Poëzie als folklore

Gedichtendag

Op 27 januari beleeft Nederland de eerste Nationale Gedichtendag, met een heuse Dichter des Vaderlands die de avond ervoor wordt gekozen. Koopt een poeem voor in uw vaas! Poëzie als folklore?

NA KONINGINNEDAG, moederdag, vaderdag, Sinterklaas, Kerstmis en de Nationale Monumentendag zal in heel Nederland voortaan ook jaarlijks de Nationale Gedichtendag worden gevierd. Op 27 januari mogen we de eerste beleven.

De Nederlandse poëzie kan best een reanimatie gebruiken, moeten de bedenkers hebben gedacht. Laten we daarom een evenement organiseren waarop iedereen plaats kan nemen op schoot van Calliope, Erato of Thaleia — de Muzen van de Poëzie. Of beter nog: op de schoot van een heuse Dichter des Vaderlands.


Wie deze ‘Sinterklaas van het Gedicht’ (democratisch verkozen!) precies zal zijn voor de komende vijf jaar wordt bekendgemaakt tijdens een live-uitzending van de NPS op woensdagavond 26 januari. ‘Zo’n vereerd symbool van de dichterlijke traditie, een ambassadeur van de poëzie wiens werk tot verhitte discussies aanleiding geeft, is een sieraad voor ieder land’, schreef Pieter Steinz afgelopen najaar enthousiast in NRC Handelsblad.


Een ambassadeur van de poëzie is op zich geen slecht maar wel een wat vreemd idee; de poëzie is geen natiestaat of een NGO. Daarnaast is het zo dat iedere dichter op zijn of haar eigen manier natuurlijk al een belangenbehartiger is van de poëzie, waardoor je je afvraagt of er wel één speciale gezant moet worden benoemd. Deze bedenkingen ten spijt hoop ik dat de verkozene met zijn werk wel de beloofde ‘verhitte discussies’ teweeg weet te brengen. Beroering om inhoudelijke redenen is iets wat de poëzie in de afgelopen eeuwen uiterst zelden wist te genereren.


Maar of een Nationale Gedichtendag daartoe bij kan dragen betwijfel ik. Zo’n dag lijkt me de ideale manier om de poëzie voor eens en altijd bij te zetten in het glazen kabinet van de folklore. Hoe moeten we het ons eigenlijk voorstellen? Als een dag waarop de Dichter des Vaderlands samen met zijn Hulpdichters op een schimmel over de daken trekt en in cadeaupapier gewikkelde verzen door de schoorsteen laat vallen? Als een dag waarop de mensen elkaar thuis en op het werk gedichtjes voorlezen, zoals men op moederdag mama plezier doet met een bos chrysanten of een flacon parfum? Als een dag waarop alle burgers in het land bezoek kunnen verwachten van de dichterlijke Fahnungsdienst?



Makkers staakt uw wild geraas
Koopt heden eens geen bloemmaar een poeem
voor in uw vaas!


De folklorisering van de poëzie is al een tijdje aan de gang en heeft alles te maken met een culturele aderverkalking die het stinkend rijke Nederland parten speelt. Het land verburgerlijkt, de tolerantie neemt af en naarmate de algehele welvaart toeneemt worden de opvattingen ten aanzien van de kunsten en de maatschappij steeds behoudender.



Een sprekend voorbeeld daarvan was de repliek die auteur Herman Franke afgelopen zomer publiceerde jegens staatssecretaris Van der Ploegs ‘orthodox-socialistische visie’ op de Nederlandse cultuur. Van der Ploeg zou zich ‘met rechte rug op moeten stellen als verdediger van al het elitaire moois dat in onze cultuur verloren dreigt te gaan en hoognodig bescherming behoeft’. Het liefst in de vorm van een tegenaanval. De romancier smeekte de staatssecretaris om eens flink de herdershonden van het patrimonium op het gemene volk los te laten. Die zullen de demo’s wel mores leren, de kudde hoeden en bijten zonodig, en de elitekunst behoeden voor verdere culturele massacres. Het volk moest leren opnieuw op te kijken naar de kunsten van enkele fyne luyden, het moest zelfs weer leren buigen.


Dat laatste kan, vanaf woensdagavond 26 januari, voor de zetel van Dichter des Vaderlands.



MISSCHIEN HERINNERT u zich nog de oproep in 1996 door NRC Handelsblad gedaan aan haar lezers om een essay te schrijven over de rol die poëzie heden ten dagen vervult. ‘Citeert u wel eens een gedicht?’ luidde de kop boven de oproep. Woorden die uit elkaar spatten van de blaséheid. Een gedicht slaat men open, leest men in een bundel, citeert men. Een gedicht zingen, of rappen? Bah.


Het initiatief tot een Nationale Gedichtendag getuigt van eenzelfde begripsvernauwing. Alsof de poëzie zich überhaupt tot gedichten laat beperken! In 1952 schreef Lucebert in Apocrief/ de analfabetische naam, en zijn woorden blijven actueel:



ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanistisch
dood gaan.
voortaan zal de hete
ijzeren keel
der ontroerde beulen
muzikaal opengaan.



nog ik, die in deze
bundel woon
als een rat in de val, snak
naar het riool
van revolutie en roep:
rijmratten, hoon
hoon nog deze veel te
schone poëzieschool.



Wie de individuele wereld van de epische of lyrische expressie haar kunsten wil laten vertonen op een monumentale Nationale Gedichtendag, heeft blijkbaar geen hoge pet van haar op. Is het omdat men haar veelzijdigheid, haar tegendraadsheid, vulgariteit of marginaliteit soms niet verdraagt? Geen nood! Buiten de Nationale Gedichtendag om hoeft u niet meer onnodig met poëzie te worden lastiggevallen.


Wie de poëzie meer wil laten zijn dan folklore, wie haar levendig en levend wil houden, moet haar in geen geval in een keurig glazen kastje laten stoppen van een museum waarin ze als ‘het vereerde symbool van een traditie’ samen met het andere typisch Hollandse Patrimonium kan worden bewonderd.