
Schutte: 'Zij hebben hun eigen stijl. En er is wel degelijk een cultuurverschil, al weet ik niet in hoeverre dat van de personen afhangt. Gedegenheid hoeft niet tegenstrijdig te zijn met gedrevenheid. Het is aan de RPF die gedegenheid te verwerken in hun gedrevenheid.’
Gaat het u ondertussen niet heel erg aan het hart dat met de unie langzaam een streep wordt gezet door uw GPV?
'Maar dat gebeurt niet! Het karakter van het GPV blijft in de unie gewoon bestaan. Daarom is het ook geen fusie geworden. Dan wordt recht gedaan aan een peiling die binnen beide partijen is gehouden. Bij beide partijen, iets meer bij ons dan bij de RPF, bleken mensen te hechten aan eigen zeggenschap over het ledenbeleid en toetsing van de politieke koers. Het risico van vervlakking is bij een samengaan natuurlijk altijd aanwezig. Maar we hebben dezelfde bijbel en dezelfde gereformeerde belijdenis. Dat is al heel wat.’
Op het hoogtepunt van de besprekingen over samenwerking werd Leen van Dijke voor het gerecht gesleept wegens homo-onvriendelijke uitspraken. Daar zat u naar verluidt behoorlijk mee in uw maag.
'Zeker. Ik ben heel blij dat de rechter uiteindelijk uitgesproken heeft dat hem niets te verwijten viel. Het is waar, er blijft bij zo'n zaak altijd aan iemand iets kleven. Het blijft vervelend als je beschuldigd wordt van dingen die je niet accepteren wilt. Neem de discussie over Peper die nu speelt. Je wordt als politicus altijd beschadigd als men je van gedragingen beschuldigt die niet passen bij een politicus. Maar je kunt niet zeggen dat iemand daardoor meteen blaam treft. Peper treft pas blaam als blijkt dat hetgeen waarvan hij beschuldigd wordt enige vorm van waarheid heeft.’
Dat is een kille juridische benadering. De ophefmakende uitspraken van Van Dijke stonden indertijd gewoon afgedrukt in Nieuwe Revu. In de rechtszaak moest slechts worden uitgezocht of de wijze van uitdrukken tegen de wet was.
'Van Dijke heeft zelf gezegd dat hij bij nader inzien het liever anders geformuleerd had gezien. De boodschap had wat anders verpakt moeten worden, daar is iedereen het over eens. Ik ook. En natuurlijk, ik heb met die zaak in mijn maag gezeten. Ik vond het beschadigend dat hier een rechtszaak over moest komen. Als een politieke vriend die voor een belangrijk deel hetzelfde voorstelt als jij voor de rechter wordt gesleept vanwege zo'n zaak, dan raakt dat ook mij. Omdat de christelijke politiek beschuldigd wordt.’
Is er over de zaak gesproken binnen GPV-verband?
'Jazeker. Maar alleen om te kijken hoe wij Van Dijke hierin konden bijstaan. Het heeft de toenadering in de unie in het geheel niet geschaad. We moesten ervoor zorgen dat het proces de christelijke politiek zo min mogelijk schade zou toebrengen. Omdat dat proces nu eenmaal al was aangespannen, was dat het maximale dat je ermee bereiken kon.’