De krijgsmacht van de toekomst

Geef acht… of negen

Het kabinet voert een zigzagbeleid op defensie. Het gevolg is dat ons leger geschikt is voor operaties die juist níet passen bij het Nederlandse buitenlandbeleid.

Medium anp 31444721

Ontspannen, met een hand in zijn zak, ontvouwt premier Rutte zijn defensieplannen tijdens de Algemene Beschouwingen. Er gaat komend jaar 220 miljoen euro extra naar de krijgsmacht en dat bedrag loopt op tot 345 miljoen in de opvolgende jaren. Het moet de kaalgeplukte organisatie in deze tijden van oorlog weer op de been helpen. Dat is ‘een grote stap’ in de richting van een flexibel en modern leger.

De christelijke partijen zijn sceptisch en de fractieleiders verzamelen zich bij de interruptiemicrofoon. Denkt de premier nu werkelijk dat hiermee na miljardenbezuinigingen ons leger weer op grote schaal inzetbaar is? Rutte antwoordt verzoenend: ‘De verbetering gebeurt stap voor stap. En in een meerjarig perspectief is er mogelijk meer nodig. Máár, ik zeg eerlijk dat het afhangt van de beschikbare financiële ruimte en keuzes tussen allerlei prioriteiten.’

Een langetermijnvisie op de gewapende inzet van Nederlandse militairen is daarmee niet dichterbij gekomen. De boekhoudkundige invalshoek gaat nog steeds boven de strategische. Defensie blijft een sluitpost op de begroting en dat heeft inmiddels verregaande gevolgen: volgens de toonaangevende Adviesraad Internationale Veiligheidsvraagstukken (aiv) is er tussen drie en vijf miljard euro nodig om het wegbezuinigde leger weer functioneel te krijgen. Berichten over voertuigen die tijdens een missie draaiende worden gehouden door onderdelen van reservevoertuigen, het ontbreken van oefenmunitie en het schrappen van trainingen lijken die visie te staven.

Tijdens de behandeling van de defensiebegroting volgende week in de Tweede Kamer zal een fundamentele discussie over de toekomstige rol van de krijgsmacht echter niet gevoerd worden. De visies van coalitiegenoten vvd en pvda verschillen wezenlijk van elkaar en dus worden keuzes vooruitgeschoven. Het gevolg van deze patstelling is dat in de afgelopen jaren een leger is ontstaan dat vooral geschikt is voor kleinere en speciale operaties. De humanitaire focus van het Nederlandse buitenlandbeleid, waarbij door langdurige interventies stabiliteit in conflictgebieden moet worden gebracht, is daardoor vrijwel uit het zicht verdwenen.

Waar de politiek geen keuzes maakt, heeft de militaire leiding dat wél gedaan. Sinds de miljardenbezuiniging in 2010 is de krijgsmacht zich noodgedwongen gaan richten op minder dure missies. Tegelijkertijd houdt men rekening met de politieke wens om relevant te blijven voor bondgenoten. Dus operaties worden uitgekozen op hun strategische waarde. Met name de luchtmacht en de special forces van landmacht en marine blijken geschikt om die uit te voeren. De risicovolle verkenningen in Mali, het trainen van Iraakse commando’s en bombardementen op IS zijn daar een voorbeeld van.

Speciale operaties beginnen een zwaartepunt van defensie te worden. Dat is opmerkelijk. Vanwege de beperkte omvang van die missies zijn ze vaker gericht op de korte termijn. In Irak is de missie simpelweg een bijdrage aan het verslaan van IS. Meer niet. Dat staat in sterk contrast met de missies die voorheen werden gedaan, zoals in Uruzgan. Daar werd ook hard gevochten, maar het gebeurde binnen het kader van een omvattende strategie om de relatie tussen strijdende stammen te herstellen, en daarmee de stabiliteit in die Afghaanse provincie. Door zware bezuinigingen kan defensie deze lange missies niet meer uitvoeren. Twaalfduizend functies werden door Rutte I geschrapt en duizenden militairen vertrokken. De tankbataljons werden opgeheven, evenals een squadron van F-16’s.

