Gedoemd te vallen

EEN SCHONE LEI. Hoewel een kunstenaar volgens hem helemaal niet met pensioen kan, zegt Dick Raaijmakers deze maand zelf het Koninklijk Conservatorium vaarwel. De kraamhulp van de Nederlandse elektronische muziek over kunst, techniek en zijn haat-liefdeverhouding met W. F. Hermans.
Festival in de Branding te Den Haag: Hermans Hand (19, 20 en 21 oktober, Theater aan het Spui); BRAND!! (26 oktober, Korzo Theater); Scheuer im Haag (27 en 28 oktober, Koninklijk Conservatorium). Haags Gemeentemuseum: tot en met 29 oktober expositie met drie installaties uit de Val van Mussolini.
Het is een droom, een illusie. Denk maar aan al die boeken die je meeneemt op vakantie en nooit leest. Maar als er ooit in zijn leven sprake is geweest van een schone lei, dan is het nu, beaamt Dick Raaijmakers. Immers, niet alleen ontving Raaijmakers recentelijk de Ouborg Prijs, niet alleen is hij uitgenodigd om het Haagse Festival in de Branding inhoud te geven, deze maand neemt hij ook afscheid van het Koninklijk Conservatorium waar hij dertig jaar aan verbonden is geweest.

Dick Raaijmakers gaat met pensioen.
‘Dat kan helemaal niet in de kunstenaarswereld’, zegt hij proestend. 'Een kunstenaar gaat niet met pensioen. Je zag dat conflict bij de fagottist Brian Pollard die onlangs bij het Concertgebouworkest wegging. Geweldig. Omdat hij ambtenaar is, moet hij weg. Ik kan me herinneren dat ik indertijd dubbel lag van het lachen omdat Hein Jordans met pensioen ging. Een dirigent die met pensioen gaat. Die ging zelfs met vervroegd pensioen.’
Raaijmakers heeft zijn afscheid 'gedramatiseerd’, zoals hij het zelf uitdrukt. Geen recepties, geen toespraken of 'tiendaagse reizen naar de westkust van Ierland’, maar een muziektheaterstuk - Scheuer im Haag dat in het Festival in de Branding wordt uitgevoerd - waarin het afscheid is vervat. 'Ik vond het belangrijk het te theatraliseren’, legt Raaijmakers uit. 'De studenten zijn nauw bij de totstandkoming betrokken, terwijl ze er tegelijkertijd mee geconfronteerd worden dat de pionier weggaat. Ten tweede: ik benadruk het, ik ga echt weg. Ik sta niet de volgende dag weer op de stoep. Ik forceer een breuk, waardoor er voor andere docenten zoals Paul Koek en Jan Zoet meer ruimte ontstaat.’
Muziektheater in de ruimste zin van het woord is het gebied waarop de meeste bezigheden van Raaijmakers zich afspelen. Maar het feit dat hem de Ouborg Prijs werd toegekend - een onderscheiding voor beeldend kunstenaars - maakt wel duidelijk dat Raaijmakers niet voor een gat te vangen is. Literatuur, film, beeldende kunst, muziek en theater - afhankelijk van het onderwerp kiest hij de meest geeigende uitdrukkingswijze. Werkt deze ongebruikelijke veelzijdigheid al een zekere ongrijpbaarheid in de hand, daar komt nog eens bij dat Raaijmakers een kunstenaar zonder oeuvre is. Wie een uitvoering mist, heeft pech gehad, want na afloop wordt het stuk gedemonteerd, vernietigd dan wel gewist.
Raaijmakers staat het liefst aan de zijlijn, vanwaar hij zijn vaak scherpe commentaar formuleert. Om die reden begon hij heftig te sputteren toen ruim tien jaar geleden overwogen werd hem tot centraal componist in het Holland Festival uit te roepen. 'In mijn werk beweeg ik me op de zogenaamde randgebieden’, zei hij in een interview in Muziek & Dans. 'Nou, en om iemand van die randen te pakken en als centraal componist in het centrum te zetten, dat is hetzelfde als wanneer je iemand uit het gesticht haalt en midden in het centrum van de belangstelling neerplant om te kijken hoe hij zich gedraagt.’
