Gedoogspreuk

Wie gedoogt, kan doen alsof een probleem niet bestaat. Pas later komt de rekening.

Daar was-ie weer, afgelopen week, terug van weggeweest: de gedoogspreuk! Zeg langzaam na: ‘Als ik niet meegeef met dit normafwijkende gedrag, gaat het ondergronds en ben ik de grip erop kwijt.’ Deze keer werd de spreuk ons voorgepreveld door socioloog Gabriël van den Brink, naar aanleiding van de uit de hand gelopen ontgroeningsrituelen van studentencorpora. Het is riskant zulke rituelen te verbieden, zei hij in NRC Handelsblad, want ‘het irrationele in de mens laat zich niet verdrijven’.

Universiteitshistoricus Péjé Knegtmans draaide het vertrouwde riedeltje verder af. ‘Grote kans dat de clubs dan ondergronds gaan’, wist hij, ‘en hoe houd je er dan grip op?’

Nou ja, vertrouwd… eigenlijk is de gedoogspreuk nogal gedateerd. Hij werd het vaakst gehoord in de jaren zeventig en tachtig, toen hij alom in den lande door bestuurders werd aangeheven als het Sesam, open u van een overheid die een onoverbrugbare discrepantie had laten ontstaan tussen wet en werkelijkheid.

Zat je in je maag met een moeilijk te bestrijden vorm van normafwijkend gedrag? Dan hoefde je alleen maar als een moderne Ali Baba voor de Sint-Pietersberg te gaan staan. Je mompelde de gedoogspreuk, de berg opende zich, en alle ongerechtigheden, alle verschillen tussen droom en feit van de verzorgingsstaat, werden de grot in geschoven, waarna de berg zich discreet weer sloot.

Maar later begon die grot lelijk uit te puilen. Er kwamen kieren en gaten in, waaruit kwade dampen ontsnapten en waardoor je naar binnen kon loeren. Dicht bij de ingang lagen de kinderpornofilms, onder de toonbank verkocht zonder dat er een haan naar kraaide. Even verderop zag je hoge stapels vaten liggen met doodskoppen erop: giftig spul, door afvalverwerkers met iso-certificaat rechtstreeks in de haven gedumpt, terwijl de milieu-inspectie af en toe langskwam voor welwillend advies.

Uit een afgelegen nis kwamen flarden ijl geklaag aandrijven. Het waren de oude besjes die zich de haren uit het hoofd trokken nadat grote lummels hun lang verbeide woninkjes hadden weggekraakt. In de oude wijken van Amsterdam werd begin jaren tachtig de helft van alle vrijkomende distributiewoningen gekraakt, waarna ze praktisch allemaal aan de krakers werden toegewezen. Een al even schrikwekkend gekreun klonk op uit de huiskamer van de Amsterdamse heroïnehoeren. In de jaren tachtig was een kwart à een derde van hen seropositief.

Gelukkig waren er ook vrolijke plekken in de gedooggrot. In de wao-bar werd het geschrei van de arme vrouwen overstemd door het getinkel van glazen. Hier hielden de uitkeringsfraudeurs, ook jarenlang de grot in geveegd, zich onledig met gezang en sterke verhalen hoe ze de instanties hadden gepiepeld. De drankjes waren er gratis – geld zat! Net als in het belendende bouwbordeel, waar het aannemerskartel de centen stuksloeg die het met vereende krachten van de overheid had afgetroggeld.

Ook in het hol van de Hells Angels heerste een gezelligheid van belang, maar hier kwam je niet zo makkelijk binnen. De toegang werd bewaakt door een wachtpost met riotgun. De politie dorst het hol al jaren niet meer te betreden, maar de gemeentelijke afdeling jeugdzaken maakte ieder jaar wel trouw twintigduizend gulden subsidie over.

Wie gedoogt, kan doen alsof een probleem niet bestaat. Pas later kwamen we erachter hoe hoog de uitgestelde rekening is. Vooral de maatschappelijke kosten zijn torenhoog: gedoogdenken maakt de meeste slachtoffers onder degenen die de kracht ontberen voor hun eigen belang op te komen en die daarvoor dus op de overheid vertrouwen.

Het dieptepunt van dit fatale wegduiken voor de werkelijkheid ligt gelukkig ook al weer een tijd achter ons: de ‘gedoogzone’ voor heroïneprostituees. Door de gemeente Amsterdam ingesteld op grond van diezelfde gedoogspreuk: anders zouden de hoeren maar ondergronds gaan! Niemand die toen opmerkte dat dit, nog los van de mensonterende situaties die de gemeente hiermee ‘faciliteerde’, een pure drogreden was. Alsof heroïneprostituees zouden beschikken over een voor buitenstaanders ontoegankelijke plek om zich aan te bieden. De markt voor heroïneseks kenmerkte zich door extreme anonimiteit en was dus bij uitstek aangewezen op de publieke ruimte, zichtbaar voor iedereen.

Gedoogzones zijn er niet meer. De laatste echo’s van het gedoogdenken klonken uit de mond van minister Sorgdrager, die in 1995 ons gedoogbeleid mede terugvoerde op de Hollandse tolerantie uit de Gouden Eeuw, en historicus Herman Pleij, die nog in 1999 de lof zong van Neêrlands ‘gouden gedoogelixir’.

Daarna werd het stil rond het onderwerp. Maar af en toe, op een nevelige herfstavond, kun je het nog door de Hollandse peppels horen ruisen: ‘… beter meegeven… anders ondergronds… grip erop kwijt…’

En heel gek – het gaat dan nooit over moord, bijvoorbeeld. Of over verkrachting, belastingontduiking of door rood licht rijden. Niemand die fluistert dat het riskant is om zulke dingen te verbieden omdat we dan de grip erop kwijtraken vanwege het irrationele in de mens. De gedoogspreuk wordt altijd gepreveld à la carte.