De special forces zijn doorgegaan met groeien. Waar het Korps Commando Troepen twintig jaar geleden over één compagnie beschikte, zijn het er inmiddels vier. De gefragmenteerde special forces van het korps mariniers zijn gereorganiseerd in de vernieuwde eenheid nlmarsof. En binnenkort begint een pilot bij de landmacht om een bataljon van de Luchtmobiele Brigade om te vormen tot een special forces-light-eenheid.

Deze keuze is logisch. Nu de krijgsmacht alleen nog kleinschalige eenheden in het veld kan brengen die tijdens de zwartste scenario’s ook nog eens overeind moeten blijven, kom je automatisch uit bij deze soort eenheden. Het woord ‘zelfredzaamheid’ staat bij de militairen immers in hoofdletters geschreven. Dat is dé les die zij hebben getrokken na Srebrenica.

‘Wat daar is gebeurd heeft natuurlijk een enorme impact gehad op het moreel van de krijgsmacht’, zegt brigadegeneraal b.d. Ruud Vermeulen van de gezamenlijke officierenvereniging. Hij was na de val van de enclave als commandant van de Koninklijke Militaire School mede verantwoordelijk voor de opbouw van het nieuwe beroepsleger. De gezichten van de terugkerende Dutchbatters staan in zijn geheugen gegrift. Holle ogen, gebogen hoofden. Teleurgesteld in zichzelf. Boos op de politici die hen zonder adequate bewapening naar de gevaarlijkste plek in Bosnië stuurden. ‘Het heeft jaren gekost om die kerels weer enig vertrouwen in zichzelf te geven.’

De vernieuwde opleiding van onderofficieren die Vermeulen introduceerde moest leiden tot anticiperende en zelf nadenkende militairen, die beslissingen kunnen nemen in crisissituaties.

Tijdens de slag om het Afghaanse Chora in 2007 bewezen Nederlandse militairen voor het eerst hun zelfredzaamheid. Dit modderkleurige plaatsje in de gelijknamige vallei werd doelwit van een massale aanval van de Taliban. De missie was nog maar amper een jaar gaande en de Taliban hadden besloten de Nederlanders te testen. Nadat de door Afghaanse agenten bemande controleposten waren overrompeld, sloeg de bevolking op de vlucht richting het districtskantoor en de commandopost van een compagnie van de Luchtmobiele Brigade.

‘We overtuigden onszelf. We zijn een leger, we kunnen vechten en we zijn bereid om de slachtoffers te nemen’

De Nederlandse militairen moesten onder intens vuur terrein prijsgeven. De overmacht van bijna duizend strijders had de kleine groep van zestig militairen verrast. Hun commandant was kapitein Larry Hamers, toevallig een Srebrenica-veteraan. Hij liet de zwarte ‘stotersvlag’ van zijn regiment hijsen op het lokale hoofdkwartier. De boodschap was duidelijk: we lusten jullie rauw. Ze hielden stand tot hulp arriveerde. ‘Het grote verschil met Srebrenica was dat we nu wél de middelen hadden om die lui van de mat te vegen’, vertelde Hamer destijds in De Groene Amsterdammer.

De bevelhebber van Kamp Holland tientallen kilometers verderop gooide vijfhonderd man in de strijd. F-16’s en Apache gevechtshelikopters hingen in de lucht om de grondtroepen te ondersteunen. Dagenlang werd er gevochten tot de controleposten werden heroverd. De Taliban verloren waarschijnlijk honderden strijders tijdens deze slag. Naast meerdere gewonden had Nederland twee gesneuvelden te betreuren.

De overwinning was voor de militairen een bevestiging van de doctrine om altijd zelfredzaam te zijn. ‘In Uruzgan hebben we afscheid genomen van Srebrenica’, zegt Vermeulen. ‘We overtuigden onszelf. We zijn een leger, we kunnen vechten en we zijn bereid om de slachtoffers te nemen.’

In Uruzgan werd ook de basis gelegd voor het huidige Nederlandse veiligheidsbeleid in het buitenland. De militairen, diplomaten en experts van Ontwikkelingssamenwerking wisten gezamenlijk het vertrouwen te winnen van de lokale bevolking. Fundamenteel hierin was de zogeheten geïntegreerde 3D-benadering (defense, diplomacy development) die wordt gekenmerkt door een wisselwerking tussen soft en hard power. Zo hielpen bijvoorbeeld experts van Buitenlandse Zaken de militairen met het begrijpen van de lokale verhoudingen. De Nederlandse militairen zetten een gevecht ook niet door als er risico van burgerslachtoffers bestond. De lokale legitimiteit was immers sneller verspeeld dan opgebouwd.