Dat verklaart waarom het Festival in de Branding geen retrospectief biedt, maar dat er bijna uitsluitend nieuw werk gepresenteerd wordt. Raaijmakers: 'De term “centraal componist” veronderstelt dat er een hierarchie is, een traditie waar je in staat. Ik pas niet in een traditie. Ik beheers ook geen vak in die zin. Ik ben geen meester die leerlingen opleidt. Ik ben steeds op zoek naar het snijpunt van twee of drie disciplines. Op dat snijpunt staat de zaak even stil. Een moment dat gecelebreerd wordt. Daar moet je bij zijn, met een zekere toewijding en concentratie. Dat kan een moment van grote schoonheid opleveren. Maar het vreemde is dat zo'n moment niet reproduceerbaar is. Als ik er niet meer ben, kun je niet zeggen: “We gaan eens een werk van Raaijmakers uitvoeren.” ’
De duizendpoot die hij nu is ten spijt, begon Raaijmakers zijn loopbaan als pianist. De talloze, op eigen houtje gecomponeerde stukjes trokken geen aandacht op het conservatorium en zijn voorland leek een betrekking als pianoleraar. Zo ver kwam het niet. Van jongs af aan geinteresseerd in elektrotechniek besloot hij in Eindhoven zijn geluk te beproeven. Hij noemt het een van de grootste 'gelukstreffers’ in zijn leven. Want 'als een mol die precies uitkomt bij een verkeersagent die midden op een groot plein het verkeer aan het regelen is’, zoals hij het ooit formuleerde, zo kwam hij uit bij de eerste studio’s voor elektronische muziek die Philips inrichtte. Hij begon onderaan, aan de lopende band, maar kreeg na twee jaar van Henk Badings de uitnodiging hem in de studio te assisteren. Zo was Raaijmakers niet alleen getuige van de geboorte van de elektronische muziek in Nederland, spoedig werd hij zelf een autoriteit op dit gebied. Samen met Jan Boerman installeerde hij zich in de jaren zestig in de eerste onafhankelijke studio en enkele jaren later kregen beiden een aanstelling op het conservatorium.
AANVANKELIJK MAAKTE Raaijmakers puur elektronische muziek, maar al snel breidde hij zijn arsenaal aan uitdrukkingsmiddelen uit met andere disciplines. Toch is elektronica altijd een belangrijke rol in zijn werk blijven spelen en de rode draad in zijn interesse is de relatie tussen kunst en techniek. Eigenlijk zijn kunst en techniek twee onverenigbare werelden, zo legt Raaijmakers uit. Dit thema vormt zelfs het expliciete onderwerp van het stuk dat deze week in premiere gaat, Hermans hand, dat als motto heeft: 'De onverenigbaarheid van het scheppen van kunst en het vergaren van tweedehands voorwerpen.’ Het stuk heet een 'pro memoriam’ en waarschuwt de kijker: 'Verenigt men het onverenigbare, dan blesseert men zijn hand.’ Ofte wel: de gretigheid waarmee W. F. Hermans schrijfmachines verzamelt, wordt hem noodlottig.
