Geef met gulle hand!

Ik zou liegen als ik ontkende dat het mij met een zekere trots vervult de hoofdpersoon in de onderstaande geschiedenis te mogen zijn. Het was ver in het noorden, waar de eeuwige sneeuw het leven praktisch onmogelijk maakte. De leden van onze expeditie overschatten hun krachten. Ook ik. En toen bovendien de sledehonden van uitputting stierven, bleven wij steken in het ijs, met de dood als enig perspectief.

De voedselvoorraad was inmiddels op. Het moment was aangebroken dat wij elkaar moesten opvreten. Ik was mijn kameraden voor door mijn linkerarm aan te bieden. Het lichaamsdeel was nogal vermagerd. Niettemin was het een heerlijk maaltijd, die ons even onze sores deed vergeten. Even later stelde ik mijn linkerbeen ter beschikking, vervolgens mijn rechterarm en tenslotte mijn rechterbeen. Wat resteerde was mijn genereuze geest, gevangen in schedel en romp.
Daarmee viel de honger van mijn metgezellen onmogelijk te stillen. Vandaar dat ik besloot hen te sterken met mijn onstuitbare optimisme, dat als een vuurtoren boven onze ellende straalde. Het was dan ook geen toeval dat wij door een vliegtuig uit ons isolement werden gered.
Helaas niet voor lang. Binnen een jaar was iedereen dood. Behalve ik. De een had zich kapotgedronken. De ander hing zich op. De derde reed zich te pletter. Alleen met mij gaat het uitstekend. Trouwens, ik heb inmiddels m'n armen en benen terug. Zij zijn in het voorjaar weer aangegroeid. U vraagt zich natuurlijk af hoe zoiets mogelijk is. Dat is een vraagstuk waarover ook de medische wetenschap zich inmiddels het hoofd breekt. Ik moet, als leek, helaas het antwoord schuldig blijven. Al heb ik wel mijn vermoedens. Nooit van m'n leven heb ik van een gift spijt gehad, geen seconde, of het nu mijn paarsroze knikker, mijn lievelingsbeer of bovengenoemde ledematen betrof. Noem het het wonder van de vrijgevigheid.