Profiel: Studio Sport

Gedonder in de uitzendfabriek

Dat het hommeles is bij Studio Sport kan niemand zijn ontgaan. Van de dagbladen investeerde vooral De Telegraaf de nodige mankracht in het duiden van de stroom opvliegers, ontslagen, berispingen en burn-outs die de «sportfabriek» — zoals dit gerespecteerde instituut steeds vaker laatdunkend wordt genoemd — recentelijk teisteren. Veel succes leverde dat speurwerk trouwens niet op. Uit de reeks klaagzangetjes van in ongenade gevallen chefjes en presentatoren viel niet veel meer op te maken dan dat ze behalve aan het ontvangen van een prettig salaris ook veel waarde hechtten aan een goede sfeer op de redactie. Aan dat laatste ontbrak het nogal, zo viel uit hun monden te noteren.

Ook het nieuwe voetbalmaandblad Johan zag in de tot het vriespunt gedaalde sfeer bij Studio Sport een smakelijk hapje en wijdde twee maan den geleden een groots gepresenteerd hoofdartikel aan het boeiende landschap van coalities, generatiekloven en prima donna’s op de redactievloer. Hoewel Johan de onderste steen bepaald niet boven kreeg, gaven de statements die het blad loskreeg van gezichtsbepalende (ex-)Studio Sport'ers (Smeets, Jansma, Reitsma, Lindenberg, Jongkind, Egbers) wel een helder doorkijkje in het machtscentrum van de vaderlandse sportjournalistiek. Studio Sport mag met welhaast ministeriële budgetten (dit jaar 380 miljoen!) strooien om de échte helden — de sporters — prachtig in beeld en mild-kritisch begeleid in ’s lands huiskamers af te leveren.

Zo bleek vrijwel iedereen op «Het Bureau» van Studio Sport zijn eigen overlevingsstrategie ontwikkeld te hebben. «Ik ben een Einzelgänger. Ik word ingehuurd om programma’s te presenteren. De rest laat ik aan anderen over», verklaarde Mart Smeets. «Het gaat om het werk dat moet worden gedaan, voor de rest interesseert het me niet meer. Die tijd heb ik gehad. Ik ben aardig tegen iedereen die dat verdient», sprak Theo Reitsma. «Het is aan mij om hiermee tevreden te zijn. Ben ik dat niet, dan moet ik opstappen», meldde Tom Egbers. Het zijn de ambtelijk-diplomatieke commentaren van sportverslaggevers die hun verbondenheid met het instituut Studio Sport allang zijn kwijtgeraakt maar, tegelijk, in hun riante positie en bijbehorende privileges voldoende aanleiding zien om nog even niet het achterste van hun tong te laten zien. Als je desondanks de koele resonantie van hun woor den tot je laat doordringen, is er maar één conclusie mogelijk: het ministerie dat Studio Sport heet, wankelt.

Zodra een nieuwe zendgemachtigde zich op substantiële wijze meester maakt van de uitzendrechten van de nationale eredivisie zullen deze coryfeeën zonder een traan te laten de publieke omroep de rug toekeren. Moest men bij Sport7 destijds nog genoegen nemen met de ietwat belegen Koos Postema als anchorman, nu zou een concurrent naar hartelust kunnen graaien in de poel van ontevredenheid bij Studio Sport. En voor je het weet is het zover: vorige week maakte de Eredivisie NV bekend dat SBS6 een serieuze gegadigde is voor de samenvattingen van eredivisiewedstrijden.

Behalve Studio Sport-baas Martijn Lindenberg heeft dan de hele publieke omroep — dat Kremlin-achtige overblijfsel van de verzuiling — een groot probleem. Want niet alleen is Studio Sport, qua kijkcijfers, de kurk waar de Hilversumse mallemolen voor een belangrijk deel op drijft, het zondagavond-zeven-uur-bord-patat-op-schoot-ritueel is het laatste, door de NOS georkestreerde moment waarop het gehele Nederlandse volk zich onder de vlag van de nationale omroep verenigd voelt. Komt er een einde aan deze symbolische ouverture van de zondagavond, dan valt het bouwwerk van dreutelende omroepbestuurders, die uit naam van het volk en zichzelf een lappendeken van pret fabricerende omroepen in stand houdt, vrijwel zeker om.

