In Den haag

Gedwongen huwelijk

Uitgerekend de grootste tegenstanders uit de verkiezingsstrijd zullen nu gedwongen moeten samenwerken. De toon waarop Rutte en Cohen over elkaar spreken stemt somber.

WIE ZAL IN deze kabinetsformatie uiteindelijk moeten toegeven, VVD-leider Mark Rutte of PVDA-leider Job Cohen? Krijgt de eerste zijn zin, dan wordt het een kabinet van VVD, PVDA en CDA. Trekt Cohen aan het langste eind, dan komt er een coalitie van VVD, PVDA, GroenLinks en D66. Of eindigt de kabinetsformatie alsnog in een brede coalitie waarin al deze vijf overgebleven partijen meedoen?
Wat het ook wordt, nadat informateur Uri Rosenthal zijn verkenningsronde eind vorige week had afgesloten, was voor elke nog te onderzoeken coalitie de hamvraag of de tijd de onderlinge wrevel over het hoe dan ook gedwongen huwelijk zal doen verdwijnen of dat die wrevel in de loop der tijd juist zal toenemen?
Tegen elk van de combinaties die de nieuwe informateur, Herman Tjeenk Willink - vice-president van de Raad van State - kon gaan onderzoeken, is een trits aan bezwaren op te noemen. Die bezwaren doen inmiddels al drie weken lang de ronde op het Binnenhof en lijken eerder onwrikbaarder te worden dan dat ze aan kracht inboeten.
Dat was de reden voor de koningin om afgelopen zaterdag Tjeenk Willink te benoemen met als opdracht niet te gaan onderhandelen over een van deze coalitiemogelijkheden, maar om te onderzoeken welke procedure kan leiden tot een keuze uit die mogelijkheden. Wie nog op snelheid had gehoopt in deze kabinetsformatie, weet dat als dit soort bewoordingen nodig zijn die hoop ijdel is.
Na de verkenningfase van Rosenthal waarin een rechtse coalitie van VVD, PVV en CDA vooralsnog afviel, volgde zo de tussenfase van Tjeenk Willink. Het direct benoemen van twee informateurs met een partijpolitieker profiel dan de PVDA'er Tjeenk Willink, die al dertien jaar als vice-president van de Raad van State boven de partijen staat, was volgens de nieuwe informateur niet mogelijk: ‘Zonder die overeenstemming over de procedure zou elke stap die de koningin nu zou zetten kunnen worden uitgelegd als een politieke keuze.’ Had Beatrix dat wel gedaan, zou het land te klein zijn geweest.
De bezwaren tegen de coalities zijn in het kort de volgende. Als CDA en PVDA de partners van de VVD worden, dan zijn twee verliezers van de verkiezingen uit het gevallen kabinet Balkenende IV opnieuw regeringspartij. Die twee nemen ook nog eens hun onderlinge frustraties van de afgelopen jaren mee. Voor de winnaar van de verkiezingen, de VVD, is het in dit kabinet weliswaar gunstig dat het CDA meedoet omdat de liberalen raakvlakken hebben met de christen-democraten, maar voor de PVDA is het juist ongunstig om het linkerbuitenbeetje te zijn in een kabinet met een rechtse meerderheid. Wat kunnen de sociaal-democraten dan verwezenlijken? Dat wordt schieten voor de oppositie.
Andersom geldt dat de VVD zich het rechterbuitenbeentje voelt in Paars Plus, waarin behalve PVDA ook GroenLinks en D66 meeregeren. Cohen benadrukt steeds dat deze coalitie recht doet aan de bij de verkiezingen behaalde winst van de twee kleinere partijen. Maar de VVD vreest de jaren dat ze in het parlement zowel CDA als PVV tegenover zich vindt. Ook dat wordt schieten voor de oppositie.
De verkiezingen van 2010 zouden in dat geval voor de VVD wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een overwinningsnederlaag. De partij is dan weliswaar voor de eerste keer in de geschiedenis de grootste geworden, maar kan die winst niet verzilveren in een door haar beoogde coalitie, en moet bovendien vrezen dat ze haar zetelwinst weer snel ziet verdampen. Paars Plus vergelijken met het eerste paarse kabinet van PVDA, VVD en D66 dat in 1994 aantrad, is een vlieger die niet opgaat. Toen pakte Paars goed uit voor de liberalen en behaalden ze vier jaar later het hoogste zetelaantal ooit - maar destijds had de VVD geen concurrentie op de rechterflank van een partij als de PVV.
Tegen een coalitie van alle vijf is hét bezwaar samen te vatten in een wedervraag die bij D66 de ronde doet: 'Is het oorlog dan?’ Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zou een zo grote coalitie moeten aantreden, is ook het gevoelen bij anderen. De vraag is of de huidige economische crisis in combinatie met het verpulverde politieke landschap, zoals voormalig informateur Rosenthal het uitdrukte, een reden is om de uitgesproken keuzes van de kiezers - hoe versnipperd ook - te belonen met het tegenovergestelde. Het is alsof de politiek zegt: dank je wel, fijn dat jullie naar de stembus kwamen en jullie voorkeuren kenbaar maakten, maar jullie krijgen ons vervolgens (bijna) allemaal.
De echte bottleneck in welke coalitie dan ook is het gedwongen huwelijk tussen VVD en PVDA. Rutte en Cohen vormen samen de romp van elke nu te onderzoeken combinatie. Uitgerekend de twee partijleiders die elkaar in de verkiezingscampagne het meest bestreden, zullen hoe dan ook moeten gaan samenwerken. Waar vergelijkingen met 1994 niet opgaan omdat de geschiedenis zich nooit een op een herhaalt, moet ook voorzichtig worden omgesprongen met verwijzingen naar 2006. Ook toen moesten de grootste tegenstanders uit de verkiezingsstrijd, CDA en PVDA, uiteindelijk met elkaar gaan regeren. Dat leidde tot een moeizame samenwerking en bakken vol wantrouwen.
Zo hard en op de persoon gespeeld ging het er dit keer niet aan toe tijdens de campagne, maar het zijn de kleine opmerkingen en de toon waarop nu in de informatieperiode over elkaar wordt gesproken die somber stemmen. Wie ook het gevecht om het soort coalitie wint, Rutte of Cohen, de bijzondere economische omstandigheden vragen erom dat de winnaar de ander zijn verlies niet constant blijft nadragen en omgekeerd dat de verliezer niet elke beslissing blijft traineren. Het verpulverde politieke landschap dreigt echter de wijsheid te ondergraven dat democratie ook het rekening houden met minderheden is. Die verpulvering leidt juist tot extra profileringsdrift.