In de betrekkelijke rust die in de laatste jaren van de missie bestond, konden reconstructieprojecten worden geïntensiveerd. Een Afghaanse ontwikkelingswerker vatte het als volgt samen: ‘De Nederlanders respecteren de gemeenschap, en dus respecteren de mensen hen.’

In de verder moeizaam verlopende Navo-campagne vielen deze successen op. Barack Obama – toen net verkozen als president – baseerde zelfs zijn nieuwe strategie voor geheel Afghanistan op ‘the Dutch approach’. De kiem voor een nieuwe Nederlandse gidsfunctie was gelegd en de krijgsmacht transformeerde tot een belangrijk politiek instrument voor de buitenlandse betrekkingen.

Tijdens het laatste kabinet van Balkenende ontstond daarom een brede politieke consensus dat het leger zich verder moest specialiseren in stabilisatiemissies met de 3D-benadering. De financiering van deze ambitie was een vraagstuk voor het volgende kabinet. De toenmalige minister van Defensie, Eimert Middelkoop, liet wel een groot interdepartementaal onderzoek – de Strategische Verkenningen – verrichten om in de nabije toekomst verantwoorde keuzes te kunnen maken.

De verbazing onder militairen was dan ook groot toen het nieuwe kabinet-Rutte 1 kort daarna één miljard euro op de krijgsmacht bezuinigde zonder de Strategische Verkenningen te raadplegen. De economische crisis had Nederland bereikt en de vvd had zich tijdens de verkiezingen gepositioneerd als sobere boekhouder. De maatregelen gingen regelrecht in tegen de aanbevelingen voor verbeteringen van de 3D-aanpak. Zo benadrukte de Adviesraad Internationale Vraagstukken in het rapport Crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten dat investeringen in defensiepersoneel cruciaal zijn voor het succes van stabilisatiemissies. ‘Als er te weinig grondtroepen zijn zal het proces van wederopbouw slechts langzaam op gang komen. En zal ook de afhankelijkheid van luchtsteun vaak groot zijn, wat de kans op burgerslachtoffers vergroot. Dit ondergraaft het zo belangrijke draagvlak voor de internationale troepenmacht onder de lokale bevolking’, schreven de experts.

Hoe funest de bezuinigingen uitpakken, blijkt uit het voorbeeld van F-16-wapeninstructeurs. Dit zijn ervaren jachtvliegers die andere vliegers tijdens missies begeleiden en trainen. Militairen die in een hinderlaag lopen en onder vuur liggen, raken soms in paniek en maken dan fouten bij het aanvragen van luchtsteun, weet kapitein Sebastiaan, die als wapeninstructeur in Afghanistan vloog. ‘Wij stellen in zo’n situatie via de radio gedetailleerde vragen. Zo brengen we de rust terug en bevestigen we de locatie van het doel. Zo voorkomen we dat onschuldige burgers slachtoffer worden.’ Onder Rutte I vertrokken veel wapeninstructeurs. Sebastiaan: ‘Juist de ervaren mensen vertrokken. Zij waren niet weggestuurd maar zeiden: “Ik kies nu eieren voor mijn geld, want misschien ben ik de volgende.”’

‘De cijferfetisjisten hadden toen de overhand’, stelt cda-Tweede-Kamerlid en defensiefractiespecialist Raymond Knops. Hij betreurt als oud-beroepsmilitair de sleutelrol die zijn partij hierin speelde. Pogingen van Knops om tijdens een partijcongres de defensiebezuinigingen uit het verkiezingsprogramma te krijgen werden door de partijleiding gedwarsboomd. De forse bezuiniging was te belangrijk om de cda-begroting kloppend te krijgen.

Ondanks de bezuinigingen staat de 3D-benadering formeel nog overeind. Minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert heeft bepaald dat het leger hier invulling aan moet geven in de vorm van een specialistische nichekrijgsmacht. d66-Kamerlid en defensiewoordvoerder Wassila Hachchi deelt deze zienswijze. Alleen vindt zij dat de minister nog te veel denkt vanuit een veelzijdig inzetbare krijgsmacht die alles kan. ‘Zo’n soort krijgsmacht kun je alleen nog Europees borgen, waar partners de taken verdelen, wil het financieel houdbaar blijven.’

