Kees ’t Hart

Gedichten

Dat er gedichten waren als spelende kinderen naast een slapende man op een verlaten strand waarop in de verte drie medewerkers van de Chinese ambassade een grote gele vlieger oplieten die daarna onder schaterend gelach om beurten het vliegertouw vasthielden. Dat er gedichten waren als een paar mannen die op weg waren naar een voetbalwedstrijd en met elkaar over de nieuwe centrumspits overlegden, dat ze eerst een broodje gegeten hadden, dat er gedichten waren als de dromer die alle dromen binnenging en alle dromen kende en alle slaapkamers betrad en alle gezichten bezong en alle ineengestrengelde handen van slapende echtparen beschreef. Dat er gedichten waren als totems en herhalingsmachines. Dat er gedichten waren als de lange blonde haren van een vrouw die haar haren verfde en met haar dochter overlegde over de komende vakantie. Dat er gedichten waren die de empirische lyriek bezongen, die de achtergrond en de voorgrond bezongen, die de gedichten van de timmerman bezongen die vandaag de trap afgetimmerd heeft en morgen de kozijnen installeert. Dat er gedichten waren als twee jongens die vlak voor zich op de weg een donker voorwerp zagen waarvan ze niet wisten wat het was, dat het een weggegooid schoolschrift was met tekeningen erin van meeuwen, dat er gedichten waren als blozende mannen en vrouwen, dat ze er waren als de voetstappen van Herman Gorter die ’s avonds laat thuiskwam, moe was, aan zijn bureau ging zitten en werkte aan Pan, zich daarna uitkleedde, insliep en zich bij het ontwaken herinnerde hoe beeldloos de zon in zijn gezicht geschenen had. Dat er gedichten zonder beelden waren. Dat er gedichten waren als een leeg blikje bier dat iemand op de stoep voor zich uit schopte. Dat er gedichten waren die onopgemerkt bleven als onopgemerkte woorden, als onopgemerkte vervoegingen en verlangens, onopgemerkte dromen en onopgemerkte dronkenschap. Dat ze er waren als een winkelruit, dat ze er waren als een kind als een vrouw die ’s nachts in bed een sigaret rookt en naar haar ademhaling luistert. Dat er gedichten waren met afgewende gezichten. Dat de gele vlieger onweerstaanbaar omhoog gekringeld was, dat de Chinese mannen in het zand waren gaan zitten, dat ze hun broekspijpen opgestroopt hadden, dat ze naar de vlieger keken, daarna naar de zee. Dat de centrumspits drie opgelegde kansen miste. Dat de dromer zichzelf als een man beschreef die op een zondag in een meertje in de buurt van Philadelphia zwom. Dat een van de drie Chinese mannen de gele vlieger langzaam dichterbij haalde, dat de vlieger heen en weer wiebelde in de warme westelijke middagwind, dat over het strand een groepje schoolkinderen liep, dat de man op het strand in slaap gevallen, was, dat er zand op zijn gezicht plakte toen hij wakker werd, dat de drie Chinese mannen spoorloos verdwenen waren.