Bedrijven als politiek activisten

Geef China van katoen

Steeds vaker nemen bedrijven stelling in controversiële maatschappelijke kwesties. Van winstmachine transformeren zij tot belangenbehartigers, met een flinke zak geld om de zaken hun kant op te sturen. Hoe democratisch is dit?

Op 14 april brachten meer dan zevenhonderd bedrijven in Amerika een opmerkelijk statement uit in de landelijke kranten, onder de titel: We Stand for Democracy. A Government by the People, for the People. De bijdrage was een protest tegen de plannen van Republikeinen in battle ground state Georgia om restrictieve kieswetten in te voeren, na het verlies van de staat bij de Congresverkiezingen aan de Democraten. Die kieswetten zouden met name kiezers in zwarte en armere districten allerlei praktische beperkingen opleggen om hun stem uit te brengen. Grote bedrijven in Georgia, waaronder Delta Airlines, Coca-Cola en AT&T, spraken zich daartegen uit.

Activisten en ngo’s verwelkomden dit staaltje politiek activisme vanuit de hoek van bedrijven. Voor zover zij al kritisch waren, was het omdat de bedrijven naar hun smaak niet ver genoeg gingen in hun veroordeling van de betreffende wetten.

Ongeveer rond dezelfde tijd besloot het Zweedse bedrijf H&M geen katoen meer te gebruiken uit de Chinese provincie Xinjiang. Het was een reactie op signalen dat bij de productie van katoen sprake zou zijn van dwangarbeid door Oeigoeren. Het gevolg van de beslissing was een hausse van woedende reacties van Chinezen op de sociale media, en ook fysiek geweld tegen de winkels. Ook werd het bedrijf geboycot door e-platform Alibaba.

H&M zag zich gedwongen enkele filialen in China te sluiten. Uiteindelijk bracht het bedrijf een verzoenend statement uit waarin het zegt te willen werken aan ‘toekomstgerichte strategieën (…) met betrekking tot de inkoop van materialen’. H&M stelde ‘geen enkele politieke positie te representeren’. Ook andere bedrijven, zoals Nike, kregen te maken met een maatschappelijke en politieke backlash in China nadat zij weigerden nog langer katoen uit Xinjiang te gebruiken.

In Nederland ondertussen doneerde ondernemer Steven Schuurman een miljoen euro aan d66 en 350.000 euro aan de Partij voor de Dieren voor hun Tweede-Kamercampagnes. Sven Kockelmann vroeg hem in Op1 of we geen Amerikaanse toestanden zouden krijgen als in Nederland allerlei miljonairs politieke partijen zouden gaan sponsoren, waarbij sommige partijen rijk zijn en andere arm, en politieke invloed dus te koop is. Schuurman antwoordde: ‘Ik denk dat als ze allemaal aan de juiste partijen geven die de juiste visie hebben om Nederland naar een volgend plan te tillen, dat op zich niet eens zo’n slechte zaak zou zijn.’

Ook d66 zag het probleem niet. De partij beriep zich erop dat alles volgens de regels was gegaan en Schuurman geen invloed had gehad op het verkiezingsprogramma.

Deze en andere voorbeelden tonen een groot ongemak aan rondom politiek activisme van ondernemers en bedrijven. Aan de ene kant worden bedrijven geprezen wanneer zij ‘het juiste’ doen, in de ogen van journalisten, ngo’s of burgers op de sociale media. Maar wanneer zij ‘het verkeerde’ doen worden zij bekritiseerd omdat zij zich schuldig maken aan politiek activisme. Deze houding riekt naar opportunisme. Wanneer bedrijven het goede doen, bedrijven zij natuurlijk net zo goed politiek activisme.