Raaymakers: 'Hermans’ liefde voor techniek, collectioneren en zijn kunstenaarschap begrijp ik heel goed. Hermans en ik zijn op dezelfde dag geboren en soms begrijp ik vreselijk goed hoe die man in elkaar zit. Eigenlijk is het een tweespalt die diep in je natuur verankerd zit: het scheppende, het muzische, het materieloze dat samengaat met techniek. Techniek staat daarbij voor het hard maken van een idee of inzicht. Letterlijk hard maken, een object in de wereld zetten. Daarmee is dat idee hanteerbaar geworden zodat een ander kan zeggen: “Aha, daar gaan we aan sleutelen, dat gaan we verbeteren.” Want het hoofdkenmerk van techniek is dat je het kunt multipliceren. Techniek is menselijke arbeid die resulteert in een reproduceerbaar object. Het interessante is dat het vervaardigen van kunst ook tot een object leidt, maar het wezen van kunst is juist dat het uniek is. Je kunt het wel reproduceren, maar dan heb je toch weer een technische reproduktie.
Het gekke van kunst is dat het altijd op het punt van terugtreden staat. Dat gevoel overvalt me als ik naar een prachtig schilderij kijk of naar een muziekwerk luister: het staat op het punt weer te vertrekken, het wil maar niet verharden. Dat kan alleen met technische middelen, zoals in de muziekindustrie gebeurt. Daarom zijn kunst en techniek in diepste wezen onverenigbaar, maar het fascinerende is dat ze in de werkelijkheid van alledag voortdurend door elkaar heen fietsen.
Die onverenigbaarheid leeft in mij: ik heb een reproduktieve, educatieve, belerende en weggevende kant en een scheppende kant. Die scheppende wil maar niet volwaardig worden. Dan bedoel ik iemand die elk half jaar een kunstwerk aflevert. Bij mij wil dat kind er maar niet uitkomen. Wat ik wel kan doen, is uitspraken doen over bepaalde aspecten van het scheppen van kunst, het werkproces. En ik heb geleerd dat je dat het beste kunt doen in de wereld van de kunst. Als kunstwerk. Maar ik ben geen autonoom kunstenaar die tegen een interviewer zegt: “Die altvioolsonate? Die kwam gewoon.”
Jan Boerman was zo'n autonoom kunstenaar. En ik werd daarmee geconfronteerd toen we samen een elektronische studio kregen. Ik dacht: als ik maar eenmaal een eigen atelier heb, dan… En op een gegeven moment is het zover. De echte kunstenaar staat daar niet bij stil en gaat gewoon aan de slag. Bij mij brak de paniek haast uit. Vijf jaar lang heb ik filmmuziek gemaakt. Daar heb ik veel van geleerd, maar een autonoom kunstwerk kreeg ik niet voor elkaar. En dagelijks zag ik het genie Boermans. Wat een bloeiende muziek hij met die stomme bandrecorders wist te maken! Ik maakte een paar abstracte elektronische stukken en toen realiseerde ik me dat ik nooit die bloeiende muziek kon maken. Muziek die vanzelfsprekend is, die zichzelf uitspreekt en geen toelichting nodig heeft. Ik heb vervolgens nog een tijd onderzoek gedaan naar fundamentele elektronische kwesties, wat onder andere resulteerde in de Canons, maar toen kwam het moment dat ik de studio uit moest en mijn ideeen moest theatraliseren.
Achteraf kun je zeggen dat mijn werk naar de conceptuele kunst neigt. Ik heb mijzelf wel eens de vader van een stel Pinocchio’s genoemd. Houten poppen. De voedingsdraden ontbreken. Dat is geen zelfbeklag, maar bepaalde essentiele aspecten van mijn werk missen die genetische kracht. Per definitie. Als je de zaken zo bij elkaar zet als ik het doe, is het alsof het leven eruit gehaald is. Een verregaande reductie.
Dat geldt ook voor wat ik nu met Hermans doe. Je concentreert je op een punt, die ene beweging die die man maakt als hij bukt om een schrijfmachine aan te raken, een terloopse beweging van drie of vier seconden. Je maakt die groter en groter, de spanning stijgt en dan is het alsof er een leven bij komt - de extase - en alsof er een leven wegvloeit.
