‘Geef mij de controle over het geld van de natie en het maakt mij niet uit wie de wetten maakt’, aldus naar verluidt Mayer Amschel Rothschild, de stamvader van het roemruchte bankiersgeslacht naar wiens gunsten keizers en koningen dongen in de achttiende en negentiende eeuw. Tweehonderd jaar later kwam James Carville tot een vergelijkbare conclusie. De politiek adviseur van president Bill Clinton zag hoe de financiële markten het beleid dicteerden en stelde tot zijn verbazing vast: ‘Ik dacht altijd dat als reïncarnatie mogelijk was, ik terug wilde komen als de president of de paus of als een tophonkballer. Maar nu kies ik ervoor om terug te komen als de obligatiemarkt. Dan is iedereen bang voor je.’

Geld is macht. Met geld kun je vrijwel alles en iedereen in beweging brengen. Wie het geld schept en beslist over de inzet daarvan is misschien wel machtiger dan de politiek leiders die doorgaans toch als de hoogste macht worden gezien. Deze politiek leiders zijn door de eeuwen heen juist steeds meer op afstand gezet van de geldschepping.

De welbekende trias politica van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht laat de vierde, de geldscheppende macht, buiten beschouwing. Dat maakt deze tot de meest onafhankelijke macht. Want wie zijn werk onzichtbaar en in stilte doet is vrij van elke druk van buitenaf. Wie weet er dat het meeste geld gecreëerd wordt door de private commerciële banken? En dat de centrale banken daarover de regie voeren door middels de rentestand de geldschepping af te remmen en aan te jagen?

Toch kent ook de macht van de geldscheppers grenzen. Want als er te overvloedig geld wordt geschapen, kan datzelfde geld zijn waarde verliezen. Voor een oneindige hoeveelheid geld koop je dan evengoed niets. Dat ondervinden momenteel de machthebbers in Venezuela. Zij hoopten door met geld te strooien hun macht te bestendigen. Maar heel veel van niets weggeven maakt je niet populair. In 2020 bedroeg de inflatie van de Venezolaanse bolivar meer dan tweeduizend procent.

Misbruik van de geldschepping leidt tot chaos en verval. Die dure les hebben we de afgelopen eeuwen geleerd. Daarom is de macht over het geld steeds meer op afstand gezet van de politieke machthebbers. Als Odysseus die de verleiding door de Sirenen wil ontlopen heeft de politiek zichzelf aan de mast vastgebonden en zijn de centrale banken steeds onafhankelijker gemaakt, die op hun beurt de private banken een steeds grotere rol hebben gegeven. Hierdoor kan een regering de geldschepping niet voor eigen gewin inzetten.

Maar de geschiedenis leert ook dat de machthebbers zich in geval van nood de geldschepping weer kunnen toe-eigenen. Illustratief hiervoor is de ontstaansgeschiedenis van de oudste nog opererende centrale bank, de Zweedse Riksbank. Dat begon met de Zweedse koning Karel X Gustaaf die in 1657 het recht op geldschepping verleende aan de Lets-Nederlandse ondernemer Johan Wittmacher. Dit op voorwaarde dat de kroon zou delen in de winst. Deze Stockholms Banco ging binnen acht jaar onderuit vanwege de overmatige uitgifte van bankbiljetten. Reden voor de Riksdag, het Zweedse parlement, om het heft in eigen hand te nemen en de Riksbank op te richten en deze een hoge mate van onafhankelijkheid te geven. Het duurde echter niet lang voordat de Riskbank werd gedwongen geld te doneren aan oorlogszuchtige vorsten.

Waar de waarheid wel gezien wordt als het eerste oorlogsslachtoffer, daar is de onafhankelijkheid van de centrale bank een goede tweede. Want als de vijandige legers oprukken, levert geld lenen of de belasting verhogen vaak niet voldoende snel geld op. Voor de binnenlandse bestedingen, om de oorlogsfabrieken te bevolken en de soldaten op de been te brengen, biedt de geldpers uitkomst. De centrale bankier kan dan maar lastig tegenwicht bieden. Zoals Lord Cunliffe ondervond, de gouverneur van de Bank of England die tijdens de Eerste Wereldoorlog probeerde de toegang van de Britse regering tot het bij de Canadese Centrale Bank opgeslagen goud te beperken. Een dag later stond hij op straat.

