DOMICILIE Het Chelsea Hotel

Gedonder in kamer 100

Het was een toevluchtsoord voor kunstenaars, schrijvers en andere outcasts, en werd bezongen in talloze vormen: het Chelsea Hotel. Het gaat dicht.

‘YOUR SUCH a Dick Cheney.’
'Yeah? Well, you’re such a John McCain.’

Twee kinderen in de lobby van het Chelsea Hotel, aan West 23rd Street, maken conform de New Yorkse anti-Republikeinse politieke voorkeur ruzie met elkaar over wie er nu op de laptop mag. Allebei hebben ze het type lang haar waar alleen kleine kinderen en rocksterren mee wegkomen. De oudste van de twee, misschien acht jaar oud, wint en krijgt de laptop van hun buurjongen, een corpulent jongetje met een brilletje en een Wolverine T-shirt.
De lobby is de enige plek in het hotel waar je internet kunt ontvangen; elke avond hangen de kinderen hier rond. Hun ouders wonen hier, de kinderen zijn volkomen onbekommerd om de aanwezigheid van totale onbekenden, in de rij voor de balie om in te checken. Modieuze winkels besteden fortuinen om eruit te zien als de kleine lobby. Aan de wanden hangen enorme schilderijen: een realistisch schilderij van een paardenkop, een cartoonesk portret van vier Hollandse regenten. Aan het plafond hangt een mollige vrouw op een schommel, gemaakt van een soort crêpepapier. De meubels lijken bij elkaar geraapt als in een kraakpand. Door het hele pand heen hangt zulke kunst, en in elke kamer staat afgeleefd meubilair. Zo oud dat het vanzelf weer hip wordt.
Een van de andere vaste gasten in de lobby is een zwaar geparfumeerde mevrouw met ouderdoms- of levervlekjes op haar huid. Ze draagt een trainingspak van een synthetisch stofje en komt ongevraagd naast je zitten op de bank. 'Ik trok hier in op de dag dat Diane Arbus zelfmoord pleegde en ik ga hier pas weg als ik dood ben.’
Even later spreekt ze een van de mannen aan die wil inchecken: 'Wist u dat ik hier introk op de dag dat Diane Arbus zelfmoord pleegde?’
Sinds het Chelsea Hotel zijn deuren opende - het gebouw stamt uit 1884, het hotel uit 1905 - is het een spil geweest in de Amerikaanse kunsten, als ontmoetingsplaats én inspiratiebron. Muzikanten van The Ramones tot Rufus Wainwright en Ryan Adams schreven hier nummers. De Nederlanders Willem de Kooning, Karel Appel en Jan Cremer woonden en werkten hier. In het koffietafelfotoboek Sex (1992) staat een poedelnaakte Madonna op een radiator, voor een raam in een van de kamers, zodat heel 23rd Street haar kan zien. Jack Kerouac schreef hier On the Road; dichter Dylan Thomas overleed hier aan een hersenbloeding in 1953; Leonard Cohen zou het nummer Chelsea Hotel # 2 hebben geschreven, nadat Janis Joplin hem oraal bevredigd had; in 1979 bloedde Nancy Spungen dood in een badkuip, ogenschijnlijk neergestoken door haar punkvriendje, Sid Vicious van de Sex Pistols. De kamer waarin dat gebeurde, nummer 100, bestaat inmiddels niet meer en als je aan de medewerkers vraagt waar ongeveer de kamer lag en wat er nu zit, geven ze heel discreet geen antwoord. 'Hotel policy.’
In Just Kids, Patti Smith’s memoires van haar vriendschap met kunstenaar Robbert Mapplethorpe, wijdt ze een heel hoofdstuk aan het hotel. Ze trekt erin als ze min of meer is weggelopen van huis en het wil maken in de New Yorkse kunstwereld. Kamer 107, de kleinste in het pand; 55 dollar per maand. Het gaat niet om luxe; het gaat haar erom dat ze in een gemeenschap komt vol ballingen - gedwongen en zelfverkozen. Iedereen lijkt te zijn weggelopen van huis, van hun ouders, van hun echtgenoot. Niemand heeft geld (wel drugs), gasten jatten van elkaar, staan te 'hustlen’ op straat om de huur te kunnen betalen. De badkamers zijn overbezet, de kamers stinken naar verf, naar allerhande materiaal dat wordt gebruikt om kunst van te maken - voor Patti Smith is het, zo voelt ze direct als ze binnenkomt, 'thuis’.