De Republikeinse Senator Mitch McConnell waarschuwde corporate Amerika om ‘uit de politiek te blijven’, want: ‘It’s not what you’re designed for.’ Maar de Republikeinen stonden te juichen toen tien jaar geleden het Hooggerechtshof in de VS in de Citizens United-zaak bedrijven het recht gaf ongelimiteerd politieke campagnes te sponsoren, omdat dit zou vallen onder… de ‘vrijheid van meningsuiting’. Schuurman verwoordt ditzelfde opportunisme openlijk wanneer hij zegt dat het doel (voor hem: klimaatverandering bestrijden) de middelen (politieke beïnvloeding) heiligt, en iedere miljonair die de goede zaak steunt om die reden geen bedreiging voor de democratie vormt.

De grote vraag is wat een niet-opportunistische visie zou inhouden. Moeten bedrijven ophouden met politiek activisme? Of zijn er andere wegen?

—————

Openlijk politiek activisme vloeit voort uit een nieuwe verwachting ten aanzien van bedrijven. In zijn artikel ‘Voorbij de aandeelhouders’ (De Groene, 8 oktober 2020) liet Diederik Baazil zien hoe het idee van ‘stakeholderkapitalisme’ steeds meer sympathisanten krijgt. Dit zou een afscheid betekenen van het aandeelhouderskapitalisme van Milton Friedman, waarin maximale winst voor aandeelhouders centraal staat.

Friedmans doctrine was: ‘The social responsibility of business is to increase its profits.’ Dat wordt vaak vereenzelvigd met een bedrijfscultuur van gewetenloos geld najagen. Maar dat is te simpel. Friedmans stellingname is de uitdrukking van een geloof in de liberale taakverdeling. In een liberale samenleving is het de rol van bedrijven om zich op te stellen als winstmachines voor hun aandeelhouders. Andere belangen worden door anderen behartigd. Werknemers en de meeste andere stakeholders kunnen heel goed via de contractonderhandelingen met bedrijven hun eigen belangen vertegenwoordigen. Daar waar er geen niet-contracteerbare publieke belangen zijn, moet de overheid die via regulering behartigen.

Bedrijven concentreren zich dus op wat ‘goed voor hen’ is; stakeholders, zoals werknemers of klanten, doen dat ook. De overheid regelt de zaken die ‘goed voor ons allen’ zijn. Door het samenspel van al deze krachten komt een bloeiende economie tot stand, onder politiek toezicht van een overheid die ingrijpt als de sterkere spelers de zwakkere dreigen te vermorzelen. De sferen van economie (privaat) en politiek (publiek) zijn in dit liberale model scherp gescheiden, en alle spelers moeten rolvast blijven.

De roep om het stakeholderkapitalisme komt voort uit de breakdown van deze overzichtelijke liberale taakverdeling. De macht van vakbonden is afgenomen, overheden concurreren nu met elkaar om gunstige vestigingsvoorwaarden en de behartiging van milieubelangen schiet schromelijk te kort. Daarom moeten bedrijven nu zelf de belangen van een bredere kring belanghebbenden serieuzer gaan nemen: werknemers, klanten, lokale gemeenschappen, en ja, zelfs toekomstige generaties.

Maar dat betekent ook dat bedrijven zich veel vaker een oordeel zullen moeten aanmeten over allerlei controversiële kwesties. Zijn de arbeidsomstandigheden van de Oeigoeren nog acceptabel? Kan een juridisch correcte schenking aan een politieke partij moreel door de beugel? Moeten bedrijven zich bemoeien met voorstellen tot aanpassing van kieswetten? De winstmachine transformeert tot een quasi-publieke belangenbehartiger, met politiek gekleurde opvattingen over van alles en nog wat. Maar dan met een flinke zak geld om die opvattingen om te zetten in daden. Is dat wat we willen?

De aanhangers van Friedman zien er niets in. En zij werpen de voorstanders van het stakeholdermodel een niet te negeren verwijt voor de voeten: dit alles is ondemocratisch. In een fatsoenlijke democratie nemen overheden politiek gevoelige beslissingen, niet bedrijven. Het stakeholdermodel geeft de vrije hand aan bazen van grote bedrijven om de politiek te beïnvloeden.

