Gedwongen ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp moet al jaren doelmatiger en efficiënter. En dus wordt er zo nu en dan door het ministerie van Buitenlandse Zaken een nieuw systeem bedacht om te zorgen dat de talloze organisaties die werken aan een betere wereld dat zo effectief mogelijk doen. Of beter gezegd: om te zorgen dat al die organisaties zo goed mogelijk aantonen dat de subsidies die ze krijgen zinvol besteed worden. Dat ze heel veel impact hebben, en heel sustainable werken, en veel doen met de local population. En dat dan graag voorzien van meetbare doelen en resultaten. Met x euro bouwen wij y scholen die dan fantastisch basisonderwijs verzorgen voor z kinderen, zodat land q uiteindelijk geen armoede meer kent.

Tot zo ver logisch. Minder logisch is het dat het ministerie nu zelf een systeem heeft bedacht dat al die welwillende organisaties dwingt tot inefficiëntie en ingewikkelde overlegstructuren. En hen ondertussen dwingt in een keurslijf waaraan ze vijf jaar vastzitten.
Wat is het geval? Het ministerie heeft bedacht dat het goed is dat organisaties samenwerken en heeft dus - bij de beoordeling van nieuwe aanvragen - een premie gezet op zogeheten allianties. Het afgelopen jaar zag je in ontwikkelingshulpland plots veel organisaties bijna wanhopig op zoek gaan naar partners. Want zonder partners geen subsidie, en zonder subsidie einde organisatie. Er ging veel tijd zitten in dat vinden van partners, en vervolgens in het bedenken wie dan wat zou gaan doen. Bouw jij die scholen in Ghana, doe ik die voorlichtingscampagne in Sri Lanka. De gedwongen samenwerking vrat managementtijd.
Vorige week maakte het ministerie de eerste resultaten bekend. Inderdaad: geen enkele organisatie die het toch had gewaagd zonder partner een aanvraag in te dienen, bleek gehonoreerd. Alleen allianties waren ‘door’. De twintig gelukkigen vertegenwoordigen samen 74 organisaties, dus gemiddeld 3,6 per alliantie. Die moeten nu met elkaar gaan bedenken hoe ze de komende vijf jaar gaan samenwerken, wat ze gaan doen, in welk land, met wie, enzovoort. Een hele batterij aan criteria moeten ze samen invullen. Dat worden weer veel weekenden op de hei met het personeel en managementdagen vol lange vergaderingen.
Uit de resultaten blijkt nog iets: het ministerie heeft een voorkeur voor grote, bestaande organisaties. Geen van de ‘winnaars’ is nieuw. Met andere woorden: kleine, jonge organisaties kunnen alleen nog subsidie verwachten als ze aanhaken bij een van de gevestigde namen. Het systeem is misschien ook te complex voor een jonge club, maar toch: zo blijft de status-quo wel erg gehandhaafd in goede-doelenland.
Die grote hoofdaanvragers worden bovendien direct verantwoordelijk voor het werk van de ‘onderaannemers’. War Child wordt ‘de baas’ van Child Helpline International. Ook dat is vanuit het oogpunt van het ministerie wel logisch - de ambtenaren willen één aanspreekpunt hebben. Maar het betekent dat grote organisaties toezicht moeten gaan houden op de kleinere, dat gesteggel kan ontstaan over rolverdeling, verantwoordelijkheden, managementstructuren. Kortom, samenwerking prima, maar gedwongen voor vijf jaar lijkt het vooral een recept voor gedoe binnen allianties en, wederom, veel kostbaar tijdverlies. Fusies waren beter geweest; dan is tenminste echt sprake van het tegengaan van versnippering.
Al met al lijkt het systeem niet zozeer bedoeld om de hulp efficiënter te maken. Laat staan om ervoor te zorgen dat er uiteindelijk meer geld terechtkomt in de landen waarvoor het bedoeld is. Daarvoor gaat te veel tijd zitten in dure Nederlandse managers en overleguren. Nee, de bottomline is dat het systeem gemaakt is om het voor het ministerie van Buitenlandse Zaken makkelijker te maken. Dat hoeft nog maar één keer per vijf jaar te beslissen en heeft met minder organisaties te maken.