Geef het beertje maar een zoentje

Meesterlijk, dat niet toegelichte ‘vreemde’ in Beer van Marian Engel © Reg Innell / Toronto Star / Getty Images

Een beer is een beer is een beer. Geen creatuur waarvan je zoiets als penisbeschaving mag verwachten. Toch raakt bibliothecaresse Lou in een soort erotische ban als blijkt dat er een beer hoort bij de bibliotheek waar ze komt te werken. Het in een schuurtje vastgeklonken beest dat zich in eerste instantie aandient als groot, donker en lelijk, met z’n spitse neus en kleine oogjes, groeit onder haar aandachtige blik en voorzichtige zorgen uit tot een aanlokkelijke metgezel op een verder volkomen verlaten eiland. Een zwempartijtje, de beer eerst nog voorzichtig aan de ketting, wordt al gauw een beetje samen ravotten, elkaar uitdagen, in het water, aan de kant. Toch schrik je je samen met haar dood als opeens die lange, geribbelde tong te voorschijn komt. De eerste keer likt hij ermee over haar rug, een volgende keer steekt hij hem gewoon rechtstreeks ‘in haar kut’, ik citeer ’t maar zoals het is. Tot beider genoegen. Die penis bewaar ik nog even.

Het voelt een beetje als valsspelen om de wonderbaarlijke, mysterieuze roman Beer die de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985) in 1976 publiceerde, zo sekserig te benaderen. Maar juist omdat de hele entourage die rond de hoofdpersoon wordt opgetrokken zo enorm boekig is, droog en geïsoleerd, komt die beer nogal indrukwekkend binnen denderen. Het is bijna onmogelijk om deze compacte roman níet te lezen als een metaforisch verhaal over opsluiting versus bevrijding, mannelijke versus vrouwelijke seksualiteit, een soort ‘bear in the barn’ zoals je ook ‘the madwoman in the attic’ hebt als archetype voor vrouwelijke onderdrukte lust, verwijzend naar Jane Eyre. Prachtig dat Bear nu overal opnieuw wordt uitgegeven – de wereld is klaar voor vrouwelijke schrijvers als ze dood zijn, of zo goed als – maar zelf snakte ik naar een nawoord, íets over de receptie destijds. En wie is Marian Engel?

Snelle naspeuring leert dat toen Engel dit manuscript inleverde bij haar uitgever het werd afgewezen omdat het te beknopt zou zijn om de vreemdheid te kunnen verdragen. Terwijl het juist het volstrekt compromisloze, en niet toegelichte ‘vreemde’ is wat Bear meesterlijk maakt. Ze kreeg er dan ook alsnog een prijs voor. Engel schreef een paar nieuwsgierig makende romans, was actief in Canadese schrijversorganisaties, hield fervent een dagboek bij én schreef brieven, onder anderen met mede-Canadiennes Margaret Atwood en Alice Munro. Na haar dood, op 51-jarige leeftijd als gevolg van kanker, werd een deel van haar dagboeken gepubliceerd – zo’n leuke titel: Ah, mon cahier, écoute… – en verschenen er brievenverzamelingen. Zo bekend was/is Marian Engel dus, beroemd in Canada en omstreken, en vereeuwigd als naamgever van een belangrijk stipendium voor schrijfsters in hun mid-career. (Goed idee! Debuteren kan iedereen wel.)

‘Ze dacht: ik ga nooit weer op mijn rug op een bureau liggen, nooit van mijn leven…’

Hoofdpersonage Lou is dus bibliothecaresse, en alleen dat al geeft te denken. Er bestaan overzichten van films waarin een hoofdrol is weggelegd voor een bibliothecaris (m/v), maar ik zou er wat voor geven om een anthologie te lezen van romans en verhalen verteld vanuit deze steevast zwaar bebrilde, tikkeltje ondoorgrondelijke, alles-in-theorie-wetende types (v). Alice Munro schreef een van haar allermooiste verhalen over een bibliothecaresse die een fatale liefde opvat voor een van haar vaste klanten die zijn laatst geleende boek nooit terugbrengt. Onze eigen Annie M.G. Schmidt, bibliothecaresse van oorsprong, riep met notabene een beer, het beertje Pippeloentje, een van haar meest opmerkelijke figuren in het leven, grillig en aaibaar tegelijk. ‘Kijk, het beertje Pippeloentje/ gaat niet wandelen in het plantsoentje.’ Wat het beertje wél doet, is telkens weer een complete verrassing.

In Beer krijgt Lou de opdracht een negentiende-eeuwse bibliotheek te catalogiseren, ooit aangelegd door een excentrieke kolonel, die zich bevindt op een eiland ergens in Noord-Ontario, waar amper iemand komt. Een gothic-gegeven dat Engel alle gelegenheid biedt om uit te weiden over officiële en officieuze geschiedschrijving, angst en eenzaamheid, en de troost die alleen het bestaan van boeken kan bieden. En dus een onbekende, harige grootheid. De eerste keer dat ze de tong van de beer heeft gevoeld, vlucht ze richting bibliotheek. ‘Boek, boek. Wanneer zulke dingen gebeuren, pak dan altijd een boek.’ Geestig genoeg dwarrelt uit elk boek dat ze oppakt wel een papiertje met handgeschreven wetenswaardigheden over ‘de beer’ door de eeuwen heen, waar ook ter wereld.

Langzaam ontstaat het beeld van een vrouw die gewend is zich te begraven in haar werk om zich te wapenen tegen seksuele avances, of die nu afkomstig zijn van haar superieur die haar naar dit eiland heeft gestuurd, of de man die haar overzet en voorziet van de nodige levensmiddelen. ‘Ze dacht: ik ga nooit weer op mijn rug op een bureau liggen, nooit van mijn leven…’ Vergeleken bij hen is de beer een makkie, meer toegewijd dan ze bijna aankan. Hoe ze hem aanroept in haar gedachten, is diep ontroerend. ‘Beer, zorg dat ik me eindelijk op mijn gemak voel in de wereld. Geef me je huid.’

Het lukt Engel om in haar roman iets heel benijdenswaardigs te beschrijven: iets wat niet van deze wereld is, maar toch zomaar lijkt te kunnen bestaan. ‘Een hogende suizende uitwisseling’ noemt ze het. Als de penis er bij komt kijken, door haar zelf uitgedaagd, is dat slecht nieuws. ‘O Jezus’, denkt ze. ‘Wat ben ik een stomkop, een stomkop, een st…’ Voer voor ook niet-psychologen.