Natuurlijk bedreven bedrijven altijd al politiek activisme, maar dan achter de schermen en ten behoeve van de zakelijke belangen van de winstmachine. In die zin was de liberale taakverdeling van Friedman altijd al meer fictie dan feit. Zo bleek onlangs nog uit een rapport van de Open State Foundation in Nederland dat bedrijven een veel gunstiger toegang tot het oor van de minister hebben dan burgers en niet-commerciële organisaties. En grotere bedrijven hebben weer een streepje voor op kleinere.

In een fatsoenlijke democratie nemen overheden politiek gevoelige besluiten, niet bedrijven

Waar dit rapport slechts de officieel in de agenda ingeschreven afspraken vermeldt, is de praktijk waarschijnlijk nog schever. En de onderwerpen van die afspraken blijven geheim. Het is een enorme omissie dat dit in het huidige debat over politieke cultuur (‘macht en tegenmacht’) volledig buiten schot blijft. Dit alles is, hoewel treurig, al zo oud als de weg naar Rome.

Het nieuwe politieke activisme dat uit het stakeholderkapitalisme voortkomt, is in twee opzichten anders. Ten eerste is de maatschappelijke verwachting dat bedrijven politiek activisme niet achter gesloten deuren bedrijven, maar in het openbaar. Ten tweede gaat het nu om activisme ten behoeve van bredere maatschappelijke belangen, niet ten behoeve van de eigen winstrekening. In de praktijk zien we groot ongemak van bedrijven met deze nieuwe rol. Zo ondervroeg Alexander Pechtold in een recente tv-uitzending van De achterkant van het gelijk zes ceo’s van Nederlandse bedrijven over de dilemma’s van het internationaal zakendoen. Kun je nog investeren in landen met de doodstraf, landen waar homorechten niet bestaan, of landen waar minderheden worden vervolgd? Voor sommigen, zoals Peter Berdowksi (Boskalis), waren de internationaal vastgestelde normen leidend bij wat niet kan. En voor de rest gold: ’s lands wijs ’s lands eer.

Voor anderen waren de eigen normen van het bedrijf leidend. Maar wat zijn die eigen normen? Hanneke Faber (Unilever) gaf een mooi voorbeeld: Unilever heeft enerzijds uitgesproken ideeën over gelijke rechten voor homoseksuelen. Tegelijkertijd zijn er ook werknemers, zoals die in Indonesië, die daar anders over denken. Dat leidt tot permanent ‘schipperen’, gaf zij toe. Dat schipperen vindt niet alleen intern plaats, maar ook tussen bedrijf en overheden. Zo gaf Faber ook aan niet te investeren in landen waar vrouwen niet mogen werken, ‘of we zorgen ervoor, met de regering van Saoedi-Arabië, dat ze wel mogen werken op onze kantoren’.

Geconfronteerd met deze dilemma’s zou men haast gaan terugverlangen naar de overzichtelijke wereld van Friedman, waarin elke speler zijn afgebakende rol had. Sommigen zetten dan ook vol in op de rol van overheden, die hun regulerende rol met meer kracht moeten vervullen, ook internationaal. Alleen zo kunnen bedrijven effectief worden gecontroleerd. Er is op zichzelf niets tegen pleidooien voor effectief regulerende overheden. Maar de wereld van de liberale taakverdeling komt niet meer terug. Al was het maar omdat die wereld nooit heeft bestaan. Bedrijven hebben altijd aan politiek activisme gedaan, al was dat bij voorkeur heimelijk. De keuze is niet tussen een wereld waarin bedrijven politiek stellingnemen in woord en daad en een wereld waarin zij dat niet doen. De keuze is tussen een wereld waarin daar wel of geen democratische controle op is. >

Met de verdere transformatie van bedrijven van winstmachines tot belangenbehartigers van diverse stakeholders wordt dit vraagstuk veel urgenter. Hoe de politieke rol van bedrijven te begrijpen?

