Günter Grass, Letzte Tänze

Gedichten van een bejaarde danser

Günter Grass

Letzte Tänze

Uitg. Steidl, 95 blz., € 35,-

Beeldhouwer wilde hij worden en daartoe werd hij eind jaren veertig, begin jaren vijftig ook opgeleid, maar beroemd werd hij als schrijver. Zijn eerste literaire stappen zette hij als dichter, maar zijn grote doorbraak bereikte hij met een roman. Die Blechtrommel over de kleine Oskar Matzerath uit Danzig, nu het Poolse Gdansk, die op zijn derde verjaardag besloot niet meer te groeien, gaf richting aan een schrijverschap dat in 1999 leidde tot de Nobelprijs voor literatuur.

Günter Grass kennen we vooral van zijn romans en novellen en als de man die eind jaren zestig, begin jaren zeventig in West-Duitse verkiezingscampagnes de trom roerde voor Willy Brandt. Maar Grass, de «man met vele eigenschappen», zoals Michael Jürgs in zijn Biografie eines deutschen Dichters heeft geschreven, is altijd weer teruggekeerd naar zijn oorsprong: de beeldende kunst en de poëzie.

Daarvan getuigt Grass’ nieuwe werk Letzte Tänze, dat bestaat uit gedichten en tekeningen van dansende en copulerende paren. In het eerste gedicht vertelt hij dat hij na de geruchtmakende novelle Im Krebsgang over de ondergang begin 1945 van de Wilhelm Gustloff, een schip volgepakt met Duitse vluchtelingen uit het oosten, weer iets met zijn handen wilde vormen. «Toen ik de ondergang van het schip/ en de nagalmende schreeuw/ ingekort had tot een boek,/ wilde ik iets vrolijks/ tot onderwerp van mijn stemming maken/ en begon uit pottenbakkersklei,/ die muf naar oude voorraad rook,/ figuren — man en vrouw in beweging —/ als holle beelden te vormen: aan gene zijde/ van angst dansende paren/ die alle ruimte in beslag namen.»

Wat in deze strofe stoort, is het woord «vrolijk». Wellicht wilde Grass paren modelleren die uitgelaten dansen, maar de lezer bladert uiteindelijk door een boek met grijze en roodbruine tekeningen van figuren die weliswaar dansen en in alle mogelijke standen de liefde bedrijven, maar echt lustig wordt het niet. De uitdrukking op de gezichten varieert van ernstig en gesloten tot angstig en verwonderd. Slechts zelden is er iets van een glimlach te zien. Dat Grass dwars door sommige teke ningen, in wisselend handschrift, zijn verzen heeft geschreven, toont hoe hier woord en beeld samengaan.

Dat betekent dat ook de gedichten niet werkelijk vrolijk zijn. De kleine, erotische gedichten zijn ironisch en verleiden tot een glimlach. Maar de rest? Letzte Tänze klinkt naar afscheid; de muziek speelt nog, maar het feest is bijna voorbij. De dichter, inmiddels dik in de zeventig, kijkt terug op zijn leven, maakt de balans op en wil nog eens zijn manlijkheid bewijzen. Vertrekpunt is daarbij de dans. Grass was en is wellicht nog altijd een groot danser, zoals hij eind 1999 bewees tijdens het feest na de uit reiking van de Nobelprijs.

Gedichten dus van een bejaarde danser, en dat heeft iets weemoedigs. In Früh gelernt vertelt hij hoe hij reeds als jongen van dertien de dansvloer op werd getrokken. «Geleerd, toen ik nog kind,/ omdat het oorlog was en mannen/ in laarzen ver oostwaarts,/ zodat de meisjes/ bij gebrek en uit danslust/ ons jongens direct uit de schoolbank/ haalden knippend met hun vingers.»

De passie voor het dansen, vooral voor de tango, werd geboren en bleef. Ze heeft haar weerslag gevonden in mooie gedichten die Tango nocturno en Tango mortale heten. De danser zelf heeft intussen pijn in de linkerkuit, moet pillen slikken. «Liefste, nog maar een paar tacten,/ voordat je mij en jou —/ zoals altijd rond deze tijd —/ met tabletten verzorgt: één voor één/ en afgeteld.»

De gedichten kunnen ook daarom niet vrolijk zijn omdat de wereld daartoe geen aanleiding geeft. De altijd strijdbare Grass vergeet ook als danser niet wat er buiten gebeurt en neemt stelling.

Rekenschap afleggen over zijn leven, ook dat wil hij. In Des Wiederholungstäters halb herzige Beichte, verreweg het langste gedicht, vinden we de topos van de dichter: de Kaschubei bij Danzig, de last van de roem, het woord als vangnet voor gewaagde ondernemingen, zijn voorliefde voor Sisyfus, de figuur uit de antieke sage die almaar opnieuw een zware steen tegen een berg omhoog moet rollen en daarbij gelukkig is.

Tot slot gaat de dichter op zijn hoofd staan, kijkt zo vanaf de grond naar zijn kinderen en kleinkinderen en ziet dat het goed is. Maar geluk duurt niet lang.