De werkelijke oorzaak van de huidige spanningen op de Studio Sport-vloer zou dus weleens dieper kunnen liggen dan wat we in kranten en tijdschriften aan burenruzies, botsende ego’s en salarisgeschilletjes krijgen voorgeschoteld.

Het is niet denkbeeldig dat de hele kliek van visieloze, Hilversumse grootverdieners zich als bange honden achter de sportlobby en dus achter Studio Sport-baas Martijn Lindenberg opstellen, hopend dat hij het instituut, en de publieke pretprogramma’s die ervan afhankelijk zijn, nog een tijdje overeind houdt.

Dat zou meteen ook verklaren waarom Lindenberg zo overduidelijk door de knieën gaat voor de nukken en sterallures van de oude garde en, zonder ingrijpen van hogerhand, tekeer kan gaan tegen de jonkies, die er het afgelopen half jaar één voor één zijn uitgewerkt. (Vorige week was Toine van Peeperstraten aan de beurt.) Het zou ook verklaren waarom we deze zomer op de platte lol van Huis van Oranje zijn getrakteerd en men hemel en aarde heeft bewogen om Barend & Van Dorp van RTL4 af te pikken: voetbal als laat ste redmiddel van het zinkende omroep bestel. Het verklaart ten slotte ook waarom, in Hilversumse kringen, de roep om een terugkeer van Kees Jansma aanzwelt. Met vak inhoudelijke kwaliteiten zou deze transfer weinig te maken hebben, maar alles met politiek en gevestigde belangen.

Niet alleen moet de gemoedelijke mensen-manager Jansma in staat worden geacht de kanonnen van Studio Sport binnenboord te houden, ja, misschien zelfs weer wat arbeidsvreugd te verschaffen; ook kan hij de voorzitters van de betaald-voetbalclubs, alsmede de bobo’s in Zeist, stuk voor stuk op jij-en-jou-niveau aanspreken en gunstig stemmen, hetgeen in het licht van de aanstaande oorlog om uitzendrechten een cruciale eigenschap is voor de publieke omroep in het nauw. Want welbeschouwd ligt het lot van datzelfde bestel — in zijn huidige, veel te omvangrijke vorm — in handen van sportgekken als Mart, Theo, Tom, Jack en Martijn. Een gotspe, natuurlijk, maar het is wél zo!

Middelpunt van de huidige commotie is Studio Sport-baas Martijn Lindenberg. Waarom deze vaardige en internationaal gereputeerde eindregisseur van allerhande sport evenementen ooit uit de regiekamer is geplukt en op zijn huidige stoel is neergezet, is nogal schimmig. Eén ding staat wel vast: het zijn niet zijn kwaliteiten op het gebied van, zoals dat tegenwoordig zo mooi heet, «human resources» geweest die van hem de uitverkoren kandidaat hebben gemaakt. Vriend en vijand is het erover eens dat Lindenberg een hark is van jewelste.

Opvallend zijn de gelijkluidende analyses die over zijn persoon de ronde doen, en die allemaal als strekking hebben dat zijn gedrag een getrouwe kopie is van hoe hij ooit, als bandleider van een groep cameramensen, bevelen uitdeelde en zonodig scheldend en tierend tekeerging als een cameraman zat te slapen bij een uittrap of een corner. Wat hem als eindregisseur groot maakte — discipline, organisatietalent, perfectionisme, dwingende aanwezigheid — heeft hem nu doen uitgroeien tot veruit de meest gehate man bij Studio Sport. Ontelbaar zijn de grappen waarin wordt gezinspeeld op zijn falende vermogen het verschil tussen beelden en mensen te zien, en op zijn misplaatste idee dat je eindeloos kunt blijven knippen en plakken aan een redactie, net zo lang tot het plaatje ideaal is. Inzin kingen, huilbuien, baal dagen of zwangerschappen komen in dat ideaalbeeld niet voor. Wie zich daar «schuldig» aan maakt, hoeft niet op clementie van Martijn Lindenberg te rekenen.