HET CHELSEA HOTEL - slogan: 'A rest stop for rare individuals’ - gaat dicht. De nieuwe directie heeft eind vorige maand per direct alle reserveringen geannuleerd. In 2007 was al van management gewisseld, op aandringen van de aandeelhouders. De familie Bard, die sinds de jaren veertig het hotel bestierde, werd ingeruild voor een managementteam van B.D. Hotels NY, een bedrijf dat verschillende, vooral wat duurdere, hotels in New York beheert. Die moderniseringsslag is half om half gegaan - de oude, vaste bewoners konden blijven, hun vaak mondelinge, informele afspraken over huur bleven overeind, om de sfeer van het hotel overeind te houden - maar nu niet meer. Budget cuts, overheadkosten moeten lager, omzet groter, et cetera.
Ik verbleef ruim twee weken in het Chelsea Hotel, om, heel clichématig, aan mijn debuutroman Clausewitz te werken (supermegagaaf boek trouwens). Op aanraden van vaste gast Henk Hofland bezocht ik Jerry Weinstein, die zijn hele volwassen leven in het hotel werkte en nu functioneert als het institutional memory. Hij geeft rondleidingen. Hij is een grote vriendelijke man, met een gebruinde huid, zijn hoofd lijkt direct aan zijn bovenlichaam vast te zitten. Jerry vertelt graag over het hotel, beschouwt veel van de vaste gasten als goede vrienden.
Toen al had Jerry iets zieligs. Hij stond daar, in zijn informele kleding, tussen allemaal medewerkers die hoteluniformen aan hadden. Het was duidelijk dat er een shifting plaatsvond. 'Het oprecht kunstzinnige karakter verdwijnt’, zei Ed Hamilton, een schrijver (nog nooit van gehoord) die al meer dan tien jaar in het hotel woont en een tijdlang een blogcampagne voerde tegen het nieuwe bestuur. In de lift begon hij er maar al te graag een praatje over. 'Dit is geen plek om commercie te bedrijven. Het moet een beschermde, culturele gemeenschap zijn, waarin mensen op hun gemak kunst kunnen maken.’
Zoiets is ook de strekking van de roman Netherland, waarmee de Ierse schrijver Joseph O'Neill dit jaar de PEN/Faulkner Award won. O'Neill schreef de roman in het hotel, waar hij al jaren met zijn vrouw en kinderen woont. In Netherland neemt een Nederlandse expat, Hans van der Broek, met zijn vrouw en kind zijn intrek in het hotel in de dagen na de aanslagen van 11 september: 'Around the clock, ambulances sped eastward on West 23rd Street with a sobbing escort of police motorcycles. Sometimes I confused the cries of the sirens with my son’s night-time cries. I would leap out of bed and go to his bedroom and hopelessly kiss him.’ Als zijn vrouw met hun kind naar Europa vertrekt wordt Van der Broek warm opgevangen door de hotelgemeenschap van kunstzinnige outcasts.
Die gemeenschap wordt dus bedreigd, zegt Hamilton. Kijk maar eens in de lobby, op een willekeurig moment, naar de gasten die inchecken. Die avond staan twee groepen in de rij. Een hip, Aziatisch stelletje, hij en zij allebei in strakke wortelbroeken, hij met een strohoedje op; daarnaast staan drie mannen in pantalons, allemaal met hun colbertje over hun arm. Iets aan hen suggereert feilloos ingevulde belastingopgaven.
Hamilton: 'Het is moeilijk te verkroppen dat mensen hun kamer uit zijn gezet zodat dat soort corporate figuren hier een nachtje kunnen logeren, alleen omdat ze dan thuis kunnen zeggen dat ze in dat legendarische hotel hebben geslapen.’ Diezelfde corporate figuren bladeren rustig door het foldertje dat op de balie ligt. Dylan Thomas is hier doodgegaan, staat er, en Nancy van Sid Vicious ook. Enthousiast wachten ze tot ze ingecheckt worden, benieuwd wat ze in hun kamer aantreffen.