Maar nie t alleen oorlogszuchtige vorsten en bedreigde regeringen hebben hun toevlucht gezocht tot de geldschepping. En niet alleen centrale bankiers met de arm op de rug gedraaid waren bereid de geldschepping in te zetten om andere publieke doelen na te streven dan behoud van de waarde van de munt. Centrale banken hebben inmiddels een rijke geschiedenis in het te hulp schieten van de samenleving. Zo zijn ze in actie gekomen om dreigingen af te wenden, bijvoorbeeld de gevolgen van natuurrampen en pandemieën, zoals we recent hebben gezien tijdens de lockdowns. Overal kwamen de centrale banken in actie om ervoor te zorgen dat hun regeringen de ongekende steunmaatregelen konden financieren.

Wie de geschiedenis van centrale banken van een afstandje bekijkt, ziet een ontwikkeling waarbij deze de geldschepping aanwenden voor almaar meer publieke doelen. Veelal pasten zij daarbij hun taakopvatting aan naar aanleiding van actuele crises, de randen van het mandaat van dat moment opzoekend en vrijwel altijd onder luide kritiek van de conservatieve tijdgenoten. Zo is door de eeuwen heen de taakopvatting van de centrale bankiers alsmaar verder uitgebreid. Tot de jaren tachtig, het moment waarop de pendule de andere kant op zwaaide.

Een belangrijke stap in de uitbreiding van hun takenpakket zetten de centrale bankiers in de negentiende eeuw. Sindsdien waken ze niet alleen over de stabiliteit van de munt, maar over die van het hele financiële systeem. Een financieel systeem dat destijds werd geteisterd door vele crises. Regelmatig namen spaarders naar aanleiding van geruchten massaal hun spaargeld op. Zelfs de meest gezonde banken gingen hieraan ten onder, waardoor de hele economie tot stilstand kwam. Want met het spaargeld onder de matras en de banken buiten bedrijf konden bedrijven niet meer lenen en dus niet meer investeren.

In toenemende mate gingen centrale banken garant staan voor de door hen gezond geachte banken. In Londen ging in 1866 de ‘bank der banken’ Overend Gurney onderuit. Bank of England-gouverneur Henry Lancelot Holland gaf aan dat hij er voor was om de bankgemeenschap te ondersteunen en dat elke legitieme aanvraag voor hulp zou worden gehonoreerd. Sindsdien is de rol van de lender of last resort, de geldschieter in laatste instantie, een algemeen geaccepteerde rol van centrale banken die in geen enkel tekstboek ontbreekt in het rijtje kerntaken van de centrale bank. En gelukkig maar, het heeft het aantal financiële crises sterk verminderd. Deze ontwikkeling was in die tijd echter verre van onomstreden, getuige de tirade waarmee Hollands voorganger als gouverneur, Thomson Hankey, het idee verwelkomde. Hij noemde het ‘de meest ondeugende doctrine die ooit in de monetaire of bankwereld is geopperd’.

De volgende uitbreiding van het takenpakket van de centrale bank kwam na de Eerste Wereldoorlog. Hele landen lagen in puin. Er was geld nodig voor de wederopbouw. Daar kwam in de jaren dertig de wereldwijde economische crisis nog bij. In de VS slaagde president Franklin Roosevelt erin om met hulp van de centrale bank zijn New Deal te financieren. Een ongekend programma van publieke investeringen om de armste delen van het land te ontwikkelen. In 1935 richtte Canada, als een van de laatste, zijn centrale bank zelfs speciaal op om de gevolgen van de Grote Depressie op te vangen. De Bank of Canada zorgde ervoor dat het geld goedkoop was en voor de overheid ruim voorradig. De centrale bank financierde meer dan twee derde van de overheidsuitgaven.

Overigens was dit alles nog lang niet genoeg, volgens Milton Friedman en Anna Schwartz. In hun boek A Monetary History of the United States, 1867-1960 betoogden zij dat de Amerikanen de ellende van de Grote Depressie bespaard kon blijven als de Fed, de Amerikaanse centrale bank, eerder en grootschaliger had ingegrepen om de rente laag en de banken overeind te houden.

Na de Tweede Wereldoorlo g werd de economische ontwikkelingsrol van centrale banken vastgelegd in de mandaten van de centrale banken. De Amerikaanse Fed kreeg naast prijsstabiliteit ook de verantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid. De Nederlandsche Bank-wet van 1948 vroeg naast prijsstabiliteit ook om volledige werkgelegenheid en ‘het scheppen van voorwaarden voor economische groei’. In Europa en Azië speelden centrale banken, direct of via commerciële banken, een belangrijke rol bij de wederopbouw en industrialisatie. Huizen en fabrieken konden rekenen op meer en goedkopere leningen.

