Geef me ophitsing

JORIS NOTE
TEGEN HET EINDE
De Bezige Bij, 208 blz., € 18,50

Waarom zou men schrijven? De verteller van Tegen het einde ziet niets in fictie met een hechte plot, want samenhang, ‘die maar een interpretatie is’, berust op illusie en kwade trouw. Inderdaad is het verhaal van deze roman, dat gedragen wordt door twee tamelijk eenvoudige liefdesgeschiedenissen, mager en verre van dwingend. Wanneer de spreker zich na het beëindigen van zijn loopbaan als leraar aan het schrijven zet, doet hij dat ‘ondanks vernieling en verdwijning, ondanks niet weten, ondanks niet eens weten wat er vernield en verdwenen was’. Voor wie? Voor iemand ‘van ooit en van veraf. Voor u? Uw beslissing.’ Deze verteller peinst er niet over de lezer een plezier te doen. ‘Het verbrijzelen van de schone schijn behoort tot de hoofdtaken van de revolutionair en van de maatschappijcriticus; maar de geschiedenis laat zien dat het ook behoorde tot de hoofdtaken van de grote romanciers, de grote dichters. Verleden tijd! Nu zijn dat amuseurs. Schrijvers: amuseurs.’
Geen mooi en kloppend verhaal dus, maar wat dan wel? Een belangrijk deel van het boek bestaat uit een fragmentarisch essay over Robespierre, wiens politieke en filosofische opvattingen met kritische fascinatie gewogen worden. Het gedachtegoed van de grote revolutionair dient als achtergrond voor de wederwaardigheden van Maurice Loterman, die tijdens zijn moeizame carrière als leraar het maatschappelijk engagement van zijn generatiegenoten ziet verdampen en zich opwindt over de stompzinnigheid van de Belgische politiek, de voosheid van het katholicisme en de vertrutting van de westerse cultuur. Hij is een principiële buitenstaander, hij gaat niet akkoord. ‘Ik gebruik de woorden, alle woorden, om het woord nee te vormen, ik had ze voor iets anders kunnen gebruiken, maar ik gebruik ze daarvoor, om nee te zeggen.’ En als het aan hem ligt, blijft het daar niet bij. ‘Op een dag passeert u de poort, uw poort onze poort, stadspoort paleispoort fabriekspoort gevangenispoort vestingpoort, en daar staan mannen en vrouwen om de boel in het honderd te sturen, en kijk goed, die ene daar dat ben ik, die twee daar…’
De combinatie van een rudimentair verhaal, een half essay en de voorspelbare tirades van een gefnuikte zestiger lijkt het recept voor een literaire mislukking. Dat Tegen het einde desondanks een heel goed boek is geworden, heeft een eenvoudige verklaring: Joris Note (1949) kan schrijven. Iedere zin, iedere alinea zindert van woede, verdriet, hartstocht of weerzin. Het gaat om een engagement dat tegen zichzelf in redeneert, dat zichzelf probeert te ondergraven om uiteindelijk steeds dichter bij de kern ervan te komen, die keihard en onverwoestbaar is. Note zegt nee om een ja te veroveren. ‘Ik wil nu woorden van gewicht. Geef me de strengste traktaten en de hardste leerboeken, geef me ophitsing, geef me articulatie, geef me wetten en Mallarmé.’ Het revolutionair elan van deze roman vervult de lezer met vrolijke opstandigheid. Een fraai en afgerond verhaal had dat nooit voor elkaar gekregen.