Topsectoren - De Nederlandse dijkenbouwers

Geef ons heden een watersnood

Nederland ziet zichzelf graag als internationale watermanager bij uitstek. We zijn bijna beledigd als er een overstroming is en we worden níet gebeld. Hoe terecht is dat?

Het ideale scenario gaat als volgt: een land overstroomt, steden moeten worden ontruimd, de bevolking is boos en de lokale regering denkt: dit mag niet nog een keer gebeuren. Wie gaan we bellen?

Precies zo gaat het, in Azerbeidzjan in mei 2010. Veertig regio’s worden getroffen door overstromingen van twee grote rivieren, twintigduizend huizen staan onder water, dammen storten in. President Ilham Aliev reist naar de getroffen plekken en belooft hulp. Tien dagen later roept hij met een noodwet een Task Force in het leven – bestaande uit zo ongeveer de hele regering – die binnen twee maanden met aan­bevelingen moet komen om dit soort natuurrampen eens en voor altijd te voorkomen.

Nu is Azerbeidzjan niet zomaar een postsovjetlandje in de Kaukasus. Het ligt op een kruispunt van pijpleidingen aan de Kaspische Zee, heeft een overdaad aan oliedollars en, laten we het voorzichtig uitdrukken, minder last van democratische besluitvormingsprocedures. Als de president zegt dat er iets moet gebeuren, dan is er geld in overvloed en kunnen de internationale experts ingevlogen worden.

En dus belt Bakoe met het Nederlandse ministerie van Infrastructuur en Milieu, dat vervolgens Rijkswaterstaat belt. En die bellen op hun beurt de experts van Deltares, Royal ­Haskoning en Fugro, de top van de Nederlandse watersector. Er volgt een missie. ‘We werden er eerst als adviseurs bij gehaald’, vertelt Harry Baayen, de directeur van Deltares, het Nederlandse kennisinstituut voor deltavraagstukken. ‘Of we een flood protection plan konden maken. Op zich is dat simpel: je bouwt een dam in de rivier, gaatjes erin om het water op een beheerste manier doorheen te laten lopen. Maar bij grote hoeveelheden water is het lastig. En Azerbeidzjan is zo plat als een pannenkoek. Als het eenmaal overstroomt, staat alles onder water.’

Er wordt een actieplan gemaakt. Een analyse van de dijken, dammen en irrigatie. Aan­bevelingen voor bouw en beheer. En zoals dat gaat in de ons-kent-ons-watersector halen de Nederlanders er andere Nederlanders bij. De baggeraars van Van Oord, die in de jaren daarna een contract uitonderhandelen om een toegangskanaal van zeven kilometer uit te graven voor een nieuwe haven in Bakoe. Scheeps­bouwers Damen, via-via in contact gekomen met het ministerie van Noodhulp, levert drie zuigers voor het uitgraven van de Kura-rivier. En ingenieursbureau Witteveen+Bos wordt aan­getrokken als adviseur. In de jaren daarna worden ze kind aan huis.

De samenwerking met de Azeri geldt als een succes voor de Nederlandse watersector, die zichzelf graag ziet als internationale water­manager bij uitstek. We zijn bijna beledigd als New Orleans overstroomt en de Amerikanen níet als eerste aan ons zouden denken. En als Bangladesh besluit Britse ingenieurs in te huren wordt er gefronst. Natuurlijk, de Nederlandse ingenieurs zijn niet de goedkoopste, maar niemand heeft er zoveel verstand van als wij, vinden we zelf. Als er één onomstreden topsector is, dan is het wel water.

De watersector als geheel is in ieder geval omvangrijk (zie kader). Maar terwijl de rest van de wereld denkt aan boten bouwen, schoon drinkwater en irrigatie voor landbouw denken wij vooral aan die eeuwige dijken en polders. Logisch: daar heeft Nederland ervaring in, daar is op de thuismarkt kennis mee opgedaan. Op dat punt, de zogeheten deltatechnologie, heeft Nederland terecht een ijzersterk imago en een aanzienlijk marktaandeel, door een paar grote bedrijven als Van Oord en Boskalis. ‘In de Mekongdelta, het Aralmeer, de Nijldelta, de Niger – bij alle waterbouwkundige projecten in delta’s speelt Nederland een rol’, zegt Jan Bout, de oud-directeur van ingenieursbureau Royal Haskoning en drijvende kracht achter de topsector water.