Waarom zou nu niet kunnen wat destijds met de wederopbouw-programma’s wel met succes is uitgevoerd?

En hoewel vanaf de jaren tachtig een duidelijk andere politieke wind ging waaien, blijven centrale banken tot de dag van vandaag actief om economische en financiële crises te voorkomen. In 2002 gaf toenmalig Fed-bestuurslid Ben Bernanke aan dat de les van de Grote Depressie was geleerd, expliciet verwijzend naar de kritiek van Friedman en Schwartz: ‘Ik zou tegen Milton en Anna willen zeggen: over de Grote Depressie, jullie hebben gelijk, het is onze schuld. Het spijt ons heel erg. Maar dankzij jullie doen we het niet nog een keer.’

Nog geen zes jaar later hield Bernanke woord. Inmiddels president van de Amerikaanse centrale bank leidde hij de ongekende interventies om het wereldwijde financiële systeem overeind te houden nadat deze met de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers ineen dreigde te storten. Meest recent zagen we hoe centrale banken wereldwijd alles op alles zetten om de coronapandemie niet in een economische crisis te laten eindigen.

Centrale banken blijken dus snel en massaal in actie te willen en kunnen komen. Althans, bij clear and present dangers voor de financiële stabiliteit. De lessen van de negentiende eeuw zijn nog altijd levend en wel, hardwired in het reptielendeel van het centrale bankiersbrein. Dat is veel minder het geval voor de latere lessen, die van het interbellum en de wederopbouw, toen de centrale banken langdurige opbouw en transformatie van de economie financieel mogelijk maakten. Die lijken weggewaaid in de anti-overheidswind die in de jaren tachtig opstak.

De oorsprong van die verandering ligt in de ‘stagflatie’ van de jaren zeventig. Toen stagneerde de economie en liepen de werkloosheid en de prijzen tegelijkertijd uit de hand. In Nederland bedroeg de inflatie in 1975 tien procent, in het Verenigd Koninkrijk zelfs 25 procent. Over de oorzaken van de stagflatie bestaat nog altijd geen overeenstemming. Wat zeker een rol speelde waren de twee olieprijsschokken. De eerste oliecrisis van 1973 leidde tot een stijging van de olieprijs met vierhonderd procent. Ook het alsmaar verder oplopende handelstekort van de VS, dat gefinancierd werd door extra dollars te drukken, hielp niet mee.

En hoewel de inflatie niet opvallend hoger was in landen die de wederopbouw hadden gefinancierd via hun centrale bank, zoals Frankrijk, Canada en Japan, werd in kringen van centrale bankiers en ministeries van Financiën toch de conclusie getrokken dat de overheid op meer afstand van de centrale bank moest komen. Een idee dat prima paste in de tijdgeest, treffend verwoord door toenmalig president Ronald Reagan met zijn ‘grap’ dat de negen meest angstaanjagende woorden uit de Engelse taal zijn: ‘I’m from the government and I’m here to help.’

De val van de Muur tussen Oost- en West-Duitsland in 1989 bezegelde de overwinning van de private markten over de geleide economieën. Het einde van de geschiedenis werd gevierd met onafhankelijke centrale banken die zich enkel op de prijsstabiliteit richten als de monetaire eindstaat.

Het was in deze tijd dat de statuten van de Europese Centrale Bank (ecb) werden geschreven, de hoeder van de euro, de gemeenschappelijke munt die als voorwaarde werd gesteld voor de hereniging tussen Oost- en West-Duitsland. En zo stolde de tijdgeest in de statuten van de ecb, vastgelegd in het EU-verdrag dat in 1992 werd getekend in Maastricht. De ecb werd daarmee de enige centrale bank ter wereld wiens statuten ‘monetaire financiering’, het financieren van de overheid door de centrale bank, expliciet verbiedt.

Wat dit in de praktijk betekent bleek zestien jaar later, na de val van Lehman Brothers in 2008. Waar in de VS, het VK en China de centrale banken alles op alles zetten om de economie draaiende te houden, ging op het ecb-hoofdkwartier in Frankfurt kostbare tijd verloren aan discussies over wat de ecb nu precies wel en niet mag doen. En terwijl de eurocrisis alsmaar verder escaleerde, vertrokken Duitse ecb-bestuurders met slaande deuren en schaarde de Bundesbank zich in een rechtszaak aan de kant van de partij die de ecb ervan beschuldigde met zijn reddingsoperatie het EU-verdrag te overtreden. Hierdoor kwam de monetaire steun in de eurozone later en was deze kleiner.

