Bewogen, filmgedichten in gebarentaal

Gedicht en gebaar

Gebarentaal die doven spreken heeft een geheel eigen grammatica en woordenschat, met nuances en woord spelingen. Je kunt er zelfs in dichten.

Hoe vertaal je een gebaar? In het dagelijks verkeer lijkt dat weinig problemen op te leveren. Een ieder die zich wel eens in dat verkeer heeft gewaagd, zullen de gebaren die behandeld worden in Captain Iglo’s Grote Gebarenboek bekend voorkomen:

1e Gebaar: duim naar beneden Betekenis: «Klote» of ook wel, uit de Romeinse tijd stammend, «Geen genade».

Gevoelswaarde: afkeuring, weg ermee.

2e Gebaar: middelvinger omhoog

Betekenis: «Sodemieter op», «Fuck you, asshole».

Gevoelswaarde: afkeuring, kom maar op.

3e Gebaar: wijsvinger naar het voorhoofd

Betekenis: «Getikt», «Idioot», «Eikel», «Mafkees», «Hoer».

Gevoelswaarde: afkeuring, ga toch weg.

4e Gebaar: wijsvinger langs keel

Betekenis: «Ik maak je af», «Ik ga jou kelen», «Ik ga jou helemaal dood maken», «Ik ga jou helemaal slachten, varken».

Gevoelswaarde: afkeuring, dreigement, wegwezen, opsodeflikkeren, bedreiging van de vrijheid van meningsuiting.

5e Gebaar: rechterhandpalm links langs lingam

Betekenis: «Je kamme wat», «Dikke pik», «Me rug op».

Gevoelswaarde: afkeuring, wie doet me wat, mij maak je niks, ik sta hier boven, mij hoef je niks te vertellen.

Andere gebaren zijn die van de indianen uit Disney’s Grote Woudlopershandboek: gesloten hand met duim naar zichzelf wijzend en dan twee wijsvingers langs de slapen: ik bizon; met wijsvinger wijzend en dan het V-teken: jij wolf, gevolgd door enige boksgebaren door het ritmisch heen en weer bewegen van de vuisten voor «strijden». En dan zijn er ook nog de alledaagse gesticulaties die grotendeels onopgemerkt blijven en die je ook grotendeels doet zonder dat je het in de gaten hebt: schouderophalen, wenkbrauwen op trekken, de benen over elkaar slaan als je naast iemand zit die dat ook doet, knikken als iemand wat vertelt om aan te geven dat je niet helemaal afwezig bent (in dezelfde categorie: gapen, neuspeuteren, kruiskrabben), enzovoort, de zogenaamde «lichaamstaal», waaruit van alles kan blijken, als je het als een echte gebarenpsycholoog of goede verstaander of mensenkenner kunt interpreteren.

Maar de gebarentaal die doven spreken is heel wat anders dan deze rudimentaire, vrijwel onwillekeurige en al te menselijke gebaren die we hooguit kunnen vergelijken met losse woorden of met vraagtekens of uitroeptekens of andere emoticons. Nee, doventaal is een geheel eigen taal met alles d’r op en d’r aan, van grammatica tot woordenschat, van subtiele nuances tot onvertaalbare woordspelingen, van poëzie tot ambtenarenproza. Je kunt zelfs uitdrukken dat de minister contact heeft gehad met de staatsecretaris door 1) je wijs- en middelvingers in twee denkbeeldige vestzakjes te duwen (de minister), 2) met je beide duimen en wijsvingers ringen te maken die in elkaar schakelen (contact) en 3) met twee vlakke handen, palmen naar elkaar toe gekeerd, vingertoppen schuin naar de grond, een korte beweging naar de grond te maken (staat) en daarna het schrijfgebaar te maken met een denkbeeldige ganzenveer (staat + secretaris = staatssecretaris; de gebaren zijn sneller gemaakt dan beschreven).

