De stad als sociaal laboratorium 2: LeeszaalWest in Rotterdam

‘Geef ons de sleutels’

Nu er dagelijks wel ergens een filiaal van de verzorgingsstaat sluit als gevolg van bezuinigingen zetten burgers zelf nieuwe voorzieningen op. Zoals LeeszaalWest in Rotterdam. ‘Dit is meer dan een plek met boeken. Dit is een microknooppunt van bijzondere betrekkingen.’

Medium leeszaalwest 01

Het Rijnhoutplein in het Oude Westen van Rotterdam is een achterafpleintje. Het ligt zo’n beetje in de oksel van de Nieuwe Binnenweg – volgens Rotterdammers de langste winkelstraat van Nederland – en de Van Speijkstraat. Ten tijde van de stadsvernieuwing was er aan de noordkant speciaal voor de nieuwkomers in de wijk een hammam, een oosters badhuis, aangelegd, maar nadat deze de deuren had moeten sluiten en een kledingwinkel het ook niet redde, gaapte sinds 2010 een grote lege ruimte het plein aan. Toch weten dit jaar zo’n twintigduizend Rotterdammers het Rijnhoutplein te vinden. Ze komen er voor de LeeszaalWest, een initiatief van actieve wijkbewoners die de plek waar ooit gebadderd werd spectaculair nieuw leven hebben ingeblazen. De deur staat elke dag (behalve zondag en maandag) open van tien uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds; je wordt welkom geheten door een van de vrijwilligers. Er zijn zitjes, rijen goed gevulde boekenkasten, computers, wifi, een plek voor koffie en versnaperingen en een ruimte voor bijeenkomsten. Op het eerste gezicht een bijeengeraapt zooitje, maar dat is het niet. Het is doordachte gezelligheid.

‘Klopt’, zegt Maurice Specht, een van de initiatiefnemers van de LeeszaalWest, ‘alleen de lampen zijn gekocht bij Ikea, de rest hebben we gekregen en bij elkaar gescharreld, maar om dat goed bij elkaar te brengen zijn we geholpen door een van onze vrijwilligers: een interieurarchitect. Dat soort vakmanschap wilden we vanaf het begin graag mobiliseren, kwaliteit is voor dit soort plekken belangrijk. Onze ervaring is dat mensen het elke keer zelf aanbieden.’

Ook de duizenden boeken hebben geen cent gekost. ‘Toen we eind november 2012 tijdens een festivalweek het idee hier lanceerden, hadden we binnen een week al meer dan duizend boeken binnen, en die stroom is nooit opgehouden’, zegt Joke van der Zwaard, de tweede gangmaker van de LeeszaalWest.

Maurice Specht en Joke van der Zwaard wonen beiden in het Oude Westen, op papier een van de vele achterstandswijken van de Maasstad. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst toen ze waren uitgenodigd om wat te zeggen tijdens de opening van een kleine door buurtbewoners opgezette wijkbibliotheek elders in de stad. Joke van der Zwaard was gevraagd iets te vertellen over de betekenis van publieke ruimte, een onderwerp waar zij in Rotterdam vele bijna antropologische onderzoeken naar heeft gedaan. Maurice Specht, destijds bezig met een proefschrift over burgerparticipatie, moest iets vertellen over de economie van het delen en de noodzaak om verbindingen te leggen tussen mensen, organisaties, kennis en spullen.

Ze schelen bijna dertig jaar, maar delen dezelfde fascinatie voor steden, voor ontmoetingsplekken, voor hoe mensen met elkaar de stad naar hun hand kunnen zetten. De twee buurtgenoten hadden ook meteen een gespreksonderwerp. Het gemeentebestuur had net besloten vijftien van de 21 bibliotheken te sluiten, waaronder hun wijkbibliotheek.

Zo is het begonnen: als verzet tegen de sluiting, en toen die onafwendbaar bleek, als het ontwikkelen van een nieuwe publieke ontmoetingsplek. Ze haalden mensen uit de buurt bij elkaar, associeerden over wat zo’n ruimte zou moeten bieden. Ze wilden geen duplicaat van de oude wijkbibliotheek. Ze wilden meer. Ze wilden een leeszaal, eigenlijk de oervorm van de bibliotheek, als een betekenisvolle plek voor de buurt, een plek om te verblijven, een plek voor vluchtige ontmoetingen, waar je kennis kunt verwerven en kennis kunt delen. Een plek gemaakt rond vier kernbegrippen: leren, delen, ontmoeten en (voor)lezen. En: ze wisten een perfecte locatie: de voormalige hamman aan het Rijnhoutplein.

