Hoe zorgvuldig denkt het kabinet na over zijn woordgebruik?

Gedoe over woorden

«We gaan de oorlog aan om dit soort extremisme en radicalisme te bestrijden», zei vice-premier Zalm na de moord op Theo van Gogh tegen een verslaggever. Hoe zorgvuldig denkt het kabinet na over zijn woordgebruik?

Als quizvraag over de allerjongste Nederlandse geschiedenis zou het een aardige zijn. Van wie is de uitspraak: «We zijn in oorlog, dan praat je niet met de vijand»? Tien tegen één dat de quizkandidaat aankomt met het Tweede-Kamerlid Wilders of VVD-fractievoorzitter Van Aartsen, dan wel zijn partij genoot vice-premier Zalm. Maar dat antwoord is fout. De uitspraak is weliswaar van na de zomer, maar nog uit de tijd dat Nederland werd voorbereid op een andere strijd dan die waarin het land inmiddels verzeild is geraakt. Het waren de weken dat Nederland een hete herfst van stakingen en werkonderbrekingen werd beloofd door Lodewijk de Waal en de kaderleden van zijn FNV. Een hete herfst is er wel gekomen. Ironisch genoeg begon die precies op de dag dat de vakcentrales met kabinet en werkgevers een akkoord sloten over de WAO, het prepensioen en loonmatiging en dus, om in het jargon te blijven, de strijdbijl begroeven.

De vlam sloeg in de pan door de moord op Theo van Gogh door een Nederlandse moslim die per brief heeft laten weten te handelen uit naam van de jihad, de heilige oorlog. De hitte komt sindsdien van molotovcocktails, branden in islamitische scholen en moskeeën en van een belegering van een Haags woonhuis. Het maakt de term oorlog in de ruzie tussen de vakcentrales en de regering met terugwerkende kracht tot holle retoriek. Toch stoorde niemand zich er destijds aan. Nederland waande zich nog veilig.

Dat was anders toen vice-premier Zalm het woord oorlog in de mond nam, drie dagen na de moord op Van Gogh. Bij afwezigheid van minister-president Balkenende deed Zalm de wekelijkse persconferentie na afloop van het vrijdagse kabinetsberaad. Tegenover een radioverslaggever zei hij: «We verklaren in ieder geval de oorlog terug. We gaan de oorlog aan om dit soort extremisme en radicalisme te bestrijden.»

Nu er echt bloed had gevloeid en het menens was, vond de fractievoorzitter van de kleinste regeringspartij D66, Boris Dittrich, dat Zalm met dit soort taal het klimaat verpest. De PvdA, de grootste oppositiepartij, was bang dat dergelijke uitspraken een vrijbrief worden om alle, ook ongewenste, middelen in de strijd te werpen. Premier Balkenende nam de rol van bemiddelaar op zich. Hij zei dat het geen tijd was om te kissebissen over woorden, onderwijl consequent het woord oorlog vermijdend en het woord strijd gebruikend. Maar als het geen tijd is om te kissebissen over woorden, waarom wordt er dan, juist omdat het zo’n roerige tijd is, niet zorgvuldiger nagedacht over welke woorden het kabinet wil gebruiken?

De gang van zaken rondom de persconferentie van Zalm is tekenend. Het begint ermee dat Balkenende het kabinetsberaad die dag niet bijwoont. Hij is een dag eerder afgereisd naar Brussel, naar de Europese Unie. Die afspraak stond al maanden in de agenda. Nederland is dit half jaar voorzitter van de EU en Balkenende is al zes weken door ziekte afwezig geweest op het internationale podium. Er is geen moment sprake van geweest dat Balken ende gezien de ontwikkelingen in Nederland niet naar Brussel zou gaan, of dat hij in ieder geval op tijd terug zou zijn voor die cruciale persconferentie.

De uitlatingen van Balkenendes vervanger over de oorlog tegen het extremisme lijken bovendien uitgelokt en niet bewust gekozen. Aanvankelijk zegt Zalm alleen ja, als een verslaggever vraagt of het kabinet de oorlog verklaart aan het terrorisme. Hij neemt het woord oorlog dan nog niet zelf in de mond. Maar nadat hij het eenmaal beaamd heeft, doet hij dat later wel.