Als Loek Zonneveld het in dit blad (19 november 2004) heeft over «een debat tussen twee doven» weet iedereen wat hij bedoelt: een de bat tussen twee mensen die elkaar niet willen of kunnen begrijpen, maar het gebezigde cliché raakt kant noch wal. In gebarentaal debatterende doven begrijpen el kaar immers heel goed, zoals iedereen opmerkt die doven wel eens met elkaar heeft zien gebaren: levendig, vrolijk, de vonken vliegen eraf. Kom daar eens om bij een debat tussen twee toneelrecensenten, of twee politici. Dat heeft het in zich om een veel beter cliché te worden.

In feite is gebarentaal heel eenvoudig de natuurlijke uitdrukkingswijze van doven. Het is de taal die doven met elkaar spreken, zoals Martiaans de taal van de Marsmannetjes is, het neo-autistisch de taal van Jan-Peter Balken ende en Nederlands die van de Nederlanders. Niet alle Nederlanders spreken het, niet allemaal even goed of even slecht, er zijn zelfs niet-Nederlanders die het spreken, maar precies hetzelfde gaat op voor de gebarentaal. In de jaren 1960 en 1970 werd duidelijk, onder meer door het pionierswerk van Ben Tervoort, William C. Stokoe en de gebroeders Ted en Sam Supalla, dat de gebarentaal werkelijk een op zichzelf staande taal is. Met die ontdekking werd dus eigenlijk een geheel nieuwe cultuur ontsloten, een cultuur waarvan doven vaak dachten dat die niet over te dragen was, omdat ze niet beseften dat het überhaupt een cultuur was, en hun taal een echte taal en niet een soort mime voor in het dagelijkse leven. Wat niet zo vreemd is: vraag maar eens aan een Nederlander wat er zo bijzonder en specifiek aan zijn taal is en hij zal ook met zijn mond vol tanden staan en met zijn schouders vol ophalingen. Weet ik veel! Bijvoorbeeld wanneer je het woordje «er» gebruikt, wat het verschil is tussen horen en luisteren, wanneer en waarom je de onvoltooid verleden tijd gebruikt en wanneer en waarom de voltooid tegenwoordige tijd, waarom tante-Betje-constructies niet goed zijn («in een discotheek zat ik van de week»), vanwaar de omkering van onderwerp en persoonsvorm als een zin met een bepaling begint («gisteren deed ik het nog» in plaats van «gisteren ik deed het nog»), de plaats van plaats- en tijdsbepalingen in een zin, de splitsbaarheid van werkwoorden, om over spellingskwesties maar te zwijgen. Zelfs als ze zich al bewust waren van de specifieke nuances in hun taal dachten de doven nog dat ze toch niet uit te leggen waren aan de horende, maar o zo beperkte medemens. De horende die niet in gebaren kon denken of dromen, laat staan spreken. De horende die visueel danig gehandicapt was en gevangen zat aan de stijgbeugel en aan hamer-en-aambeeld van zijn eigen beperkte moerstaal. Hoe anders de doven, op voorwaarde dat zij de gebarentaal machtig waren.

Men dacht bijvoorbeeld altijd dat het woord voor «zitten» en het woord voor «stoel» in de gebarentaal hetzelfde was, dat er maar één woord was voor zitten en stoel, tot men erachter kwam dat er wel degelijk nuances in die gebaren zaten en dat die nuances razendsnel in gebaar werden omgezet en opgemerkt door de dove gesprekspartners (Supalla en Newport, How Many Seats in A Chair? The Derivation of Nouns and Verbs in American Sign Language, 1978, in: Oliver Sacks, Stemmen zien: Reis naar de wereld van de doven, 1989). Doven maakten linguïstisch gebruik van de ruimte, waarmee de gebarentaal een volstrekt unieke plaats inneemt onder de talen. Het is een taal in vier dimensies. Inmiddels is in vele landen de gebarentaal opgetekend, maar het aantal gebaren en combinaties groeit nog elke dag, op precies dezelfde manier als bij spreektalen. De gebaren gaan van hand tot hand.

Toch heeft de gebarentaal heel lang in het verdomhoekje gezeten, als gevolg van het spook van de integratie. Doven moesten integreren in de samenleving. Als ze alleen maar hun eigen wappertaaltje zouden spreken, zouden ze nooit volwaardige burgers kunnen worden. Doven moesten leren spreken, hoe gebrekkig ook. Elke klank en reutel was beter dan geen klank. De gevolgen van dit denken waren desa s treus: dove kinderen kregen wanten aan in de klas om te voorkomen dat ze toch met elkaar spraken in de taal die ze het beste lag. Daarom zijn er tot op de dag van vandaag doven die gebarentaal associëren met de geur van urine, omdat ze alleen op de wc met elkaar konden converseren.