—————

‘Burgerschap’ lijkt daarvoor de geëigende metafoor. Politiek gaat over de toepassing van dwang. Er zijn twee politieke rollen. De regering maakt de regels, burgers zijn als ‘onderdanen’ aan die regels onderworpen. Als burgers niet gehoorzamen, komen politiek en justitie in actie. De regering heeft het recht om macht uit te oefenen, burgers hebben de plicht tot gehoorzaamheid.

Als bedrijven niet louter winst-maximaliserende machines zijn, maar politieke spelers, zijn zij dan burgers of regering? Welke politieke rol spelen zij? Bedrijven zelf kiezen zonder uitzondering voor de rol van burger, zoals de wijdverbreide term corporate citizenship illustreert. Maar is dat terecht?

Het ideaal van goed burgerschap wijst op een vrijwillige opoffering voor het ‘algemeen belang’. In een goed functionerende samenleving gedragen burgers zich als goede burgers, ook als oom agent even niet kijkt. Zij accepteren de machtsuitoefening van de regering vrijwillig, internaliseren de regels in het eigen gedrag. Waar de regels, zoals zo vaak, niet helemaal duidelijk zijn, proberen goede burgers te handelen naar de ‘geest van de regels’ en niet een eigen voordeel te behalen met verwijzing naar de ‘letter van de wet’. Daarmee is de invulling die men geeft aan het eigen burgerschap een politieke stellingname. Burgerschap is een politieke rol. Dit ideaal van goed burgerschap lijkt op het eerste gezicht ook van toepassing op bedrijven. Omdat zij net als individuele burgers onderworpen zijn aan overheidsregels zien ook zij zich gesteld voor de vraag: volg ik de regels vrijwillig en ruimhartig, of zoek ik de randen van de wet op? Voor sommige vraagstukken van maatschappelijk verantwoord ondernemen (zoals belastingbetaling) is dit dan ook de juiste metafoor. Net zoals een goede burger belasting betaalt, afval scheidt en anderhalve meter afstand houdt, zo onderwerpen ook bedrijven zich als good corporate citizens aan de wetten en normen van het land. Zij betalen netjes belasting, dumpen geen illegaal afval en implementeren gezagsgetrouw de coronaregels voor werknemers.

Maar voor veel vormen van politiek activisme door bedrijven is burgerschap niet de juiste metafoor. Bedrijven, althans de grote, oefenen immers macht uit over burgers en samenlevingen. Daarmee zijn ze eerder quasi-regeringen dan quasi-burgers. Toen Twitter en Facebook Donald Trump van hun platforms weerden, oefenden zij politieke macht uit. Ze gaven daarmee een belangrijke wending aan de politieke verhoudingen in de Verenigde Staten. Op het moment dat farmaceutische bedrijven hun patenten niet beschikbaar maken voor armere landen, oefenen zij ook politieke macht uit. Zij nemen dan beslissingen die het lot van hele samenlevingen beïnvloeden.

Daar komt nog iets bij. Legitieme politiek gaat over de democratische controle op de regering door diezelfde burgers. De burgers worden de ‘auteurs van de wetten’ waaraan zij zelf onderworpen zijn, burgerschap is daarmee het ‘hoogste politieke ambt’ in een democratie. Democratie is collectieve zelfbeschikking, waarin burgers zichzelf vertegenwoordigen.

Maar een bedrijf vertegenwoordigt niet zichzelf, want een bedrijf is geen mens. Een bedrijf kan alleen anderen vertegenwoordigen. Het eerdergenoemde voorbeeld van Hanneke Faber illustreert dit: moet Unilever nu de belangen van de lhbtiq-gemeenschap vertegenwoordigen of die van haar meer conservatieve Indonesische werknemers? Bedrijven hebben helemaal geen interne democratische mechanismen om dit soort waardenconflicten te beslechten. In afwezigheid daarvan regeert de wil van een sterke oprichter-ceo, of de wil van de klanten die anders weglopen.

De toepassing van het idee van burgerschap op bedrijven is daarom een voorbeeld van ‘twee stappen vooruit, één achteruit’. Het erkent het onvermijdelijk politieke karakter van veel beslissingen in bedrijven. Maar het plaatst hen in de verkeerde politieke categorie.

