Gedoemd tot ongeluk

ER ZIJN biografen die de indruk wekken dat ze het liefst hun onderwerp hadden willen zijn. Zoals Harry G.M. Prick langzaam is gaan samenvallen met Lodewijck van Deyssel. Sommige biografen gaan zo ver in hun onderzoek, zijn zo gedreven dat ze, verblind door bewondering, ook de kleinste gebeurtenis, het miniemste detail grote waarde toekennen voor het leven en werk van hun held. Biografieën geschreven door zulke auteurs schieten over het algemeen hun doel voorbij.

Wie zijn bewondering echter weet te beheersen, zijn diepe gegraaf relativeert en zijn ontdekkingen in de juiste proporties kan zien, die slaagt. James Knowlson, Beckett-exegeet sinds mensenheugenis, koppelt admiratie aan relativeringsvermogen en schreef dé Beckett-biografie. Uitputtend. Uitputtender dan Damned to Fame kan een biografie niet zijn. Of betrouwbaarder. Nergens wordt er hinein geïnterpreteerd, nergens geforceerd met de feiten gegoocheld om ze in een of andere argumentatie te laten passen.
Het enige wat je op Damned to Fame tegen kunt hebben, is dat het te veel is. Honderdvijfentwintig bladzijden noten bij zevenhonderd tekstpagina’s - geen voetstap is ongedocumenteerd gebleven, zo lijkt het. Maar Knowlson heeft dan ook één ding voor op eerdere biografen.
Samuel Beckett heeft zich altijd verzet tegen een biografie. Toen James Knowlson zich in 1972 tot hem wendde met het bericht dat een Amerikaanse uitgever zijn levensverhaal wilde publiceren, wees hij het verzoek dan ook resoluut af. Maar Knowlson - die een tentoonstelling over de schrijver en zijn werk inrichtte nadat die de Nobelprijs voor literatuur had gekregen - en Beckett leerden elkaar kennen en raakten zelfs bevriend. Het duurde tot 1989 voordat de schrijver zijn toestemming gaf voor een biografie: ‘To biography of me by you it’s Yes.’
Beckett zag ook wel in dat hij eieren voor zijn geld moest kiezen, zeker nadat in 1978 Deirdre Bair haar opmerkelijke visie op zijn leven wereldkundig had gemaakt in de eerste Beckett-biografie. Dan liever een betrouwbare biograaf, moet hij hebben gedacht, en vanaf 1989 voorzag hij zijn biograaf van alle informatie die deze nodig had.
SAMUEL BECKETT werd geboren op Goede Vrijdag 1906 - niet in mei of juni zoals Deirdre Bair in 1978 nog twijfelde. De dag na Kerstmis werd Beckett begraven, in 1989. Sommigen zien in deze data al een voorbode van een tegendraads leven: geboren met de kruisiging en gestorven met de geboorte van Jezus Christus.
In zijn kindertijd deed de kleine Sam een diepe liefde op voor het Ierse platteland en de heuvels, de kust en de zee, een liefde die nooit meer zou overgaan. Die beelden zouden later terugkeren in het werk. Op een 'obsessieve’ manier, volgens Beckett zelf.
De jonge Beckett was bij tijd en wijle graag alleen en liep dan langs het strand, spelend en gooiend met stenen, die hij ook mee naar huis nam en bewaarde. Later interpreteerde hij die belangstelling voor stenen als een fascinatie voor het verval, voor verstening, neergang.
Op de middelbare school was Samuel Beckett slecht in b-vakken, maar goed in boksen. Atletisch onderlegd als hij was, werd hij een der populairste leerlingen. Hoe gedetailleerd James Knowlson te werk is gegaan, blijkt uit een bloedstollende alinea over de haardracht van de jonge Beckett, die zijn scheiding rechts draagt.
WIE UIT HET werk van Samuel Beckett een schrijver zou moeten destilleren, kan in de verleiding komen zich een teruggetrokken, sombere man voor te stellen, die in eenzaamheid, en uit eenzaamheid, zijn pessimistische wereldvisie verwerkte tot geniale toneelstukken en romans. Becketts personages geven ook aanleiding tot zo'n beeld: het zijn stuk voor stuk eenlingen. Ze zijn eenzamer dan eenzaam, allener dan alleen. Ze vertoeven in de marge van de samenleving, teruggeworpen op zichzelf, zich nauwelijks nog bewust van zichzelf. Sterker nog, het is alsof Becketts schepsels een bewustzijn in verval bezitten, alsof ze zich nog wel bewust zijn, maar niet langer weten waarvan.
In Becketts teksten is de mens keer op keer afgesneden van de wereld om hem heen, van de andere mensen. Maar ook van zijn eigen verleden, van zijn taal en, uiteindelijk, van zijn eigen lichaam en zijn eigen stem. Beckett-personages zijn in die zin tragisch dat ze ergens nog een restje bewustzijn bezitten van een tijd en een wereld voor de huidige, een bestaan waarin dingen bestonden als liefde, warmte, menselijkheid. En betekenis, begrip, communicatie.
