Gedrogeerde geesten in het haagse

Drugs hebben de neiging om niet alleen het hoofd van de gebruikers op hol te doen slaan. Ook politici en rechtsdienaren krijgen er in toenemende mate een waas van voor de ogen. Het schrikbarende staaltje snelrecht jegens twintig zogenaamde drugsrunners dat afgelopen maandag werd opgevoerd in Rotterdam, was weer veelzeggend.

De advocaten van de beklaagden spraken terecht schande van de allerkrakkemikkigste bewijsvoering, van het totale dédain voor de rol van de advocaat en van het hemeltergend hoge aantal fouten in de dagvaardingen. Voor iedere rechtslievende burger was het een zwarte dag, en het feit dat de betrokken rechter ondanks haar zware kritiek op het politionele en jusititiële broddelwerk toch bereid was om op grond daarvan gevangenisstraffen uit te delen doet het ergste vrezen voor de politieke beinvloedbaarheid van de rechtsprekende kaste anno 1994.
Wie de kranteberichten van de afgelopen maanden systematisch heeft gelezen op het aantal excessen binnen het politie-apparaat, moet de moed inmiddels ver onder de schoenen zijn gezakt. Onder het mom van drugsbestrijding is de rechtsstaat Nederland totaal aan flarden geschoten. Tienduizenden telefoons zijn door overijverige agenten zonder toestemming van welke autoriteit dan ook afgetapt; vooral telefoons van mensen die helemaal niets met drugshandel te maken hadden.
In plaats van een diepgaand onderzoek te starten naar de verantwoordelijkheid voor deze gigantische uitglijer, zorgde minister van justitie Hirsch Ballin ervoor dat de afluisterbevoegdheid vervolgens zodanig werd verbreed dat het illegale aftappen met terugwerkende kracht toch legaal werd. Tel uit je winst. Ook bleek de politie in het kader van ‘inkijkoperaties’ inbraken te plegen in woningen en kantoren van verdachten in drugszaken om erachter te komen of een officiële huiszoeking de moeite van het aanvragen waard was. Maar het sterkste staaltje werd toch geleverd door de leden van het Interregionale Rechercheteam (IRT). In het kader van de actie Kolibri blijkt het IRT jarenlang in de weer geweest met het financieren van een eigen drugsbende, om zo kennis te vergaren over de vertakkingen van het drugscircuit.
De door de overheid ruimhartig gefinancierde bende, geleid door een informant van de politie, was onmiddellijk een succes, in die zin dat ze voor tonnen aan cocaine wist te smokkelen en te verkopen. In één opzicht miste het initiatief echter succes: aanhoudingen wilde het maar niet opleveren. De undercover-bende maakte een sneeuwbalachtige groei door, en raakte in het proces zodanig gelieerd aan het echte drugscircuit dat er nauwelijks meer een onderscheid te maken was. Vervolgens raakte de bende, die was opgezet onder auspiciën van de Utrechtse commissaris Wiarda, zo geinvolveerd in het criminele bedrijf dat het geheel losgezongen werd van jusitiële controle. Het was vervolgens Eric Nordholt die er - volkomen terecht een einde aan maakte. In het - onbegrijpelijk genoeg - alom bejubelde rapport van de commissie Wierenga vindt de lezer niets terug van de krankzinnige toestanden rondom de IRT bende. Het verhaal van het exces kan men alleen vinden in de uitgelekte verhalen zoals die werden gepubliceerd in Het Parool en De Telegraaf.
Wierenga drukt zich alleen maar zeer plastisch uit over 'de gewraakte werkmethode’, om onmiddellijk op de proppen te komen met de conclusie dat daar niets mis mee was en dat Nordholt c.s. een grove fout begingen met hun haastige liquidatie van het IRT. Die lezing van het verhaal is inmiddels in de politieke bloedrazernij die momenteel woedt, overgenomen door premier Lubbers, die verleden week vrijdag de Amsterdamse 'bende van vier’ - procureur-generaal Van Randwijck, hoofdoffficier van justitie Vrakking, hoofdcommissaris Nordholt en diens rechterhand Van Riessen - ter onthoofding voordroeg wegens hun verantwoordelijkheid voor de ophefffing van het IRT in december 1993. Hoewel zeker Eric Nordholt op grond van eerdere prestaties en uitlatingen (bijvoorbeeld in de Ghanezen-affaire) een fikse oorwassing verdient, dreigt hij nu om verkeerde redenen van zijn troon te worden gestoten. Op grond van de eerdergenoemde perspublikaties moet men wel tot de conclusie komen dat het rapport-Wierenga hevig wordt geteisterd door politieke machinaties. De intentie van het werkstuk lijkt geheel te bestaan uit de vrijwaring van de verantwoordelijke bewindslieden, terwijl de Amsterdamse 'bende van vier’ nu wordt beschuldigd van sabotage van een goed verlopende politieactie - terwijl er in werkelijkheid sprake was van een wel zeer alarmerend staaltje van ambtelijke ontsporing.
Zeker: de IRT-affaire schreeuwt om personele consequenties. En wel in de richting van de verantwoordelijke minister. Al veel te lang heeft Hirsch Ballin het jusitiële klimaat van dit land vergiftigd met zijn hysterische fixatie op drugsbestrijding. Dit ten koste van alles wat met de grondbeginselen van een behoorlijke rechtsstaat te maken heeft. Het rapport van de commissie-Wierenga had door middel van gehele openbaarmaking van het IRT-dossier een belangrijke dosis tegengas aan deze collectieve vlaag van verstandsverbijstering kunnen leveren, maar de commissie durfde dat blijkbaar niet aan. Volgende week is de Tweede Kamer aan het woord.
Hopelijk is daar wel de vereiste moed aanwezig. Het zou een grote tragedie zijn als de Kamer de aanbevelingen van de premier volgt en besluit de Amsterdamse politietop een kopje kleiner te maken. In dat geval vermoordt men de boodschapper van het slechte nieuws, niet degene die het hele onzalige circus in werking heeft gezet.