—————

Als quasi-regeringen zouden bedrijven in een democratische samenleving, net als gewone regeringen, aan de controle van burgers onderworpen moeten worden. Precies dat is wat de komende tijd op het spel staat. In plaats van te denken in termen van een dichotomie van burgers enerzijds (inclusief bedrijven) en de overheid anderzijds, moeten we denken in termen van burgers enerzijds en overheden (inclusief bedrijven) anderzijds.

Of, omdat bedrijven ook burgers zijn in relatie tot de overheid, is het waarschijnlijk beter in termen van een ingewikkelde driehoeksrelatie te denken: burgers, overheden en bedrijven. Voor zover bedrijven politieke spelers zijn, is een nieuwe, rechtstreekse verantwoordingsrelatie richting burgers nodig. Dat is terra incognita. Die verantwoording moet niet de vorm krijgen van een door bedrijven vrijwillig geïnitieerde stakeholderconsultatie die geen verdere verplichtingen schept. Nee, hier gaat het om door burgers afgedwongen verantwoording waaraan reële consequenties verbonden zijn.

Een interessant experiment is de Oversight Board die Facebook heeft opgericht. Deze bestaat uit veertig experts uit allerlei landen die uitspraken doen over welke meningsuitingen Facebook wel en welke niet van zijn platforms moet verwijderen. De Oversight Board is onafhankelijk, een eigen organisatie met eigen financiering door een aparte stichting. De uitspraken die zij doet zijn bindend voor Facebook. Elke Facebook-gebruiker kan zijn of haar zaak voorleggen aan de Oversight Board.

Deze structuur is natuurlijk niet perfect democratisch, omdat het Facebooks vrijwillige beslissing was zich eraan te onderwerpen. Dat impliceert dat Facebook – tegen hoge reputatiekosten – die onderwerping ook weer kan opheffen als het dat zou willen. Ook worden de leden van de Oversight Board niet gekozen door de burgers van de wereld of door de gebruikers van Facebook, maar door de huidige leden (coöptatie). Toch is het opmerkelijk dat een deel van de maatschappelijk gevoelige beslissingen van Facebook nu onderworpen is aan externe controle. Deze experts worden geacht het ‘publieke belang’ te dienen en vervullen daarmee een politieke rol.

In de praktijk zitten veel bedrijven nog steeds gevangen in de eisen van de aandeelhouders

Ook de recente rechtszaak van Milieudefensie tegen Shell duidt op een nieuwe vorm van verantwoording van bedrijven. De rechtbank Den Haag dwong Shell in haar vonnis om de uitstoot van CO2 veel sneller terug te dringen dan Shell van plan was. De mensenrechten vormden hiervoor het voornaamste aangrijpingspunt. De uitstoot van CO2 bedreigt het recht op leven en gezondheid van huidige en toekomstige generaties.

Deze inzet van de mensenrechten tegen Shell is op zichzelf een teken van verschuivende panelen. Immers, mensenrechten zijn ooit begonnen als een bescherming van burgers tegen de macht van tirannieke overheden. Dat zij nu deel uitmaken van het normenkader voor bedrijven toont aan dat burgers ook tegenover de macht van bedrijven bescherming nodig hebben.

Het rechterlijk activisme in de Shell-zaak is daarmee natuurlijk nog geen schoolvoorbeeld van democratische verantwoording. De meest gehoorde kritiek op de uitspraak was dan ook dat de rechter hiermee ‘op de stoel van de politiek’ is gaan zitten. Of dat nu terecht is of niet, burgers waren natuurlijk op een bepaalde manier wel betrokken in de zaak, namelijk via Milieudefensie (en de andere partijen die zich bij Milieudefensie voegden). Stichtingen die namens het algemeen belang procederen zijn een nieuwe factor om rekening mee te houden.