In den beginne had de NOS nog wel een people’s manager naast Lindenberg geplaatst, iemand die inhoudelijk wat verder moest kijken dan het eerstkomende doelpunt of transferbericht en die ruimte zou moeten maken voor boeiende docu’s over, pakweg, de toestand van het Surinaamse voetbal. Maar de zachtmoedige «vakman» Peter Kloosterhuis werd door Lindenberg regelmatig gekleineerd in zijn ambitie de kijkcijferfabriek redactioneel wat op te leuken. Hij verdween dan ook opgelucht richting Nova.

Vanuit de strakke uitzendschema’s geredeneerd, de voortdurende behoefte van de publieken om overal waar de programmering dreigt in te zakken een sportjournaal te programmeren (Studio Sport vult momenteel zo'n 1400 uur tv per jaar), is het omhoogvallen van Lindenberg heel begrijpelijk. Hij is een frontsoldaat op wie je kunt bouwen. Als onderhandelaar wordt hij door diverse mensen als «bikkelhard» omschreven, en met belangrijke besprekingen over uitzendrechten voor de boeg weegt dat voor de NOS onge twijfeld zwaarder dan een paar aspirant- sportjournalistes die het pand, snikkend, via de zijdeur verlaten. Zie de opgebrande Dione de Graaff, zie de zwangere Daniëlle Overgaag.

De hoeveelheid macht, arrogantie en pesterij die door de regerende vijftigers thans bij Studio Sport wordt gepraktiseerd, roept de vraag op: wie maakt er revolte? Binnen de honderdveertig leden (!) tellende redactie moet toch wel iemand te vinden zijn die zichzelf een heldenrol toedicht en, desnoods met het zweet in zijn handen, op de grote baas afstapt om hem eens ongezouten de waar heid te vertellen? Vergeet het maar.

Wie ooit het genoegen heeft mogen smaken een dagje rond te wandelen in de heilige vertrekken van de Studio Sport-redactie waant zich in het decor van een maffiafilm. Iedere senior heeft een batterij aan hulpjes die koffie inschenken, telefoontjes aannemen en afspraken regelen voor «De Grote Baas». Zo kan het gebeuren dat je in een zijvertrek wacht op een vraaggesprek met Kees Jansma en een kwartier lang nogal ongemakkelijk glimlacht tegen twee van zulke lakeien, die je, knisperend met hun koffiebekertjes, uithoren over inhoud en richting van het interview. Het personeelsbeleid is, kortom, gestoeld op de bereidheid van de sollicitant De Grote Baas tegen elke vorm van onweer te beschermen en zonodig zijn hielen te likken of zijn veters te strikken.

Op deze manier heeft de sportjournalistieke «generatie Van Hanegem, Cruijff» ervoor gezorgd dat er nooit serieuze con currentie is gekomen van de «generatie Gullit, Van Basten». Welke kritische geest laat zich immers jaar in, jaar uit in een dergelijke rol drukken? Zelf roepen de vijftigers al jaren dat er geen sportjournalistiek talent opstaat, maar in de maffiacultuur van Studio Sport is dat natuurlijk een self- fulfilling prophecy.

Tijdens een belronde langs het jonge, afgezwaaide personeel gutst het angstzweet dan ook door de telefoonlijn. Iets zeggen over of iets vinden van de toestand bij Studio Sport zou de carrièrekansen weleens ernstig kunnen schaden. Voor je het weet, zijn alle coryfeeën over de verschillende zenders verspreid en kom je nergens meer binnen. Een van hen trekt na enig aandringen toch de stoute schoenen aan en suggereert dat de huidige spanningen, inderdaad, een diepere oorzaak hebben en raadt ondergetekende aan eens een onderzoek in te stellen naar de geldstromen die nodig zijn om de sport voor de NOS te behouden; geldstromen die door Lindenberg c.s. worden gestuurd.

Misschien is het een goed idee om de Wet Openbaarheid Bestuur eens te testen op de mogelijkheid om door te stoten naar deze onderbuik van het Kremlin. Of anders het Commissariaat voor de Media wakker te schudden en te vragen een oogje in het zeil te houden bij de komende prijzenslag om de sportrechten en de hoeveelheid belastinggeld die Lindenberg daarbij van plan is over de balk te gaan smijten. Want wat zou het nuttig zijn als de NOS die slag verliest! En zich gedwongen ziet na te denken over wat je voor interessante, mooie, ontroerende tv kunt maken van de tientallen miljoenen die overblijven.