Die conditie maakt dat je dat soort stukken niet te vaak kunt doen. Niet omdat het uniek is. Veel kunstenaars houden zich bezig met die uiterste concentratie, het streven naar precisie en perfectie. Als Hans Dagelet, die Hermans speelt, een prachtige, gepassioneerde monoloog van Hermans zou doen, zou je te maken hebben met de complexiteit van het theater. En dan zou het ook in een traditie passen. Daar weet ik niet mee om te gaan. Ik moet tot die essentie komen. Die levenloosheid is geen koud, cynisch element maar een absoluuut gevolg van de wil om tot het nulpunt te komen.’
DAT NULPUNT staat in nauwe relatie tot een beweging die keer op keer in het werk van Raaijmakers terugkeerde: de val. Statisch, eenmalig en tevens een metafoor voor de dood. Van de valgeluiden in de Laurel & Hardy-films (met name Night Owls) kwam Raaijmakers uit bij de beweging van het vallen, varierend van de fatale val die de Franse componist Ernest Chausson maakte toen hij voor het eten een blokje om fietste, tot de de val van Boulez (Der Fall/Depons) en De val van Mussolini die in het afgelopen Holland Festival te zien was.
En ook Hermans is gedoemd te vallen. Waar Der Fall/Depons een zuivere vorm van 'kunst als kritiek’ betrof omdat Raaijmakers in dit stuk zijn bedenkingen tegen het elektronisch werk Repons van Pierre Boulez tot uitdrukking bracht, is Hermans hand dubbelzinniger. Raaijmakers lijkt een haat-liefdeverhouding tot W. F. Hermans te koesteren: sterrenbeeldig nauw met elkaar verwant, kwamen de twee vijftien jaar geleden heftig met elkaar in conflict. Naar aanleiding van Raaijmakers’ essay De kunst van het machinelezen betichtte Hermans hem van 'een aloude maatschappelijke bewogenheid van rood allooi’ en van 'marxistische vervolgingswaanzin’. Raaijmakers herinnert zich: 'Het duurde een week voor ik een weerwoord op papier kreeg. Wat moest ik daarop antwoorden? Je kan moeilijk zeggen dat het niet waar is. Welles, nietes. Dat moet je nooit doen. Maar negen jaar later zag ik toevallig de kunstrubriek Eiland, waarin hij geemotioneerd deze affaire naar voren haalde. Ik zal niet ontkennen dat ik toen zeer voldaan zat te kijken. Blijkbaar had ik hem toch geraakt. Want als je leest wat hij over mij geschreven heeft, begrijp je dat dat echt niet leuk was. Ik was links, dus communist, dus oplichter, dus uitbuiter, dus wilde ik mensen naar het concentratiekamp sturen. Dat staat er. Dat hele rijtje. Nu zag ik: verdomd, het heeft echt pijn gedaan, hij praat er nog over. Een heilige van de horlogerie gaat over dit onderwerp: over een eenvoudige arbeider, over een collectioneur en over techniek.’
Dit televisie-interview en de documentaire waarin Hermans op een rommelmarkt naar een schrijfmachine vooroverbuigt dienen als materiaal voor Hermans hand, waarin met name de 'obscuriteit’ van het verzamelen aan de kaak wordt gesteld. Raaijmakers: 'Echte zoekers zijn mystieke figuren die zoeken naar een ideaal of godsbeeld, iets dat niet gematerialiseerd is. Verzamelen is zoeken met een hijgerige component. Verzamelen is kleinburgerlijk, want het zoeken wordt steeds bekroond met een trofee. Het is een heel menselijke neiging, maar het komt vrij snel in de delictensfeer terecht. Als het om kostbaarheden gaat, komen er gauw ontvreemdingen of vervalsingen in het spel.’