Maar ook hier kun je de vraag stellen, net als bij de experts van Facebooks Oversight Board: wie vertegenwoordigen zij eigenlijk? Ngo’s kunnen uiteindelijk niet claimen alle burgers te vertegenwoordigen, maar alleen degenen die hun visie op het algemeen belang delen. En zo blijft het zoeken naar instituties die een stem geven aan burgers zelf. Nieuwe instituties die echte tegenmacht kunnen bieden door bedrijven effectief te controleren op hun politieke woorden en daden.

In de wetenschap worden daarvoor op dit moment regelmatig ideeën gelanceerd. Zo betoogden enkele hoogleraren ondernemingsrecht onder aanvoering van Jaap Winter dat grote bedrijven een Maatschappelijke Raad zouden moeten hebben. Daarin zouden de belangrijkste stakeholders van de onderneming kunnen zitten. In de publieke sector is dat al meer gebruikelijk: denk aan ouderraden op scholen of patiëntenorganisaties in de zorg. Met een beetje fantasie kan men hierin een nieuwe kamer zien, die zich als tegenhanger van de aandeelhoudersvergadering kan ontwikkelen, net zoals in veel politieke systemen twee kamers in het parlement bestaan die elk een eigen functie hebben.

In zijn recente proefschrift hield Samuel Garcia Nelen, promovendus aan de Erasmus Universiteit, een vergelijkbaar pleidooi voor een nieuwe ‘participantenvennootschap’. Daarin zouden alle stakeholders als participanten stemrecht krijgen in een participantenvergadering, op gelijke hoogte met aandeelhouders. Interessant is dat hij voorstelt dat het stemrecht zou moeten vervallen wanneer stakeholders geen bijdrage aan de onderneming meer leveren. In zijn visie betekent dit dat aandeelhouders hun stemrecht verliezen wanneer zij via dividenden het bedrag van hun oorspronkelijke inleg hebben teruggekregen. Dat zou werkelijk een stap betekenen in het doorbreken van de dominantie van aandeelhouders.

Ook deze voorstellen zetten burgers nog in een specifieke rol, die van stakeholder van het bedrijf. Ze hebben dan inspraak als werknemer, leverancier, omwonende, klant et cetera. Ook dan behartigen ze niet het algemeen belang, maar het specifieke belang van de stakeholdergroep die ze representeren. Is het ook mogelijk om burgers als burgers aan te spreken? Elders deed ik een voorstel voor een corporate social audit, een vijfjaarlijkse evaluatie van alle grote bedrijven op hun maatschappelijke prestaties. Daarin zouden ecologische, sociale en andere niet-financiële bijdragen van bedrijven aan de samenleving kunnen worden beoordeeld aan de hand van een aantal van tevoren bekendgemaakte criteria. Het opstellen van die criteria zou kunnen gebeuren door een conventie van burgers, die door het lot daartoe gekozen zijn. In het recente verleden hebben deliberatieve experimenten in andere landen aangetoond dat burgers deze verantwoordelijkheid prima aankunnen, mits dit goed wordt begeleid en ingebed.

Deze en andere ideeën wijzen allemaal in dezelfde richting. Naar nieuwe vormen om het stakeholderkapitalisme in democratisch opzicht vlees op de botten te geven. Maar dat roept een laatste vraag op.

—————

Welke economische omwenteling vereist het nieuwe politiek activisme van bedrijven? Zelfs als nieuwe vormen van democratische verantwoording ingang zouden vinden, blijft het vaak lastig om voorbij de eisen van aandeelhouders te gaan. Hoewel de maatschappelijke verwachtingen snel verschuiven, is de praktijk nog niet altijd zo ver.