DE SCHEPPER van die personages heeft volgens Knowlson op het eerste gezicht niet veel met ze gemeen. Samuel Beckett was een warme, sympathieke, sociaal voelende man met veel gevoel voor humor. Hij had zelfs een hoop vrienden, en vriendinnen. Expliciet stelt Knowlson dat hij in zijn biografie drie belangrijke nieuwe punten wil aandragen: Muziek en beeldende kunst speelden een zeer belangrijke rol in Becketts leven, wat tot nu toe onderbelicht is gebleven. Daarbij wil Knowlson Beckett verlossen van het predikaat 'a-politiek’, dat hem in de loop der jaren door iedereen is opgeplakt. En ten derde was Beckett geen 'miserabilist’ - je kon zelfs erg met hem lachen.
Ik geloof alles wat Knowlson zegt. En dat komische, dat vind je ook terug in de Beckett-personages. De manier waarop de schrijver zijn helden behandelt, met een milde spot, maakt ze menselijker, en uiteindelijk des te tragischer.
We zien ze voorbijtrekken, de onsterfelijke helden. Murphy. Molloy. Malone. De Naamloze. Krapp. Wladimir. Estragon. Clov. Hamm. Maar ook de Stem. Het Licht. De Adem. De Tape.
Beckett is het meest bekend als toneelschrijver, en dan vooral als zogenaamd 'experimenteel’ of 'absurdistisch’ toneelschrijver. Zijn beroemdste stuk is En attendant Godot, dat zelfs op middelbare scholen wordt gelezen. De inspiratie voor Godot kwam van een schilderij van Caspar David Friedrich. Toen Beckett met een vriendin, Ruby Cohn, een tentoonstelling van Duitse Romantici bezocht en voor het schilderij Mann und Frau den Mond betrachtend (1824) stond, zei hij: 'Weet je, dit was de bron voor Wachten op Godot.’ Gelukkig weet James Knowlson dat Beckett hier kennelijk in de war was en twee schilderijen door elkaar haalde. Bij andere gelegenheden attendeerde hij vrienden namelijk op een ander werk van Friedrich, Zwei Männer betrachten den Mond (1819).
James Knowlson speurt naar nog meer bronnen voor Becketts meest beroemde werk, en vindt nog twee schilderijen, van Becketts goede vriend Jack B. Yeats: The Two Travellers en Men of the Plain. Verder moeten we in overweging nemen dat de schrijver zich heeft laten inspireren door een frase van Augustinus over de twee dieven naast Jezus aan het kruis. Beckett zelf wees een criticus op Murphy als aan de basis liggend van Godot, in het bijzonder het lichaam-geestdualisme daarin, en de criticus in kwestie wist op zijn beurt weer dat Becketts toen nog ongepubliceerde roman Mercier et Camier de opmaat voor Godot had gevormd.
De biograaf toont hier zijn klasse door enigszins lacherig de suggestie van de hand te wijzen dat het toneelstuk over de wachtende mannen Wladimir en Estragon was geïnspireerd op, bijvoorbeeld, Beckett die met vriendin Suzanne wandelde en taalspelletjes speelde om de tijd te doden; of, bijvoorbeeld, op Beckett en Henri Hayden die hetzelfde deden als ze schaakten. Knowlson concludeert dat, hoezeer de dialogen tussen de twee lompe proletariërs ook op gesprekken uit de realiteit geënt mogen zijn, we toch vooral moeten kijken naar de filosofische bronnen waaruit Beckett putte.
EN ATTENDANT Godot werd geschreven in een van de meest creatieve perioden van Becketts schrijverschap, nu vijftig jaar geleden. (Misschien moeten we dat maar gedenken: zowel het magistrale drieluik Molloy, Malone Dies, The Unnameable als En attendant Godot kwamen tot stand tussen mei 1947 en januari 1950.) Knowlson zit als het ware mee te schrijven met Beckett; het is alsof hij de schrijver naar die boeken toe duwt, alsof hij hem postuum de kracht wil geven die hij zo hard nodig had maar, onder meer door geldzorgen en depressies, vaak moest ontberen.
Na En attendant Godot zouden typische Beckett-toneelstukken volgen als Endgame, Krapp’s Last Tape, Happy Days, Play, Act without Words, Breath, Fizzles, Eh Joe en All that Fall. Het is gezien het innovatieve karakter van dat werk niet verwonderlijk dat Beckett vooral bekend is om zijn toneelstukken. Maar jammer is wel dat daardoor zijn proza enigszins op de achtergrond is geraakt. Want dat is juist wat hem echt groot maakt: de romans (Murphy, het drieluik, Watt) en novellen (The Expelled onder andere).
