Gedogen of legaliseren?

Gedraai met drugs

Juist nu probleemgebruikers vergrijzen, jongeren greep hebben op hun drugsgebruik en Europa niet langer sceptisch staat tegenover het Nederlandse gedogen, faalt ons drugsbeleid jammerlijk. Hulpverlening is verworden tot repressie en het veelbelovende afkickmiddel ibogaïne komt ons land niet in. In twee artikelen peilt De Groene Amsterdammer de stand van zaken.
Tot zijn spijt ziet een ex-agent op «zijn» Amsterdamse Wallen de junks nog steeds in de portieken staan. Legalisering van harddrugs; het komt er maar niet van. «De samenleving zou terecht moeten staan.»

«Hé man, goed interview was dat. Beter kon niet, weet je», zegt een oude grijze man met een Surinaams accent. Hij is een van de drugsgebruikers die al meer dan twintig jaar rondhangen op de Amsterdamse Wallen. Vandaag kijkt hij helder uit zijn ogen. En hij lacht breeduit. De ex-politieagent die hij aanspreekt, laat zich de complimenten grijnzend welgevallen, al gelden ze hem niet.
Het interview waar de bejaarde gebruiker op doelt, werd twee weken geleden uitgezonden op de lokale televisiezender AT5. Een Amsterdamse hoofdagent gaf zijn mening over het drugsbeleid en de overlast die de bewoners van de Wallen daarvan zouden ondervinden. Volgens de hoofd agent, overigens niet in uniform, werd het tijd dat de buurt eens meewerkte in plaats van alleen maar te zeuren. En wat de hoofdagent betrof, mocht het ook wel een graadje minder met de criminalisering van verslaafden. Waarom niet werken aan een systeem van gecontroleerde harddrugsverstrekking?
Het hadden de woorden kunnen zijn van de ex-agent die nu onder journalistieke begeleiding zijn oude rondje over de Wallen loopt. Ook hij vindt dat de tijd is gekomen om nu eens echt iets te veranderen. «De war on drugs is allang verloren. Ik heb het hier jaren bekeken en echt, er valt niet tegenop te boksen.» De oud-diender wil liever niet met zijn naam in de krant. Hij weet dat veel agenten in de Amsterdamse binnenstad zijn mening delen, maar ze worden niet geacht die uit te dragen. «Ik wil geen collega’s in verlegenheid brengen die hier nog dagelijks hun ronde doen.»
Zelf heeft hij er zo'n 35.000 kilometer opzitten, afgelegd in het oeroude stukje Amsterdam waar sinds jaar en dag hoeren, junks en toeristen het beeld bepalen. In de Korte Niezel, een smal straatje, staan tien gebruikers te balanceren op de stoeprand. Handen schudden, geklop op schouders. «Hoe oud ben jij nou, Pablo, 51?» De mees ten waren al op zoek naar dope in de krochten van oud-Amsterdam toen de ex-agent als jonkie begon bij bureau Warmoesstraat. «Dit zijn onze bejaarden. Een flinke groep. De oudste is zeventig. Nu is de tijd om echt iets te doen, want er is gelukkig nauwelijks jonge aanwas. De jeugd heeft zo langzamerhand doorgekregen hoe je het gebruik van pillen en het snuiven in de hand kunt houden. Dit zijn gebruikers die er nooit meer vanaf komen en er vaak ook niet vanaf willen. Zorg dat ze hun spul op een legale manier kunnen krijgen en het niet op straat en in de portieken hoeven te gebruiken. Geef ze wat te doen, jaag ze niet meer zo op. Dan worden ze rustiger, hebben ze minder behoefte aan een middel. Ze kunnen weer een leven opbouwen en de buurt is grotendeels af van wat ze ziet als overlast. Iedereen blij.»
De oplossing lijkt zo simpel, maar stuit telkens weer op onoverkomelijke politieke bezwaren. Welke partij het ook voor het zeggen had, de tegenstanders van legalisatie wonnen altijd. De ex-diender: «Eigenlijk is het onbegrijpelijk. Iedereen wist dat criminalisering van drugs niet kon werken. Toch gebeurde het. We hadden kunnen leren van de drooglegging in de Verenigde Staten in de jaren twintig. Die leverde alleen maar een enorme maffia op. Er werd geen spat minder om gedronken.»