Een van de voorvechters van het integratiemodel was Alexander Graham Bell, die de telefoon uitvond ten bate van zijn dove zuster. Hij was bang voor «een vijfde colonne van doven, een maatschappij binnen een maatschappij», onaangepaste en onaanpasbare asielzoekers van de planeet Dovenland, Klein-Dovië, Doofrika, Dovistan, Super Dova XP-1132, zoals ontdekt in de aflevering van Star Trek waarin de dove acteur Howie Seago de ambassadeur speelt van een planeet in een sterrenstelsel ver, ver weg waar uitsluitend in gebarentaal wordt gesproken.

En nog steeds is de gebarentaal omstreden. «Alles beter dan dat», denken de meeste ouders: «Als we maar niet aan die rare handenwapperij hoeven.» Liever slechthorend en op een intellectueel lager niveau dan vloeiend in gebarentaal en alle intellectuele vermogens geheel ontwikkeld. Daar komt de keuze op neer.

Dus werden de doven alleen maar geremd in hun natuurlijke ontwikkelingen, daardoor compleet «niet geïntegreerd», en behandeld alsof ze van nature niet alleen doof maar ook achterlijk waren. Terwijl kinderen die wel leerden gebaren, opbloeiden, en ook als tweede taal konden leren lezen. (Een groot deel van de doven is nog steeds functioneel analfabeet, zodat het «nieuws voor doven en slecht horenden» en de ondertiteling van Teletekstpagina 888 alleen bestemd kunnen zijn voor mensen die zichzelf doof gerukt hebben of anderszins te veel hebben staan headbangen.)

Gebarentaal blijkt iedereen goed te doen: als horende kinderen op de lagere school les krijgen in gebarentaal gaan ze horenderoren en zienderogen vooruit, in alle vakken, van kleien tot verzorging, van televisiewetenschap tot puntlassen, van flipologie tot journalistiek, van theatervandelachwetenschap tot venerologie, omdat hun visuele vermogens geprikkeld en gescherpt worden. Zie bijvoorbeeld Oliver Sacks, Stemmen zien, pagina 129, waarin hij het in een voetnoot over een experiment heeft waarbij horende kinderen in groep 1 t/m 3 gebarentaal leerden: «De kinderen leren de taal gemakkelijk en vinden het leuk en daarbij gaan ze duidelijk vooruit in lezen en andere vaardigheden. Het zou kunnen dat deze verbetering in het lezen, in het vermogen om de vorm van woorden en letters te herkennen, het gevolg is van de intensivering van de ruimtelijk-analytische vermogens die gepaard gaat met het leren van gebarentaal.»

Met gebarentaal kun je alles zeggen. Je kunt het niet alleen droog zeggen, maar ook mooi en op een heel eigen manier. En ook daar blijft de vraag voor de niet-gebarentaalmachtige, gehandicapte niet-dove, niet-ingewijde: hoe vertaal je een gebaar? Hoe vertaal je een beeld? Hoe vertaal je een gezichts uitdrukking? Hoe vertaal je een beweging? Kortom, hoe vertaal je een gedicht uit de gebarentaal? En helemaal als je geen gebarentaal kent of kunt. Dan zie je iemand een boterham smeren op zijn onderarm. Met de smerende rechterhand doet hij dan alsof hij zijn andere hand pakt, terwijl hij «sj!» zegt, dan wappert hij wat met gespreide vingers boven zijn hoofd, alsof hij twee marionetten beweegt, of een onbekende godheid om regen smeekt en dan pakt hij met z’n rechterhand een imaginair honkballetje uit de lucht en dat haalt hij naar zich toe. Of er loopt iemand op het strand, met heel mooie, indrukwekkende voetstappen. Ze houdt één hand plat voor zich, met de handpalm naar onder, alsof ze wil zeggen dat het water tot ongeveer zo hoog staat. Dan veegt ze met de linkerhand met twee vingers iets naar zich toe, alsof ze zand zeeft of patatjes in een frituurbak opschudt of een kleefpleister van haar hand probeert te schudden. Die twee vingers zet ze dan recht overeind op haar linkerhand. In één vloeiende beweging gaan die vingers naar voren, om naar de toeschouwer te wijzen, en tegelijkertijd gaat de linkerhand mee. Beide handen gaan open en deinen als golven.