Behalve in Schopenhauer verdiepte Beckett zich in Descartes, Geulinckx, Kant en Heidegger. 'Ik lees Schopenhauer. Iedereen lacht daarom. Beaufret en Alfy etc. Maar ik studeer geen filosofie, noch kan het me iets schelen of hij nu gelijk heeft of niet, en of hij een goede of een slechte metafysicus is. Een intellectuele rechtvaardiging voor ongelukkig-zijn - de grootste ooit geprobeerd - is het onderzoek waard van iemand die eerder is geïnteresseerd in Leopardi en Proust dan in Carducci en Barres.’
DE 'INTELLECTUAL justification of unhappiness’ die hij bij Schopenhauer hoopte te vinden, lijkt hetgene te zijn waar Samuel Beckett zijn hele oeuvre lang naar is blijven zoeken. Waardoor is een mens ongelukkig? En waarom dient een mens ongelukkig te zijn? Is er een andere mogelijkheid dan ongelukkig te zijn? En, als het dan des mensen lot is ongelukkig te zijn, hoe rechtvaardigt hij dat lot dan? Houdt hij zichzelf voor de gek, zoals Murphy, die maar blijft roepen dat hij morgen een baan zal vinden, of zoals Wladimir en Estragon, die elkaar blijven verzekeren dat Godot straks echt zal komen? En is het niet juist in dat zichzelf voor de gek houden dat de mens zin geeft aan het bestaan, en aan het ongelukkig-zijn? Is derhalve het geluk niet gelegen in het bewustzijn, het zich bewust zijn van het eigen ongeluk?
BECKETTS personages zijn gestript, ontdaan van elk decorum. Er is niets meer van hen over dan hun bewustzijn - vandaar dat we in Play de Eerste Vrouw, de Tweede Vrouw en de Man alledrie midden op het toneel zien staan, ieder verzonken in een meterhoge witte urn, zodat alleen hun hoofd nog zichtbaar is. Vandaar ook dat we in Happy Days Winnie zien, die, tot boven haar middel ingegraven in een zandheuvel, haar monoloog afsteekt: ’(…) zuiver… wat? (pauze) wat (legt borstel neer) ach ja (draait zich naar tas) arme Willie (rommelt in tas) geen fut (rommelt) nergens zin in (haalt een brillekoker te voorschijn) geen interesse (wendt zich weer naar voren) in het leven (haalt bril uit koker) arme lieve Willie (legt koker neer) altijd maar slapen (opent montuur van bril) (…) weldra blind (zet bril af) nou ja (legt bril neer) genoeg gezien (zoekt in haar keurslijfje naar zakdoek) neem ik aan (haalt opgevouwen zakdoek te voorschijn) zo langzamerhand (schudt zakdoek uiteen) hoe luiden die prachtige regels ook weer (wist een oog af) o, wee mij (wist het andere oog af) dat ik zie wat ik zie (zoekt naar bril) ach ja (pakt bril op) zou het niet missen (begint bril op te wrijven, glazen te beademen) of misschien toch? (wrijft) heilig licht (wrijft) duik uit het duister op (wrijft) vlam van hellelicht.’
Of het nu Winnie is die haar bril opwrijft om het lang verwachte licht te kunnen zien dat uit het duister opduikt, of dat het Wladimir en Estragon zijn die zich uitrekken om een glimp op te vangen van Godot die nu toch echt moet komen, of dat het De Naamloze is die zijn zelfbewustzijn op de proef stelt om ergens diep in zichzelf de verlossing te kunnen vinden, of dat het Krapp is die op zijn laatste tape de gelukzaligheid van zijn verloren jeugd wil terugvinden - telkens beschrijft Beckett de mens als een wezen dat niet alleen van de wereld is losgesneden door een fundamentele eenzaamheid, maar ook van zichzelf is vervreemd, met name door het feit dat hij een geest en een lichaam tegelijkertijd bezit, twee entiteiten die elkaar nooit lijken te begrijpen en nooit samenvallen. Maar vooral is het de taal die de mens voor onoverkomelijke problemen stelt: de taal die meer verhult dan verduidelijkt, die meer barrières opwerpt tussen mensen dan de communicatie versoepelt.
Een van de fascinerende dingen van Becketts oeuvre is dat zijn boeken steeds dunner worden. En de letters steeds groter. Dat klinkt een beetje lullig, maar zo is het nu eenmaal: tegen het einde van zijn leven, tegen het einde van zijn werk, lijkt Beckett er meer en meer naar te streven de stilte te schrijven. Te schrijven wat er nog te zeggen is als alles wat gezegd zou kunnen worden is overdacht, en doorgedacht, zodat er alleen nog lege woorden overblijven. Woorden die geluiden betekenen: voetstap, ademhaling, val.
En ten slotte is er alleen maar stilte. Misschien is het precies dezelfde stilte als de geluidloosheid vóórdat de taal er was. Misschien is het die stilte van vóór al die boeken die Beckett zocht met al zijn boeken. Hij heeft een meesterlijk oeuvre geschreven, moeten schrijven, om uiteindelijk niets te kunnen zeggen. Om te kunnen zwijgen.