Maar juist nu de groep probleemgebruikers aan het vergrijzen is en er dus aan een duurzame oplossing voor het verslavingsprobleem zou kunnen worden gewerkt, neemt de bereidheid daartoe af. Het gedogen heeft de laatste tijd flink aan populariteit ingeboet. Opvallend is dat de term «gedogen» tegenwoordig niet meer wordt geassocieerd met liberaal drugsbeleid, maar met laks overheidsoptreden, een slap vergunningenbeleid en met rampen als die in Enschede en Volendam. Gedogen is uit. De teugels moeten aangehaald. Ook al dreigen de buurlanden, zelfs Frankrijk, Nederland op drugsgebied links in te halen.
Inmiddels is Amsterdam al ongeveer de helft van de coffeeshops kwijt en liggen ook de smartshops onder vuur. Voormalig burgemeester Patijn lijkt met het dichtspijkeren van menige wietkit een landelijke trend te hebben gezet. Stad na stad volgt het voor beeld: overlast wordt niet meer getole reerd.
«We zijn een stuk minder zorgzaam en sociaal geworden in dit rijke land», zegt de ex-diender. «De discussie over overlast ga ik niet meer aan. Loop twee weken rond op de Wallen en je ziet wat échte overlast is. Dronken toeristen die schreeuwend naar de hoeren gaan, portieken die worden ondergekotst. De meeste gebruikers die ik hier zie, zijn te stoned om iemand wat aan te doen. Ze stelen misschien ergens een fiets en dat is het. Ik heb in de meer dan tien jaren dat ik hier rondliep maar één keer mijn pistool hoeven trekken.»
«Waarom voeren we de legaliseringsdiscussie niet?» vraagt ook Job Joris Arnold van de Belangenvereniging voor Druggebruikers MDHG zich af. «Domweg verbieden is geen wijsheid. Het werkt niet. Laten we nadenken over iets anders. Wij merken dat de meeste gebruikers prima met hun verslaving kunnen omgaan. Tachtig procent van de heroïnegebruikers voldoet volstrekt niet aan het standaardbeeld van de junk, en de groepen die problemen opleveren zijn zo langzamerhand wel in kaart gebracht.»
Volgens Arnold is bovendien het systeem van hulpverlening nodig aan vervanging toe. «De huidige verslavingszorg is een inefficiënt systeem van noodhulp. Het kost vermogens en de mensen die erin werken, houden het niet lang vol. Niemand is echt voorbereid op de ellende waarmee hij of zij te maken krijgt. Als gebruikers niet in die gecriminaliseerde positie zouden zijn gedwongen en voor veel geld hun drugs moesten kopen, had je zoveel zorg niet nodig.»
Sinds 1999 is de Amsterdamse drugshulpverlening in de ban van project Support. Daarin werken vijftien instellingen samen in het opvangen van verslaafden. Doel daarbij is niet zozeer de hulpverlening verbeteren, als wel het terugdringen van de overlast.
Op dat systeem is sowieso het grootste deel van de zorg gericht. Arnold: «Er zijn geen evaluaties, want de resultaten zijn niet goed te meten. Veel organisaties krijgen slechts subsidie vanuit een politiek oogpunt: er moet iets aan het verslavingsprobleem gedaan worden. De gebruiker legt electoraal gezien geen gewicht in de schaal. Wel de buurtbewoners die klagen over overlast. Projecten worden dus gefinancierd als ze de overlast lijken te kunnen tegengaan. Methadonverstrekking door de gg&gd — worden de junks lekker suf van; poppetjes kleien in de dagopvang — daar zit geen gebruiker op te wachten. Het beste zou zijn om een klantenonderzoek te doen: u had een hulpvraag, voelt u zich geholpen? Dan moet je de gebruiker serieus nemen. Je zult zien dat veel mensen helemaal niet op die hulp zaten te wachten, maar dat ze wel moesten. Om woonruimte te krijgen, of een uitkering. Daar zit dan vaak een heel verplicht traject aan vast.»
Support ligt inmiddels zwaar onder vuur. Het was de bedoeling dat de politie verscheidene buurten zou schoonvegen en dat de junks zouden worden opgevangen door de nu eindelijk eens samenwerkende instellingen. Maar de coördinatie bleek beroerd. Elke gebruiker die bij Support werd aangemeld, zou een mentor krijgen, maar daarvan waren er bijna honderd te weinig en gebruikersruimten moesten door personeelgebrek al om zes uur ’s avonds sluiten. Het resultaat was een knallende ruzie tussen het politiewijkteam Warmoesstraat en de voltallige hulptop. In een vertrouwelijke notitie pleitte Dirk Eeken, de voormalige commissaris van bureau Warmoesstraat, voor het vervangen van het volledige management van de vijftien Support-instellingen.