‘Wat gebeurt er als troepen onder vuur liggen? Dan wil je in je moerstaal om steun van tanks of geschut vragen’

Daarom moeten harde keuzes worden gemaakt, betoogt Hachchi. ‘Zelfs de Fransen beginnen partnerschappen te zoeken omdat zij beseffen dat ze het niet meer alleen aankunnen.’ Bij de d66-visie vervult Nederland dan belangrijke rollen in de lucht en maritieme taken. Daarmee blijft Nederland een relevante partner voor landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk maar ook bondgenoot de Verenigde Staten.

Toch kan Nederland dan op het gebied van 3D een belangrijke rol blijven spelen, meent Hachchi. ‘Je hoeft niet altijd veel manschappen te leveren voor 3D-operaties’, zegt zij. ‘Dat vind ik een ouderwetse strategie. Dan zie je de toekomst van 3D alleen maar in het licht van Nederland als lead nation in een provincie zoals in Uruzgan. Ik zie in de toekomst veel eerder dat je binnen de VN jouw bijdrage levert. Je hoeft dus niet alles zelf te doen. Je levert alleen jouw kernkracht, jouw niche.’

Met specialismen zoals topofficieren bij internationale staven, special forces, onderzeeërs, de luchtmacht en inlichtingenpersoneel hou je Nederland relevant, meent Hachchi. Relatief dure, grootschalige en conventionele eenheden zijn niet meer nodig. Zo kunnen de pantserinfanteriebrigades, die in principe één geheel met de afgeschafte tanks vormden, verdwijnen. Dit zou de facto het einde betekenen van de landmacht, de ruggengraat van de krijgsmacht. Dat is geen probleem, vindt Hachchi: ‘De landkant kun je grotendeels afschaffen, als Nederland zijnde. Als je daarmee – en dat is het cruciale gedeelte – garandeert dat je met Europese samenwerking via de buurlanden die capaciteiten behoudt als je ze zelf nodig hebt.’

Generaal-majoor b.d. Harm de Jonge, bestuurslid van de beroepsvereniging voor officieren en burgerpersoneel gov/mhb, vindt deze visie uiterst naïef. ‘Het is voorbarig om competenties af te stoten terwijl er überhaupt geen breed gedragen Europees defensiebeleid is.’ Natuurlijk kunnen logistieke taken best op Europees niveau georganiseerd worden, maar gevechtstaken overdragen? ‘Levensgevaarlijk.’ De ‘lichte’ Nederlandse voetsoldaten zouden dan moeten samenwerken met zware eenheden (tanks) van andere landen omdat we die zelf niet meer hebben. ‘Die eenheden hebben andere procedures en spreken een andere taal. Wat gebeurt er als troepen onder vuur liggen? Je hebt geen tijd om een woordenboekje te pakken. Dan wil je in je moerstaal om steun van tanks of geschut kunnen vragen.’

Het interne defensierapport Van eredivisie naar Europees voetbal – in handen van De Groene Amsterdammer – toont het scherpe contrast tussen de Haagse werkelijkheid en de militaire praktijk. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de officieren overbelast zijn, waardoor ze zich onvoldoende kunnen specialiseren om binnen een internationale staf uit te blinken als vertegenwoordiger van een hoogwaardige nichekrijgsmacht. De onderzoekers stellen dat de drie maanden die militairen krijgen om zich voor te bereiden op uitzendingen niet meer toereikend zijn. Ze worden met te weinig intellectuele bagage op pad gestuurd.

De rek is eruit, vindt Harm de Jonge: ‘Sinds de bezuinigingen heeft een bevelhebber bijvoorbeeld niet meer de ruimte om tegen een talentvol militair te zeggen: “Ga een jaar studeren aan de Universiteit van Amsterdam om nieuwe inzichten op te doen die onze organisatie nodig heeft.”’