Mooi!

En wat nog mooier is: het betekent wat. En wat helemaal mooi is: we hebben dichtregels gezien. We stonden zojuist oog in oog met het begin van twee gedichten in gebarentaal. Daarin staat de boterham smerende beweging voor seizoenen, de deinende handen voor de zee, de twee vingers voor het kijken en «sj!», met het bijbehorende gebaar alsof de ene hand de andere pakt, voor «zo zit het», «let op», «hier is ’t». Hoewel deze letterlijke vertaling van deze vloeiende performances was bijgeleverd, voelden we ons dit ziende toch compleet functioneel analfabeet. Vooral het vloeibare karakter van de gebaren leek ons niet adequaat overzetbaar in woordentaal. Het deed ons nog het meeste denken aan Finnegans Wake, het woordballet van de Ierse schrijver James Joyce: «Kannie horen met de wateren van. De klaterende wateren van. Hinderenginderende wateren van. Nacht!» Een droomtaal waarin de begrippen in elkaar overvloeien, waarin de woorden meer dimensies hebben dan de ene van de huis-tuin-en-keukenspreektaal. Een roos is een roos maar wordt een kroos als hij groen is. Een hand is een hand maar als hij deint is het een zee, en als hij strandt is het zand. Finnegans Wake hadden we vertaald en dat leek van tevoren net zo’n onmogelijke, om niet te zeggen ongehoord moeilijke opgave als het vertalen van de gedichten in gebarentaal.

Maar!

Leende ons authentieke vernederlandste finnegans wakeaans, als taal, zich in al zijn vloeibaarheid en meerlagige meerdimensionaliteit en -duidigheid, juist niet uitstekend als vertaalstrategie? We hebben het geprobeerd, getuige bijvoorbeeld dit fragment van de eerste versie van de vertaling van het gedicht Vuur: «een zielzuilzee van vlamvuurgloed en zachtzucht tot vonkenregenboog van hartschok en aardeklop».

Mooi!

Helemaal niet zo mooi. Immers, het lijkt heel wat, maar het schiet zijn doel ver voorbij. Gebarentaal is immers geen Finnegans Wake, maar een gewone taal als alle andere, die ook een «gewone» vertaling verdient. Een vertaling die precies nagaat wat er gezegd wordt en tegelijk hoe het gezegd wordt. Een vertaling die net zo leesbaar is als de gebaren. Een gebarendichter kan rijmen door een handvorm terug te laten keren. Een woord wordt dichterlijker, archaïscher door het met twee handen uit te voeren, zoals het gebaar voor «mens» in het gebarengedicht Groei, «tweevoeter» in de vertaling. Ook mimiek en mondvorm spelen een rol in het gedicht, zoals de uiterst expressieve weergave van de beneveling in het gedicht Reflectie.

Er zijn neologismen, zelfverzonnen gebaren en nieuwe combinaties, zoals een nieuw gebaar voor «aarde», gecombineerd met een gebaar voor «duisternis»: «aardedonker» in de vertaling. Het wakeaans hoefden we dus niet helemaal met het badwater in de brakbeukende rotsklotsende zee te lozen of in een glinsterbaan om de aarde te sturen. Het was dan misschien dé strategie, maar dan toch een mogelijkheid om recht te doen aan de veelvormigheid en de nuances van de gebarentaal. Iedere vertaler werkt met wat voorhanden is, in en naar wat voor taal dan ook. Een één-op-één-vertaling is nooit mogelijk, ook daarin verschillen de gebaren gedichten niet van andere gedichten, in wat voor taal dan ook.

Bewogen, filmgedichten in gebarentaal

Gedichten: Wim Emmerik, Giselle Meyer

Film: Anja Hiddinga, Leendert Pot

Uitgegeven door Rubinstein (€ 19,95)