Arnold: «Hoe hoger je komt in de organisatie van de hulpverlening, hoe meer de gebruiker uit het oog wordt verloren. Het gaat de top van de instellingen vooral om het afbakenen van het territorium, het binden van klanten en het binnenhalen van subsidie. Zorg moet servicegericht worden. Het welzijn van de gebruiker moet centraal gesteld. Dat kan alleen als je het gebruiken en de verslaving accepteert in plaats van ze te bestrijden.»
Dat de hulpverlening langzamerhand is verworden tot repressie blijkt volgens Arnold uit de medewerking van instellingen als de Jellinek in Amsterdam, Centrum Maliebaan in Utrecht en het Boumanhuis in Rotterdam aan de Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV). Die voorziet sinds december in het verplicht twee jaar lang onder dwang afkicken in het gevang. Wie niet meewerkt, krijgt twee jaar sober detentieregime. «Hulpinstellingen verraden de cliënt voor geld, status en macht. Want dat is wat het begeleiden van de dwangbehandeling oplevert.»
In de woning van de ex-diender ligt 25 jaar drugsbeleid uitgestald. De vloer van het kleine appartement is volledig bedekt met krantenknipsels, boeken en brochures. Diverse malen maakte hij de heruitvinding van het wiel mee. In 1984 al bereikte het Amsterdamse gemeentebestuur overeenstemming over de noodzaak heroïne gecontroleerd aan probleemgebruikers te gaan verstrekken, melden de krantenknipsels. Zelfs het CDA was voor. Maar de toenmalige premier Lubbers hield het project, dat een doorbraak had kunnen zijn, tegen. Nu loopt eindelijk een proef met heroïneverstrekking. Een voorstel om dat ook te doen met crack (gekookte cocaïne die de gebruiker een korte, zeer hevige flash geeft en hem rusteloos op zoek doet gaan naar een nieuwe dosis) werd door politici van verschillend pluimage eendrachtig neergesabeld.
In 1986 ging de laatste gebruikersruimte dicht. Nu zijn ze er weer, een stuk schoner dan vroeger en bewaakt door mensen van Support. Het kostte de politie meer dan drie jaar lobbyen. Er zijn nu drie ruimtes in het centrum waar buiten het zicht van buurt bewoners de roes in gang kan worden gezet. Maar dat is veel te weinig.
En zo blijkt er in 25 jaar vrijwel niets veranderd. De bureaucratie en verkokering bij de hulpinstellingen bestonden ook toen al, de politie was even machteloos als nu en de buurtbewoners klaagden net zo hard over overlast. Of het moet zijn dat het drugsbeleid nu werkelijk is uitgegroeid tot een totaal schizofreen stelsel van geschreven en ongeschreven regels: wie niet wordt toegelaten tot de proef met gratis heroïneverstrekking, hangt twee jaar gedwongen afkicken boven het hoofd — een nauwelijks functionerend middel; men rekent slechts op vijftien procent rendement — uitgevoerd door de instellingen die zeggen naar de gebruiker te willen luisteren.
De oud-agent laat een poster zien uit 1984. Foto’s gerangschikt in een «vicieuze cirkel» tonen het traject van een gebruiker: weggestuurd door de politie, opgepakt, vastgezet, terug het Wallengebied in en dan de hele cyclus weer opnieuw. «De junk op de foto’s is Wilfred. Die loopt hier nog altijd rond en gebruikt nog net als vroeger.»
Het enige positieve is dat de groep probleemgebruikers is geslonken van vijftienhonderd naar zeshonderd en dat de proef met gratis, onder medisch toezicht verstrekte heroïne lijkt te werken. In een gebruikersruimte in het Wallengebied vraagt de oud-agent aan een lange, magere junk met sluik zwart haar hoe het hem gaat. Hij is toegelaten tot het heroïneproject, zegt hij, dus hij mag niet klagen. Maar er zit hem toch iets dwars. Hij wijst op een van de andere aanwezigen, een schokkerige man met een rood wollen mutsje op. «Waarom krijgt hij geen gratis heroïne? Hij heeft het veel harder nodig dan ik.»
De ex-politieman knijpt zijn ogen tot spleetjes. «Je moet hén niet voor de rechter dagen», zegt hij als we het pand verlaten, «maar de samenleving. Die zou terecht moeten staan voor de manier waarop ze met haar drugsverslaafden omgaat.»