‘Wij zijn al twintig jaar lang elke dag bezig met het beantwoorden van vragen als: welke operaties moeten we over tien of vijftien jaar uitvoeren en welke problemen kunnen we dan over het hoofd hebben gezien?’ Kolonel Jan Swillens is commandant van het Korps Commando Troepen (kct). Voor zijn eenheden werft de landmacht nog wél personeel: met kekke commercials op tv en social media worden zogenaamde special forces operators aangetrokken. In de klassieke vechtjas heeft Swillens echter geen interesse, hij heeft met name denkers nodig: ‘Het is vrij eenvoudig om iemand te drillen om een deur in te trappen en met een mes tussen de tanden te vechten. Maar de wereld wordt complexer en daarom de missies ook. Nu moet een commando of marinier zijn talen kennen om de lokale bevolking te doorgronden, zodat hij beseft: “Als ik nu die deur intrap, heeft de missie daar nog een half jaar last van.” Dat is de intellectuele verdieping die we nu nodig hebben.’

De speciale eenheden zitten de laatste jaren zelden stil. Zo dringen commando’s en mariniers nu diep door in het noordelijke Mali om samen met de inlichtingeneenheden de militaire en politieke situatie in kaart te brengen voor de VN. ‘Onze partners waarderen dit zeer’, weet Swillens. ‘Het klinkt misschien raar, maar VN-vredesmissies hadden nooit een inlichtingenapparaat, terwijl dat onmisbaar is. Wij leggen nu de basis.’ Daarnaast bereiden de special forces dit jaar ook Iraakse commando’s voor op de strijd tegen IS. Swillens: ‘We zijn klein, en je kunt ons relatief goedkoop voor een veelheid van taken inzetten.’

De krijgsmacht onderzoekt nu of een van de bataljons van de Luchtmobiele Brigade getransformeerd kan worden tot een special forces-light-eenheid, in de vorm van een zogeheten Ranger-bataljon. Swillens: ‘In Afghanistan misten wij bijvoorbeeld een explosievenopruimingsdienst, mortiersteun en extra infanterie. Dus voor grotere klussen zochten we op de basis onder de reguliere eenheden wie we nodig hadden en na twee dagen voorbereiden gingen we de poort uit. Je bent dan niet optimaal op elkaar ingespeeld. Dus wij willen een dedicated eenheid die vast wordt gekoppeld aan de special forces en maar één taak heeft: het ondersteunen van speciale operaties.’

De uiterst getrainde special forces, die worden ondersteund door de luchtmacht en een Ranger-onderdeel, zullen vooral risicovolle operaties of gevechtsmissies uitvoeren. Opbouwmissies die voortzettingvermogen vereisen worden lastig uit te voeren.

De samenhang met het veiligheidsbeleid zoals door opeenvolgende regeringen uiteengezet, is daardoor vervaagd. Zo halen elitetroepen in Mali wel de hete kastanjes uit het vuur, maar heeft Nederland minder controle over hoe de vergaarde inlichtingen door partnerlanden worden gebruikt om de prioriteit van Buitenlandse Zaken – langdurige stabiliteit – te bevorderen. Toch houdt dit kabinet voor de bühne vol, bij monde van minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, dat ‘lange-termijninterventies’ prioriteit hebben. In de praktijk gebeurt het tegenovergestelde.

Een groot debat hierover blijft echter uit. Coalitiegenoten pvda en vvd hebben een totaal andere visie op wat voor krijgsmacht Nederland nodig heeft. De sociaal-democraten zijn juist van de langdurige humanitaire missies die verscheurde samenlevingen moeten helpen opbouwen, terwijl de liberalen als realpolitikers nooit hebben geloofd in dit maakbare aspect. Zij willen geen jarenlang geploeter in een woestijn, maar gericht lokale bondgenoten militair steunen om daar gevaren voor het Westen in te dammen. De huidige militaire praktijk strookt helemaal met de vvd-visie, de pvda heeft dat laten gebeuren.

Het resultaat is een opdracht aan de militairen om zich voor te bereiden op missies die de voorkeur hebben van de pvda, terwijl de organisatie wordt ingericht op de vvd-wensen. Een beleidsmatige spagaat die de oppositiepartijen volop munitie biedt tijdens de komende behandeling van de defensiebegroting.


Beeld: Nederlandse trainers in de Iraakse stad Erbil tijdens het opleiden van Koerdische pesjmerga-strijders. Foto Evert-Jan Daniels / ANP.