Datzelfde gold voor de stimulering door de overheden die worstelden met de in het Stabiliteits- en Groeipact vastgelegde begrotingsnormen, nog zo’n op het hoogtepunt van het markttriomfalisme in het EU-verdrag vastgelegde visie op de wenselijke (kleine) rol van de staat. De eurocrisis met hoge werkloosheid en politieke instabiliteit was het voorspelbare gevolg. Vanwege de dreigende scheuring tussen Noord en Zuid nam de ecb uiteindelijk toch het voortouw. In 2012 beloofde toenmalig ecb-president Mario Draghi, na een bezoek aan bondskanselier Angela Merkel, ‘alles te zullen doen wat nodig is om de euro te behouden’.

‘Binnen ons mandaat’, voegde hij er voor de Duitsers aan toe. Een mandaat dat prijsstabiliteit als eerste doelstelling van de ecb benoemt. Maar dat daar ook aan toevoegt dat de ecb waar mogelijk, zolang dat niet ten koste gaat van prijsstabiliteit, moet bijdragen aan het ‘algemene economische beleid’. Daarmee werd van oudsher de werkgelegenheid en economische ontwikkeling bedoeld. Na de omslag in het denken in de jaren tachtig was de wereldwijde consensus onder centrale bankiers echter dat de beste bijdrage die monetair beleid daaraan kan leveren simpelweg het stabiel houden van de prijzen is.

Aan dit overzichtelijke leven van de centrale bankiers is inmiddels een einde gekomen. In de eerste plaats putte de crisis van 2008 het rente-instrument uit, de knop waarmee ze de geldschepping door private banken kunnen regelen. De rente bereikte het nulpunt. De economie had echter verdere monetaire stimulering nodig. Ook de inflatie dreigde negatief te worden en daarmee de economie te doen stilvallen. Morgen is alles dan immers goedkoper. Daarom zijn centrale bankiers zelf steeds meer geld gaan scheppen. Daar kochten ze bestaand schuldpapier van, obligaties van landen en bedrijven. Ook konden banken goedkoop geld krijgen door hun leningen in onderpand te geven. Hierdoor heeft de ecb inmiddels voor meer dan achtduizend miljard euro aan obligaties en leningen op de balans staan, meer dan tachtig procent van het nationaal inkomen van de eurozone. Daarmee is de ecb een van de dominante partijen in de bancaire en financiële markt geworden.

Met die zichtbare macht komt ook de roep om verantwoording af te leggen. Bijvoorbeeld over het feit dat de bedrijfsobligaties die de ecb op de balans heeft staan tweemaal zoveel ‘fossiel intensieve’ bedrijven bevatten als de economie als geheel. Dat is geen bewuste keuze geweest. Het zijn nu eenmaal grote bedrijven als Shell en bmw die zelf schuldpapier, obligaties, kunnen uitgeven. Maar het steunen van juist deze bedrijven gaat wel regelrecht in tegen het streven van de Europese lidstaten om de economie te verduurzamen. Een verduurzaming die in het EU-verdrag expliciet wordt genoemd als een van de economische beleidsterreinen waar de ecb aan zou moeten bijdragen. Het verlagen van de kapitaalkosten van de meest vervuilende bedrijven past daar niet bepaald in. Ineens verschenen er spandoeken van Greenpeace met teksten als ‘Stop funding climate killers’ aan de gevel van het ecb-kantoor. Ineens ook moest ecb-voorzitter Christine Lagarde in het Europees Parlement vragen beantwoorden over haar rol in de klimaatverandering.

Klimaatverandering werd zo een prominent thema bij de recente herziening van de monetaire strategie. Afgelopen zomer presenteerde de ecb zijn conclusies. Daarin erkennen de centrale bankiers het belang van klimaat voor het monetair beleid. Klimaat is niet alleen een risico voor de prijsstabiliteit, maar ook voor de financiële stabiliteit en de eigen balans, denk aan het waardeverlies van de obligaties van Shell als deze door aangescherpte klimaatmaatregelen zijn schulden niet meer kan voldoen.