In de praktijk zitten veel bedrijven nog steeds gevangen in de eisen van het aandeelhouderskapitalisme. Een sterk staaltje daarvan levert recent onderzoek van Emilio Marti van de Erasmus Universiteit. Samen met collega’s onderzocht hij de activiteiten van hedgefunds in de laatste twintig jaar. Het blijkt dat bedrijven die signalen afgeven dat zij welwillend staan tegenover maatschappelijk verantwoord ondernemen vaker door hedgefunds worden getarget voor een overname. Het idee daarachter: bij die bedrijven is blijkbaar, vanuit het perspectief van winstmaximalisatie, nog vet op de botten. De maatschappelijk verantwoorde acties ten bate van stakeholders vertegenwoordigen onnodige kosten voor de aandeelhouders, vanuit de korte-termijn-investeringshorizon van de hedgefunds. Na een overname kan in die kosten worden gesneden en de winst worden opgevoerd.

Ook dit ongemak zagen we terug bij de ceo’s in De achterkant van het gelijk. Pechtold prikkelde hen met een fictieve casus waarin een onderzoeker in dienst van een bedrijf een denkbeeldige uitvinding doet die het plasticprobleem de wereld uit helpt. Moet het bedrijf die uitvinding niet gratis weggeven? Hoe dat aan het buurjongetje uit te leggen?

De meeste ceo’s vielen in hun antwoorden terug op de noodzaak winst te maken, voor de continuïteit van het bedrijf. Men wilde nog wel denken over een ‘aantrekkelijke prijsstelling’, maar daarmee was de grens bereikt. Ook in het stakeholderkapitalisme overleeft in de kern de opvatting van het bedrijf als winstmachine. En dat is geheel begrijpelijk, zolang overleven op de markt voor bedrijven het equivalent is van ‘de volgende dag halen’ voor gewone mensen.

De democratische taak is daarom niet alleen om nieuwe instituties voor verantwoording te creëren, maar ook om handelen conform bredere maatschappelijke normen profitable te maken voor bedrijven. Het vereist dus instituties die een prijskaartje hangen aan maatschappelijk onwenselijk geacht gedrag. Economen spreken van het internaliseren van externe kosten. Om maar iets te noemen: bedrijven die een Oversight Board oprichten en zich aan haar oordelen houden, zouden een belastingkorting kunnen krijgen. Het Impact Institute moedigt bedrijven aan om een geïntegreerde jaarrekening te maken. Onderaan staat dan niet alleen de financiële winst, maar ook de maatschappelijke winst die de som is van alle prestaties van het bedrijf – naast de financiële ook de ecologische en maatschappelijke prestaties. Dat vereist een betrouwbare methodologie, die nu nog in de kinderschoenen staat. Dat zou het uiteindelijk mogelijk moeten maken om over die maatschappelijke winst belasting te gaan betalen. Daarvan zou een enorme stimulans uit kunnen gaan.

Een vergelijkbare gedachte ligt onder een recent voorstel van Kees Cools, Bernard ter Haar en Jaap de Keijzer voor invoering van een progressieve winstbelasting. Zo’n belasting zou kunnen helpen om de negatieve effecten van een te sterke nadruk op aandeelhoudersrendement in te dammen. Het maakt meer investeren in werknemers, milieu en omgeving lonend.

Het stakeholderkapitalisme zal democratisch legitiem én economisch effectief moeten zijn, of het zal niet zijn. Voor beide is nog een lange weg te gaan. Toch is dit noodzakelijk, al was het maar omdat bedrijven zich nu op glad ijs wagen als zij hun nek uitsteken en zich maatschappelijk profileren. Al gauw krijgen zij het verwijt te weinig te doen en daarmee hun profiel te willen ‘greenwashen’.

Daarvan zijn inderdaad genoeg voorbeelden te geven. Wanneer bedrijven niet effectief ter verantwoording kunnen worden geroepen, blijft het voor buitenstaanders niet controleerbaar welke van hun maatschappelijke en politieke stellingnames serieus zijn en welke halfhartige gebaren voor de bühne. Dat ondermijnt het vertrouwen van burgers in bedrijven, en dat is uiteindelijk voor niemand goed. Vertrouwen is immers het fundament voor een florerende handel, in het oude en het nieuwe kapitalisme.


Rutger Claassen is hoogleraar politieke filosofie en economische ethiek aan de Universiteit Utrecht