Van der Zwaard en Specht zijn niet de enigen die zelf een publieke voorziening opzetten. Dagelijks sluit er wel ergens een filiaal van de verzorgingsstaat zijn poorten als gevolg van bezuinigingen. De mantra is overal hetzelfde: het is crisis, het kan niet anders. Maar steeds vaker zijn er mensen die zeggen: ‘Hoezo? Geef ons dan maar de sleutels!’

Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2008 in de Rivierenwijk in Utrecht, waar buurthuis De Jutter dicht moest. Verschillende bewonersorganisaties besloten het gebouw in eigen beheer te gaan exploiteren. De Nieuwe Jutter, zoals de plek is gaan heten, is levendiger en dynamischer dan ooit. In Vierlingsbeek, een bijna krimpgemeente in Brabant, namen bewoners de bibliotheek over; zevenhonderd huishoudens lapten een tientje. En warempel: wat een beetje een gezapig uitleenpunt was, werd een energieke ontmoetingsplek. Inmiddels telt vrijwel elke gemeente vergelijkbare vormen van zelfbeheer, een ontwikkeling die goed te volgen is op sites als krachtin.nl of wijkonderneming.nl. Op deze digitale knooppunten is een keur van gebouwen (kantoorpanden, oude fabrieken), terreinen (tuinen, plantsoenen, braakliggende bouwkavels), voorzieningen (buurthuizen, bibliotheken) in kaart gebracht waar burgers met elkaar de dienst zijn gaan uitmaken.

Een vergelijkbare beweging voltrekt zich in andere landen. Maurice Specht was in 2012 een van de initiatiefnemers van Community Lover’s Guide to the Universe, een internationale serie stedenboeken die zowel digitaal als on demand gedrukt beschikbaar komen en waarin per stad lokale initiatieven van bewoners en sociale ondernemers met tekst en uitleg in beeld worden gebracht. Specht tekende zelf voor de editie Rotterdam, maar sinds de oprichting van het netwerk zijn al zo’n vijftig steden beschreven en het netwerk breidt zich ongeveer elke maand uit.

Overal lijkt daarbij een vergelijkbare dynamiek in werking te treden. In handen van buurtbewoners krijgen publieke plekken een andere intensiteit. Als het in de schoot geworpen is, liggen onverschilligheid en consumentisme op de loer. Maar als het van jezelf is, dan gebeurt er iets bijzonders.

Kortom, koren op de molen van de bezuinigingsideologen. Is er een beter bewijs dat al die gesubsidieerde voorzieningen, van bibliotheek tot buurthuis, min of meer weggegooid geld waren? Joke van der Zwaard zucht: ‘Wat hier in deze Leeszaal aan het groeien is, is niet een nu bedacht kunstje van een paar slimme mensen. Nee, we bouwden voort op de netwerken en groepen die al veel langer in deze wijk functioneren. Deze wijk moet je zien als een levend organisme, dat sterk gevoed is door de publieke voorzieningen die hier sinds de stadsvernieuwing zijn gekomen. Als één plek wegvalt, zoals de bibliotheek, kan deze organische structuur misschien een alternatief ontwikkelen, misschien zelfs een beter alternatief. Maar wie alles kaalslaat, en dat is wat er nu gebeurt, breekt uiteindelijk ook de mogelijkheden van de wijk om zich te voeden, om mensen met elkaar te verbinden, om elkaar te treffen. Na de Leeszaal is er inmiddels ook een klein buurthuis in zelfbeheer open gegaan, maar het wijkgebouw hier in het Oude Westen gaat ook dicht. Dat wordt niet meer door buurtbewoners overgenomen. Dat mensen iets gaan doen wordt niet veroorzaakt door bezuinigingen, maar komt omdat ze al iets aan het doen waren.’

De cijfers van de Leeszaal, keurig bijgehouden door de twee onderzoekers, bewijzen dat ook. Op de lijst staan nu zo’n tachtig vaste vrijwilligers, waarvan de helft als gastheer of -vrouw optreedt en de andere helft achter de schermen bijdraagt, met klussen, met techniek, met de website, met de programmering van activiteiten, met de boekencollectie. Bijna de helft daarvan was er meteen bij toen de Leeszaal eind januari de deuren opende. Dat waren mensen die al op de wijk betrokken waren. Daarna groeide het aantal gestaag tot ruim tachtig, en elke dag melden zich weer nieuwe mensen aan.

‘Dat mensen iets gaan doen is niet vanwege bezuinigingen, maar komt omdat ze al iets aan het doen waren’

‘Een kanttekening die mensen maken is dat dit type initiatieven vooral iets is van en voor beter opgeleiden’, zegt Joke van der Zwaard. ‘Kwetsbare mensen zouden dat niet kunnen. Maar in deze Leeszaal loopt dat allemaal door elkaar. Somalische mannen, Antilliaanse vrouwen, Nederlandse dames, voormalige asielzoekers, docenten, zzp’ers. Iedereen doet waar-ie goed in is, dat gaat bijna vanzelf, maar het zijn geen aparte werelden. Als mensen maar het gevoel hebben dat het hun plek is, dat ze er thuishoren.’