De dure les van afgelopen eeuwen: misbruik van de geldschepping leidt tot chaos en verval

Tegelijkertijd lijkt de ecb te denken dat het met die risico’s wel meevalt. Het zogenaamde klimaat-actieplan is namelijk vooral een onderzoeksagenda. Concreet is er nog niets veranderd. Tot de dag van vandaag gaat de bevoordeling van de fossiele bedrijven door. Over de verplichting uit het EU-verdrag om de energietransitie te ondersteunen is in de conclusies van de ecb bijna niets te vinden. Laat staan dat er wordt nagedacht over manieren waarop de ecb in positieve zin kan bijdragen.

Centrale bankiers kunnen ook niet het voortouw nemen in de strijd tegen klimaatverandering. Overheden, bedrijven en burgers zijn in de eerste plaats aan zet. Maar centrale banken zijn wereldwijd allang niet meer de neutrale bewakers van de prijsstabiliteit. Ze zijn de dominante partijen op de bancaire en financiële markt.

Minimaal zouden zij met deze invloed de beleidsmakers niet tegen moeten werken. Maar meer is nodig en mogelijk. De geschiedenis laat zien dat centrale banken bij grote economische opgaven altijd een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Door het geld goedkoop en ruimschoots te laten vloeien naar specifiek die activiteiten waar op dat moment vanuit het publieke belang een grote behoefte aan is. Ook als dat de inzet van nieuwe instrumenten vergt en daarvoor de randen moeten worden opgezocht van de mandaten. Die mandaten zijn niet voor niets altijd in vrij algemene bewoordingen geformuleerd. Net als de wederopbouw na de beide wereldoorlogen is de energietransitie een langdurig investeringsprogramma. De internationale coördinatie die hiervoor nodig is maakt dat regeringsleiders er vooralsnog niet in slagen om te doen wat gedaan moet worden.

Zelfs de steilste centrale bankier, enkel geïnteresseerd in prijsstabiliteit, zou overtuigd raken van de noodzaak in actie te komen als die de omvang van de klimaatdreiging tot zich laat doordringen. Want terwijl de ecb-onderzoekers nu schermen met marginale effecten van hete zomers op de prijzen, kunnen ze beter een stapje achteruit doen.

Het Amerikaanse ministerie van Defensie muntte voor klimaatverandering de term threat multiplier. Hete zomers en overstromingen kunnen de lucifer zijn in het kruitvat dat veel arme regio’s nu reeds zijn. Aan de Syrische burgeroorlog gingen hete zomers vooraf waarin oogsten mislukten, waarna een hongerige bevolking naar steden trok waar de werkloosheid al hoog was.

Het zijn deze sociale en politieke gevolgen die de economische voorspellers nu steevast buiten beschouwing laten. Dat zijn echter de factoren die uiteindelijk ook de Europese economie waarschijnlijk het hardst zullen raken. De Europese buren, Afrika en het Midden-Oosten, behoren tot de regio’s die het hardst geraakt worden door de opwarming. Vergeleken bij wat daar kan gebeuren verbleken de één miljoen Syrische vluchtelingen die in 2015 aanklopten en de Europese politiek in de ene na de andere crisis stortten. Historisch gezien is het bij dit soort situaties, als de overheid ineenstort, dat hyperinflatie de kop op steekt. Zoals na de beide wereldoorlogen en na de val van de Sovjet-Unie.

Op de recente klimaattop in Glasgow bleek de hele wereld het erover eens dat de opwarming van de aarde beperkt moet worden tot maximaal anderhalve graad. Logisch, want de kosten van op hol geslagen klimaatverandering zijn vele malen hoger dan de kosten van het beperken van klimaatverandering.

Ook over wie wat moet doen bestaat best veel overeenstemming. Het valt namelijk redelijk uit te rekenen hoeveel energie er per land nodig is en wat de meest doelmatige manier is om deze op schone wijze te produceren. Waar het op stukloopt is de vraag wie wat zal gaan betalen. De armere landen wijzen op het geringe aandeel dat zij hebben gehad in de uitstoot van broeikasgassen, op de economische ontwikkeling die zij nog willen doormaken en op hun lege schatkist. De regeringsleiders van de rijke landen kijken naar hun electoraat en de weerzin die daaronder leeft tegen belastingheffing in het algemeen, en tegen verre en abstracte doelen in het bijzonder.

Want hoewel ook in de VS en Europa de bosbranden en overstromingen toenemen, blijft klimaatverandering een abstract gegeven. De nationale mobilisatie als voor een oorlog, natuurramp of pandemie komt er daardoor niet. Anders dan in een oorlog is er geen duidelijke vijand in zicht. Die vijand zijn we namelijk zelf. Anders dan bij een natuurramp is de aangerichte schade (nog) niet duidelijk zichtbaar. Wanneer een ‘Pearl Harbor-moment’ arriveert en de politieke wil ontstaat om te handelen is het hoogstwaarschijnlijk al te laat.

