Gedreven gehamer

Jonathan Israel, A Revolution of the Mind. Radical Enlightenment and the Intellectual Origins of Modern Democracy. € 26,30

Onder historici, en in de bredere kring van mensen die werkelijk geïnteresseerd zijn in de ideeën die ten grondslag liggen aan de westerse cultuur, is het verschijnen van een nieuw boek van Jonathan Israel breaking news. Na Radical Enlightenment (2001) en Enlightenment Contested (2006) is het wachten op deel drie van deze reeks vuistdikke, spraakmakende boeken, dat zal handelen over de verspreiding van radicale denkbeelden in de tweede helft van de achttiende eeuw.
A Revolution of the Mind, waarvan de ondertitel luidt: Radical Enlightenment and the Intellectual Origins of Modern Democracy, is echter niet het laatste deel van deze trilogie. Daarvoor had het viermaal zo dik moeten zijn en hadden er op elke bladzijde tweemaal zo veel woorden moeten staan. Niettemin handelt deze bundel met lezingen wel over de periode tussen pakweg 1760 en 1800 en geeft hij een goede samenvatting van Israels zeer uitgesproken denkbeelden over aard en wezen van de Verlichting en over de betekenis hiervan voor onze samenleving.
Centraal bij hem staat het onderscheid tussen de radicale en de gematigde Verlichting. De radicale Verlichting begon voor Israel met Spinoza en daarin werden ideeën ontwikkeld die de kernwaarden van onze westerse samenleving zijn gaan vormen: democratie, vrijheid van denken en van meningsuiting, individuele vrijheid, tolerantie, de rechtsstaat, gelijkheid tussen rassen en seksen. De filosofische kern ervan wordt gevormd door rationalisme en materialisme, waarin voor een hogere macht, een Schepper, geen plaats is.
Hiertegenover staan de denkers van de gematigde Verlichting, die ratio en geloof met elkaar trachtten te verzoenen en die ook in politiek en sociaal opzicht veel conservatiever waren. Terwijl radicale Verlichters als Diderot en Holbach pleitten voor democratie en ten strijde trokken tegen maatschappelijke ongelijkheid, hadden gematigde Verlichters als Voltaire, Hume, Montesquieu en Kant hun hoop gevestigd op wijze, verlichte vorsten en zagen zij maatschappelijke ongelijkheid als essentieel fundament van een ordelijke, stabiele samenleving. Het gewone volk moest zijn plaats kennen en kon het beste met traditionele denkbeelden rustig worden gehouden.
Volgens Israel heeft de historiografie van pakweg de laatste halve eeuw zich veel te veel gericht op die gematigde Verlichting, is het belang van de radicale Verlichters gebagatelliseerd en is de relatie tussen hun radicale ideeën en de revoluties in het laatste kwart van de achttiende eeuw – de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd, de Nederlandse patriottenbeweging en de Franse Revolutie – verdonkeremaand. Veel aandacht is uitgegaan naar economische en sociale ontwikkelingen en naar de politieke reacties hierop, terwijl veel te weinig onderzoek is gedaan naar veranderende denkbeelden en hun invloed op de gebeurtenissen in die jaren.
Jonathan Israel is een gedreven man, die als hij de zegeningen van de radicale Verlichting bezingt meer doet denken aan een ideoloog dan aan een historicus. Hoewel hij in zijn grote boeken over dit onderwerp ook voortdurend hamert op het belang van Spinoza en de superioriteit van de radicale denkbeelden ten opzichte van de achterhaalde ideeën van types als Locke, Hume en Voltaire, wordt dit goedgemaakt door een overstelpende hoeveelheid informatie die hij biedt en de weergave van tal van interessante debatten en controverses. Hierdoor schetst hij een rijk en levendig beeld van de intellectuele wereld van de zeventiende en achttiende eeuw. In dit nieuwe boek perst hij zijn argumentatie samen en kan hij nauwelijks ingaan op al die verschillende denkers, zodat uiteindelijk alleen het monotone gehamer op zijn inmiddels bekende aambeeld hoorbaar is.
Deze lezingen, die hij begin 2008 in Oxford gaf, waren georganiseerd ter nagedachtenis van de politiek filosoof en ideeënhistoricus Isaiah Berlin. Hoewel Israel in het voorwoord Berlin prijst als een van de pioniers op het terrein van ‘intellectuele geschiedenis’, is er nauwelijks een antiberliniaanser boek denkbaar dan A Revolution of the Mind. Als Berlin ergens een hekel aan had, dan was het aan het monisme en determinisme van Spinoza, en als Berlin als historicus van belang is geweest, dan was het omdat hij aandacht vroeg voor de schaduwzijden van de Verlichting en serieus studie maakte van critici van de radicale denkbeelden.
Aan het eind van dit boek wordt duidelijk waarom Israel zo’n scherp onderscheid maakt tussen de radicale en de gematigde Verlichting. Hij heeft dat nodig om zijn helden vrij te pleiten van gruwelen van de Franse Revolutie. Robespierre en de Jacobijnen waren helemaal geen representanten van de Verlichting, zij waren volgelingen van Rousseau, die in de ogen van Israel louter een vertegenwoordiger van de contra-Verlichting was. Dit is een wel erg simplistische manier om de plaats van Rousseau in het denken van de achttiende eeuw te karakteriseren, net zoals het waterdichte schot dat Israel tussen de radicale en gematigde Verlichters bevestigt wel heel erg vertekent. Dat de westerse samenleving zoals wij die nu kennen – behalve uit technologische en economische ontwikkelingen – voortkomt uit een wisselwerking tussen radicale en gematigde ideeën, en uit de reacties die deze denkbeelden losmaakten bij het wereldse en geestelijke establishment, dat is een visie waar Israel niet aan wil. Dat is te ingewikkeld, te vaag, te subtiel – en dergelijke verhalen probeert hij met zijn gehamer te overstemmen.

JONATHAN ISRAEL
A REVOLUTION OF THE MIND
Princeton University Press, 276 blz.