Maurice Specht vult aan: ‘Kenmerkend voor deze plek is dat we het allemaal vrijwillig doen. Geld speelt geen rol. Dat is cruciaal omdat we op die manier allemaal gelijkwaardig zijn. Niemand kan tegen iemand anders zeggen: maar jij wordt ervoor betaald. Het accent kan daarom komen te liggen op het ontwikkelen van vaardigheden, waarvoor de Leeszaal als een oefenruimte kan functioneren. Elke vrijwilliger krijgt naast de vraag wat hij wil doen de vraag voorgelegd: wat je zou willen leren? Daar komen allerlei antwoorden op. Veel mensen willen de Nederlandse taal beter beheersen, anderen willen een computer onder de knie krijgen, de volgende wil iets kunnen maken. En bij die vragen wordt iemand anders gezocht, onder de bezoekers, in de buurt, die hier een helpende hand kan bieden. Zo wordt de Leeszaal meer dan een plek met boeken. Het wordt een vliegwiel voor kleine connecties, een microknooppunt van bijzondere betrekkingen.’

Medium leeszaalwest 04

Dat is een nieuw geluid. Lange tijd hebben ruimten als buurthuizen, bibliotheken, maar ook plantsoenen en speelplekken als vanzelfsprekend onder de voogdij gestaan van de lokale overheid of daarvan afhankelijke welzijnsinstellingen met alle bijbehorende programma’s en goede intenties van dien. Die voogdij is uitgewerkt, en daar komt nu dan bij dat het geld op is. In de ruimte die daardoor in steden en dorpen vrijkomt ontstaan opnieuw publieke plekken die mensen zich opnieuw kunnen toe-eigenen. Dat is de bottom-up-dynamiek van het sociaal doe-het-zelven, van burgerkracht of – zoals de regering het aanduidt – de doe-democratie.

Voor de vertrouwde organisaties van onze verzorgingsstaat is dat wel even wennen. In Rotterdam worstelde vooral de eigenaar van de ruimte, woningcorporatie Woonstad, met deze nieuwe realiteit. De afdeling wijkontwikkeling was weliswaar zeer ingenomen met de actie van bewoners, maar de collega-afdeling vastgoed liet toen de kwestie van een huurcontract ter sprake kwam daar zo haar eigen berekeningen op los. Daar rolden al snel marktconforme prijzen uit van duizenden euro’s per maand. Voor minder kon het echt niet.

Hoezo marktconform, reageerden Specht en Van der Zwaard, het pand staat al jaren leeg? Meer dan een half jaar is erover gesteggeld, de afdeling wijkaanpak wilde wel omlaag, de afdeling vastgoed hield de poot strak. Uiteindelijk hakte de corporatieleiding de knoop door en stelde de huur vast op duizend euro per maand, waarbij de afdeling wijkaanpak uit haar wijkbudget maandelijks wel een bedrag tot aan de echte marktconforme huur intern moet overboeken naar de collega-afdeling vastgoed. Dit vreemde staaltje vestzak-broekzak is een mooi voorbeeld van de onwennigheid om met dit type sociale initiatieven te rekenen.

Daarmee komt het grootste obstakel in het vizier waar zelfbeherende burgers mee worstelen: geld. Ze willen zich onttrekken aan de benauwende wetten van de subsidies, maar stuiten meteen op de harde wetten van de economie. Koffie, gas, elektra en huur: alles kost geld. En overal zijn regels, van btw-bepalingen tot wettelijke verboden. Zo was het meteen uitgesloten dat de boeken van de Leeszaal zouden worden uitgeleend. Dat kan namelijk niet zomaar. Wie boeken uitleent valt onder het leenrecht en moet voor elk uitgeleend boek een ‘uitleenvergoeding’ afdragen. Uitlenen zou daarmee in de Leeszaal meteen een kostenpost worden. Voor de Leeszaal was dat overigens geen punt. Zij wilden vanaf het begin boeken weggeven. Daarom staat nu in ieder boek in de Leeszaal dat je het boek mag terugbrengen, maar dat het niet hoeft. Als je een boek mooi vindt, moet je het vooral houden. Er zijn immers boeken genoeg.