Centrale bankiers kunnen aanvoeren dat met een rente van om en nabij de nul de financiële voorwaarden om te investeren in welke transitie dan ook al ideaal zijn. En inderdaad, mocht straks de rente weer oplopen, dan zullen we ons vertwijfeld afvragen waarom we de afgelopen jaren niet hebben benut om veel meer te investeren in een schone economie.

Maar we zullen ook spijt hebben van de gemiste kans om de monetaire instrumenten op een groene manier in te zetten. Waarom niet juist obligaties opkopen van de meest groene bedrijven? Waarom geen onderscheid maken tussen de autofabrikanten die vooroplopen om hun auto’s zuinig en elektrisch te maken en degene die blijven inzetten op grote benzineslurpers? Waarom de banken het goedkope geld niet geven op voorwaarde dat ze het uitlenen om de energietransitie te bevorderen? Zoals in de vorm van leningen om het vastgoed te isoleren en van warmtepompen te voorzien. Waarom niet massaal obligaties kopen van de Europese Investeringsbank zodat deze de verduurzaming kan financieren? De schaal en tijdspanne van de investeringen om klimaatverandering te beperken zijn vergelijkbaar met de wederopbouwprogramma’s van de twintigste eeuw. Waarom zou nu niet kunnen wat destijds wel met succes is uitgevoerd?

Bijzonder relevant is ook de internationale coördinatie waar centrale banken toe in staat zijn gezien hun lange en intensieve geschiedenis van wereldwijde samenwerking. De internationale vereniging van centrale bankiers, de in Basel gevestigde Bank for International Settlements, is ouder dan de Verenigde Naties en is in staat gebleken zoiets ingewikkelds als de kapitaalregels voor banken te harmoniseren. Terwijl Donald Trump zich terugtrok uit het klimaatakkoord van Parijs, sloten Amerikaanse toezichthouders zich nog aan bij het Network for Greening the Financial System. Daar zijn inmiddels meer dan honderd centrale banken en toezichthouders lid van, waaronder de ecb, de People’s Bank of China en de Fed.

De mandaten van de centrale bank zijn ook veel gelijksoortiger dan die van regeringen die variëren van politiek uiterst rechts tot links. Klimaat past ook binnen die mandaten, zoals vrijwel alle centrale banken inmiddels hebben vastgesteld. Centrale bankiers hebben ook veel langere ambtstermijnen dan politici. Sinds 1945 is de gemiddelde ambtstermijn van een kabinet in Nederland 2,5 jaar tegenover 12,5 jaar voor die van de dnb-president.

Om klimaatverandering tegen te gaan is het vóór alles van belang dat in de armste landen nu geïnvesteerd wordt in schone infrastructuur. Al tien jaar lukt het de rijke landen niet om de beloofde honderd miljard dollar per jaar bijeen te brengen om de armste landen te helpen met hun klimaatinvesteringen. En dat terwijl er jaarlijks eerder enkele duizenden miljarden nodig zijn. Geld dat arme landen niet hebben en rijke landen niet willen geven.

De uitweg kan zijn het op mondiale schaal creëren van nieuw geld. Een door alle centrale banken geaccepteerde klimaatmunt die je krijgt als je aantoonbaar bijdraagt aan een stabiel klimaat. Bijvoorbeeld door een regenwoud te beschermen of door een steenkolenmijn te sluiten. Ideeën voor een dergelijke climate coin liggen op tafel en staan centraal in de roman The Ministry for the Future van Kim Stanley Robinson, een bestseller sinds Barack Obama het op zijn lijst van favoriete boeken zette.

Twee Nederlanders zijn mede bepalend of dit sciencefiction blijft of realiteit wordt. dnb-president Klaas Knot is net aangetreden als voorzitter van de mondiale Financial Stability Board. ecb-bestuurder Frank Elderson is voorzitter van het Network for Greening the Financial System. Beiden liepen de afgelopen jaren voorop om klimaat op de agenda te zetten. Afkomstig uit de Nederlandse polder beseffen ze dat samenwerking noodzakelijk is om droge voeten te houden. Aan hen en hun collega’s uit andere landen nu de taak om te zorgen dat de geldscheppende machten wereldwijd de krachten bundelen om klimaatverandering tegen te gaan. De centrale bankiers hebben een rijke historie om uit te putten en nu te doen wat nodig is.