Terwijl er opnieuw een moskee in brand vloog, was er het afgelopen weekend weer «gedoe» over woorden. Nu tussen de ministers Donner (CDA) van Justitie en Verdonk (VVD) van Vreemdelingenzaken en Integratie. Simpel gezegd zijn de twee het er niet over eens in welke mate mensen in Nederland bestand moeten zijn tegen pijn die woorden kunnen veroorzaken. Donner vindt dat beledigende taal aan het adres van gelovigen aangepakt moet worden met de artikelen die daarvoor al beschikbaar zijn in het Wetboek van Strafrecht. Hij brak hiervoor een lans bij zijn eigen achterban, afgelopen zaterdag op het CDA-congres. Verdonk reageerde zondag in het tv-programma Buitenhof. Zij vindt dat moslims moeten leren dat in Nederland de tolerantiegrens hoger ligt. Bovendien vindt ze dat als je op grond van je geloof niet beledigd mag worden, je dan ook niet op grond van je sekse of seksuele geaardheid mag worden gekwetst. In het spanningsveld tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst weegt bij de liberale Verdonk het eerste zwaarder. Bij de christelijke Donner het laatste.

In normale tijden is dit mogelijk een interessante discussie. Maar in deze tijd van angst en geweld roept het de vraag op hoe dit kabinet onderling overlegt. Want in de brief die Donner en zijn collega Remkes (VVD) van Binnenlandse Zaken vorige week namens het kabinet naar de Tweede Kamer stuurden, staat al dat er een «mogelijke aanpassing» komt van de strafbaarstelling voor belediging en godslastering. Uitgewerkt is dit punt in de lijst van maatregelen ter bestrijding van extremisme en geweld niet. Gezien de twee visies van de ministers blijkt het woordje «mogelijke» niet zozeer te slaan op de praktische mogelijk heden van het weer actief strafbaar stellen, als wel op de onderlinge onenigheid hierover.

En achter die onenigheid over de strafbaarstelling van belediging en godslastering gaat een meningsverschil over het woord voedingsbodem schuil. Donner voegde er op het CDA-congres direct aan toe niet te willen zeggen dat Theo van Gogh beledigend en godslasterlijk was bezig geweest. Want wie dat in Den Haag zegt, loopt het risico het verwijt te krijgen te zoeken naar een voedingsbodem voor de haat van de moslimextremisten jegens het Westen en niet-moslims of afvalligen.

Dat woord voedingsbodem ligt gevoelig, want het riekt naar begrip voor en vergoelijking van de moord. Zeker als die voedings bodem wordt gezocht in de toon van het Nederlandse integratiedebat. Of zoals VVD-fractievoorzitter Van Aartsen vorige week in het kamerdebat met Donner en Remkes zei: de moord op Van Gogh is niet te herleiden tot de verharding en verruwing van de Nederlandse samenleving. Heel goed wetend dat verharding en verruwing favoriete woorden zijn van de CDA’er Donner.

In de brief met maatregelen die Donner en Remkes naar de Tweede Kamer stuurden, sluimert nog een opmerkelijk initiatief. Letterlijk staat er dat er een netwerk komt «van personen die alert zijn op signalen van opkomende radicalisering bij personen of groepen en tegenwicht kunnen organiseren binnen de moslimgemeenschap». Het onderwerp is vorige week tijdens het kamerdebat niet ter sprake gekomen. Daardoor is niet duidelijk wie die personen in die netwerken moeten zijn. Collega- moslims, buren, medewerkers van de sociale dienst, leraren? En aan wie rapporteren die? Ook is niet duidelijk wat gezien kan worden als radicalisering. Het verwisselen van een spijkerbroek voor een djellaba? De moskee voor een koranclubje aan huis? En gaat het kabinet dit soort netwerken ook opzetten voor extreem-rechts of geweld gebruikende dierenactivisten?

Dat zijn dan nog de praktische vragen over de uitwerking van dit voornemen. Maar het gaat natuurlijk eerst om de fundamentele vraag of dit soort netwerken wel past in de Nederlandse rechtsstaat. Of nog fundamenteler: of uiterlijke kenmerken en het met woorden belijden van een fundamentalistische visie op de islam reden is je buurman aan te geven.

Na de moord op Van Gogh was het kabinet het snel eens dat er meer geld moet naar de strijd tegen radicalisme en extremisme. Maar of die strijd de term oorlog verdient, of in die strijd de beledigende kracht van het woord aan banden moet worden gelegd en fundamentele vrijheden moeten worden opgeofferd: het kabinet lijkt over de uitwerking van zijn eigen woorden en maatregelen niet grondig te hebben nagedacht.

De redenen die daarvoor te bedenken zijn stemmen somber. Of het nou is omdat het haastwerk was, omdat er binnen het kabinet onenigheid is, of omdat onvoldoende het besef is doorgedrongen dat, als moslimextremisten hun heilige oorlog aan Nederland verklaren, dit van een andere orde is dan wanneer Lodewijk de Waal het woord oorlog in de mond neemt.