Een stevige bijdrage van fondsen als DOEN houdt de Rotterdamse Leeszaal voorlopig overeind. Maar op termijn is dat niet toereikend. Er moeten nieuwe financieringsbronnen worden aangeboord. Dat gaat zeker lukken, zeggen Specht en Van der Zwaard optimistisch. En waarom ook niet? Overal in het land duiken alternatieve vormen van financiering op. Het is de hedendaagse variant van wat vroeger met collectes, donateurs en de lootjes van de tombola bij elkaar werd gesprokkeld. Tegenwoordig noemen we het crowdfunding, wordt er een festival georganiseerd of maken we een groep maatschappelijke aandeelhouders. Bij de Leeszaal in het Oude Westen buigt een groepje zich inmiddels over een ‘businesscase’. In dat groepje zitten overigens niet alleen maar buurtbewoners, maar ook advocaten en ondernemers die aangetrokken zijn door de charme en de filosofie van de plek en die willen meedenken om dat een duurzaam karakter te geven.

Op meerdere plaatsen in het land gaat men zelfs verder. Daar maken groepen burgers aanstalten om een eigen lokale economie te creëren. Inspiratie ontlenen ze aan de Development Trusts in het Verenigd Koningrijk. Daar functioneren inmiddels zo’n zeshonderd buurtgerichte bewonersbedrijven die een publiek gebouw in hun bezit hebben en dat met elkaar en voor de buurt exploiteren. Volgens gegevens van Locality, een Engelse ondersteuningsorganisatie van deze community enterprises, beheren deze organisaties een vastgoedportefeuille van om en nabij een miljard euro. Met dit bezit wordt in buurten geld verdiend (door huur, horeca, scholing, onderwijs) en geld geïnvesteerd (aan personeel, leefbaarheid, werkgelegenheid), waarbij buurtbewoners aan de knoppen van deze geldstromen zitten.

In Nederland staat dat nog in de kinderschoenen. Momenteel wordt in zo’n tien gemeenten aan vergelijkbare bedrijven gewerkt. In de Arnhemse wijk Malburgen, ook al een aandachtswijk, namen bewoners in juni een enorm pand, het Bruishuis, over van woningcorporatie Volkshuisvesting. Ze hebben een bewonersbedrijf opgericht en gaan het pand nu zelf exploiteren; ze gaan de 130 eenheden verhuren aan studenten die huurkorting krijgen als zij wat voor de buurt betekenen, ze richten voor het onderhoud een leerwerkbedrijf op waarvoor werklozen uit de buurt worden ingeschakeld. Met de revenuen starten ze nieuwe sociale projecten in de wijk.

Er broeit dus wat in de steden, en niet zelden in de gebieden waar voormalig minister Ella Vogelaar haar naam aan heeft verbonden. Nog niet zo heel lang geleden waren deze achterstandsgebieden het werkterrein van woningcorporaties en welzijnsorganisaties, van professionals in stuurgroepen en zorgoverleggen. Die organisaties zijn er nog steeds, maar ze zetten steeds minder de toon. In de gaten die de bezuinigingen slaan, ontstaan steeds vaker stadslaboratoria waar mensen met elkaar nieuwe en energieke publieke plekken tot stand brengen. De LeeszaalWest is van het Oude Westen, niet van het gemeentebestuur. Stel dat die de opdracht had gegeven tot de ontwikkeling van de Leeszaal, dan was-ie er waarschijnlijk nooit gekomen. Precies om die reden kan de van regeringswege aangekondigde participatiesamenleving in actieve bewonerskringen niet bepaald op een warm onthaal rekenen. Daar weet men dat bomen nu eenmaal niet groeien door aan de takken te trekken.

Nico de Boer en Jos van der Lans zijn zelfstandige onderzoekers en publicisten. Het eerste deel van de serie ‘De stad als sociaal laboratorium’ verscheen in De Groene Amsterdammer van 3 oktober


De stad als sociaal laboratorium

Op Prinsjesdag is van koningswege de participatiesamenleving geproclameerd. In werkelijkheid is het sociaal-politieke landschap in Nederland al veel langer ingrijpend aan het veranderen. Instituties kraken, burgers nemen op tal van terreinen het heft in handen, gemeenten zien door enorme decentralisaties de kans schoon zich te ontworstelen aan de starre Haagse voogdij. Dat maakt steden tot fascinerende sociale laboratoria, waar alles bij elkaar komt: de do it ourselves-_beweging, nieuwe horizontale netwerkorganisaties, andere professionele aanpakken en lokale overheden die samenhangend beleid kunnen gaan maken van arbeid tot zorg. In die nieuwe dynamiek zouden de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens het begin van een nieuw tijdperk kunnen markeren. In de aanloop daarvan verkennen Nico de Boer en Jos van der Lans voor _De Groene Amsterdammer dit veranderende landschap. In deel 2 tappen zij de energie af van buurtbewoners die een publieke plek nieuw leven in blazen.