Van een ordinaire vergelding is geen sprake, vindt Raaijmakers. Integendeel, Hermans mag blij zijn dat hij zo'n mooie tombeau krijgt. Wel vindt Raaijmakers het 'jammer’ dat Hermans vier maanden geleden is overleden. Aan de andere kant 'kan een verborgen warm gevoel voor die man nu zijn vrije loop krijgen’. Hoe dan ook zal Hermans nog enkele keren een dodelijke smak moeten maken.
Raaijmakers gebruikt het vallen in veel betekenissen. Vallen is in zijn opvatting een niet-muzisch geluid, omdat het zich niet voor herhaling leent. Een val die herhaald wordt, is een slag. Ziedaar de slagwerker. Maar hij legt ook een verband met de muziekindustrie die in zijn terminologie een 'valcultuur’ is: 'Je hoeft maar een knopje in te drukken en er klinkt muziek.’ Vandaaruit is de stap naar afval niet groot meer: 'Techniek leidt uitsluitend tot de produktie van afval, want zij multipliceert en reproduceert dat het een lust is - en moeiteloos.’
Een veel terugkerend thema in Raaijmakers’ werk is dan ook de verhouding tussen het omdraaien van een schakelaar en de hoeveelheid energie die daarmee vrij komt. Ofte wel: je levert een inspanning die in geen verhouding staat tot de energie die het oplevert. Daarmee verklaarde Raaijmakers ooit de gene van het alfa-type dat lacherig verkondigt dat het niet met apparaten om kan gaan. 'Techniek staat voor ten onrechte verworven energie en resultaat. Wie met techniek omgaat, moet wel lachen. Je voelt je betrapt omdat wat techniek je oplevert je niet rechtmatig toekomt. Heb je ooit een boer zien lachen, die zich de hele dag kapot heeft staan werken op het land?’
DEZE GEDACHTE illustreerde hij op een prachtige manier in De grafische methode fiets (eind jaren zeventig) en onlangs in de performance Volta bij de uitreiking van de Ouborg Prijs. Bij De fiets diende een serie foto’s van Etienne-Jules Marey, met daarop de beweging van een fietser die afstapt, als uitgangspunt. In de visie van Raaijmakers pakt Marey met zijn camera iets van de fietser af wat wezenlijk is voor mensen: hun bewegingsvrijheid. Raaijmakers keert de zaak om: op het podium laat hij een acteur in slow motion van zijn fiets stappen. Dat duurt een half uur en kost zo'n energie dat de fietser sterft.
Volta is in feite de reconstructie van de eerste elektrische batterij: de zogenaamde Zuil van Volta. In een vertrek van het Haags Gemeentemuseum construeerden vier mannen een anderhalve meter hoge zuil van tweeduizend kilo in zuur gedrenkte vodden die werden opgehoopt tussen platen zink en koper. De chemische reactie die zo op gang werd gebracht, leverde elektriciteit om een peertje aan het branden te krijgen. In verstikkende zuurdampen zwoegden de mannen een volle middag, zodat er sprake was van een ware euforie toen in het pikkedonker dat lullige peertje oplichtte.
Raaijmakers visualiseert daarmee de energie die tot onze beschikking staat als we de lichtschakelaar omdraaien. Als ik suggereer dat hij met Volta mensen bewust probeert te maken van de vanzelfsprekende aanwezigheid van energie, reageert hij verontwaardigd: 'Dan zou ik beter op de afdeling voorlichting van het energiebedrijf kunnen gaan werken! Als kunstenaar gaat het mij om de schoonheid. Maar als je de vliesjes van die schoonheid eraf haalt, zie je dat er een oerwaarheid onder schuilgaat. Als iemand over Volta zou zeggen: “Goh, ik zal voortaan toch wat zuiniger met energie omgaan”, zou ik me behoorlijk genaaid voelen. Het gaat om heel diepe beelden. En het mooie is dat iedereen dit zou kunnen doen. Het gaat precies om die grens van het wel of niet doen. Maar niemand zal het in zijn hoofd halen dit experiment volgende week te herhalen. Ikzelf wel als laatste.’