Gedichten

Vreemd beroep (fragment)

(lokatie 1)

met kleefkruid heb ik
het silhouet van de mens
van de donkere aarde geschrobt

waargebeurd
dagen achtereen, achter de dijk
rook je de kwelder

het silhouet was van oliebollenmix
de bosgrond was hard & kleiig &
werd steeds verder opengehaald
geen mos meer over

waargebeurd, twee, driemaaldaags
de mensheid was een kind
een man in een blauw pak
een vrouw in vrijetijdskleding
ik heb een vreemd beroep

van de donkere klei
schrob ik met kleefkruid
een mens van meel
zingend

Sieger Baljon


dochter. het is nu jaren later. nog stroom je
uit me weg. toch blijft het vaag vermoeden
dat je kind en kudde bent. een hart dat klopt
is overbodig voor leven

onder de huid. verdwijnen is een vorm
van blijven. verlies dat geen datum kent
vooruitzicht zonder verwachting. waarheid
die niet went. ondertussen blijf je

stromen
ga je
niet
weg

je laat je niet herleiden. tot een plek. een mens
dochter. kudde. kind. een vreemde. voor altijd
je bent

Shari Van Goethem


Een opstaand raam tegen het alleen zijn. Ik heb je niet horen binnenkomen.
Sliep ik al? Zag je de muren, de spinnenwebben? Er bleven stemmen
achter hangen. Ik ving het zware ademen op van een droom.

Mijn broertje kan niet zonder mij in slaap vallen,
we spelen met onze vingers in elkaars mond.
Onze tong is een glijbaan, onze tanden de vangrails.
We fluisteren, hier liggen de grote jongens.

Waarom slaap ik niet op de bank? Op straat wordt ons bestaan
onderschreven in iedere stap. Naast jou loop ik onrustig.
Je aanwezigheid is kauwgum onder mijn schoenzool.

Niemand staat op ons te wachten. De staat leeft op bij onze mislukking.
Hoeveel gezichten mag een straatbeeld ontsieren
tot het ordeverstoring is? Had ik je weggedrukt door bijbaantjes?

Misschien genoot ik ervan, terwijl je de handen van onze vader groeide.
Ik heb eruit gegeten. Over delen heeft hij mij niets geleerd,
plaatst naast ieder succesverhaal een crematorium.

Lars Meijer


De schapen

Hij is de man in het portiek die zwijgt als je hem groet.
Hij is de hond, de tanden en de tong, de buurman
zonder reserve, het hekje rond de tuin.

Hij is in mij als fietser, de vloek, de afgesneden hoek
de achterlijke idioot en iedere malloot die de weg berijdt
als een te temmen paard.

Hij is in jou de onopgeloste ruzie, de haat die tiert
op woordeloze grond. Hij is de landmijn in mijn illusie
dat goed het kwaad uiteindelijk overwint.

Hij is wat je ontgaat tijdens het sluiten van je ogen
het wachten op betere woorden, de niet uitgestoken hand.
Het blinde paard, het beloofde land, de heilige boeken
en de wet waarachter je je verstoppen kan.

Hij is de ander maar nooit alleen, de vaderlander
de medestander, soms ook is hij de buitenlander.
Hij is – waar je van buiten naar binnen loopt, de ramen
en de deuren sluit – het biertje dat je haalt voor jou alleen

– het stapje waarmee je naar voren dringt – de stem
waarmee je luider zingt – het gefluisterde geheim
in het andere oor. Hij is mijn huis en niet het jouwe.
Hij is – hier mag jij geen beter leven bouwen.

Hij is – van mijn moeder mogen er maar twee blijven slapen
de snoepjes zijn op, het lachen achter de handen. Hij is
altijd de tegenstander.

Het is hier vol. Geen plaats. De grens. De haat. De volle trein.
Hij is de overlever. De man die nergens meer van schrikt
en nergens meer voor wakker blijft.

Hij is de man in het portiek die zwijgt als je wil praten
de schaduw in donkere straten, de hond, de tanden en de tong
die likt. Maar bovenal, in nachten waarin ik slecht kan slapen
is hij toch steeds weer de schapen.

Mandy Mariska Eggerding


de autoriteit die naar eenheid hengelt
mist volledig de smaak van het metrum

de meesten hier dansen hun dansje en weinigen
wensen een hoed, verheft zich de zon dan?

mijn toost huldigt vandaag en wat aan zolen
vastplakt ook een synthese

ik kan nu wel sussen ik kan nu wel u-en
maar jezus

Saskia de Jong


Wie gij worm

Een kleine nomade schuilt in mij
dwaalt door velden en stegen, ik

kom mij tegen herken behaaglijk een deel
verwerp een ander niet te verteren

spiegelbeeld dat rimpelt in water of
als een bedenkelijk fata morgana

mij verontrust. Lief, naarstig spitten wij
grond om leggen de worm bloot, doen

ramen en deuren op slot of gooien die
open om welkom te heten, wij: x en y

met witregels. Weet je nog die keer
dat er een storm opstak en we

beschutting zochten in een stal en
de dieren ons zwijgend aankeken

herkauwden: ik ken jou ik ken jou –

Hester Knibbe


4° N / 52° N

We staan voor de waterput in
Douala, waar ik woon met mijn nicht.
Ze ruikt naar een meerkleurige kabba die
ze ontgroeid is, maar waarvoor ik nog te
klein ben.

Terwijl leeuwenkinderen om ons huis
dolen, de geluiden van de markt
nagalmen in de tranenput, nestel ik dieper
in de omhelzing van mijn nicht. Het is hier
onbestemd ouder worden.

Achtenveertig graden noordwaarts
is mijn huid als leer uitgerekt en
de borst van mijn nicht vervangen
door die van een volwassen vrouw,

liever
had ik alles gehad

Babeth Fonchie
Dit gedicht verscheen eerder op de website van LilithMag


Menigten

tussen ons
zit geen licht meer

wij bestaan
uit elkaar

alsof onder ijs
verstijven

in de diepte onder je
zie je m’n afdruk nog
in het hoeslaken nahijgen

niet doder
dan andere doden

toch word je
bovengemiddeld
vaak aan me
aangeboden

je zegt
ik weet niet zeker
of er iemand
achter me loopt

maar je weet het wel:
versnel

Erik Jan Harmens


Niet de stad stinkt, maar de mensen stinken.
Ze ademen en zweten, vlezen fabriek;
ze maken mij, elkaar en alles ziek,

en in de grachten gist het. Ze verminken
alle leven met hun sloddermotoriek,
en niet de stad stinkt, maar de mensen stinken.

Wat kan ik anders dan me steeds bedrinken?
De nuchterheid, de roes en de paniek:
ze maken mij, elkaar en alles ziek.

De dampen stijgen op en ze bezinken,
er tolt een eeuwigdraaiend mechaniek.
Ach, niet de stad stinkt, maar de mensen stinken.

Zie hoe ze rotten, rochelen en hinken;
mismaakte, onverkwikkelijke kliek.
Ze maken mij, elkaar en alles ziek.

Hoor toe hoe donderend de klokken klinken,
hun zegen spreidend, zwaar en tiranniek.
En niet de stad stinkt, maar de mensen stinken,
maken mij, elkaar en alles ziek.

Mark Boog