Water is bovendien een groeimarkt. Met een toenemende wereldbevolking is er steeds meer behoefte aan zuivering van drinkwater, irrigatie en bescherming van overbevolkte delta’s. De stijging van de zeespiegel is een kans voor de ingenieurs – die redenering. Er is zelfs een bekend grapje in de waterwereld, gebaseerd op de gebedjes van oude Sliedrechters die in de baggerindustrie werkten: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood.’ Maar de sector kampt ook met de problemen van mondiale competitie: ze heeft niet altijd toegang tot grote markten, moet veel investeren in onderzoek om bij te blijven en zeker kleinere bedrijven lopen het risico te worden overgenomen. Niet voor niets besloten ingenieursbureaus dhv en Royal Haskoning onlangs tot een fusie: samen hopen ze steviger te staan in de internationale markt.

In de watertechnologie (irrigatie van landbouwgrond, drinkwater, zuiveringsinstallaties) doen we mee, maar is het marktaandeel van Nederlandse bedrijven bescheiden. Er zijn veel kleine bedrijfjes die nieuwe technieken ontwikkelen voor zuivering of irrigatie. ‘In die niches hebben we een goede reputatie’, zegt Bout optimistisch. ‘Maar Fransen en Duitsers zijn op het gebied van watertechnologie veel groter.’

In de maritieme sector (boten, havens, offshore-industrie) is Nederland een grotere speler, vooral dankzij de havens van Rotterdam en Amsterdam en scheepsbouwers als Damen. Volgens de sector zelf hoort Nederland tot de top-drie scheepsbouwers in Europa, samen met Duitsland en Italië.

Bout – als verkoper van de sector nauwelijks van zijn stuk te krijgen – ziet ook nieuwe mogelijkheden: ‘Wereldwijd is er een tekort aan mineralen. Die zou je op zee kunnen winnen, vanuit de oceaanbodem, op drieduizend meter diepte. Daar zouden we als Nederland een geweldige voorsprong kunnen opbouwen. We hebben de testfaciliteiten en de capaciteit. Het International Water en Sanitation Centre kan de technologie ontwikkelen, Fugro de diepzeeactiviteiten. En de overheid is nodig om geld vrij te maken, zodat er onderzoek kan plaatsvinden.’ Het zijn mooie vergezichten, maar voorlopig moet de Nederlandse watersector het hebben van alles wat onder de noemer ‘delta’ valt.

Dat geldt zeker voor Deltares. Het kennis­instituut ontstond in 2008 uit een ­samenvoeging van verschillende Delftse ­onderzoeksinstituten en delen van Rijkswaterstaat en tno. Bij het bezoek aan de onderzoeksfaciliteiten, op een steenworp afstand van de Delfste universiteitscampus, is te merken dat waterbouwers niet alleen goed zijn in dijken ontwerpen, maar vooral ook in zichzelf verkopen. In de ontvangstruimte wacht een selectie van water­onderzoekers die het instituut in huis heeft: het hoofd van de onderzoeksgroep dijkveiligheid, de projectleider stedelijk waterbeheer (druk bezig met waterbescherming van steden in de noordoostelijke delta van India) en een ecoloog die waterkering in de vorm van oesterbanken en mangrovebossen bedenkt. Building with nature noemen ze het. Voordat ze het woord nemen, wordt eerst wat bedrijfsreclame getoond: twee heftige minuten filmopnamen van rollende golven, klaterende rivieren en spiegelende meren. Op de achtergrond klinkt een strijkorkest. De zoveelste bevestiging van ons zelfbeeld: overal waar het water de mens te veel lijkt te worden, staan de Hollanders klaar om hun vinger in de dijk te steken.

De ingenieurs moeten er zelf ook enigszins om lachen, maar er zit wel een kern van waarheid in. Want net als de grote bedrijven is een _not-for-profit-_club als Deltares afhankelijk van andere landen voor zijn voortbestaan. En dat is wel eens anders geweest, legt Jos Maccabiani van dijkveiligheid uit: ‘Kennisontwikkeling was lange tijd een overheidstaak. Onderzoek werd gedaan bij Rijkswaterstaat en de overheid zelf was de belangrijkste klant. Deltawerken, dijkverbetering – de afgelopen decennia was de thuismarkt groot genoeg om de watersector draaiende te houden.’

De reden waarom de stroom aan water­projecten op eigen bodem langzaam opdroogt is simpel: er is een verzadigingspunt bereikt. Onze waterprojecten zijn zo ver ontwikkeld dat grootschalige innovatie er niet meer bij is. Dat is de reden waarom binnen de watersector wordt gepleit voor een nieuw project à la de Delta­werken, dat bedrijven en onderzoekers weer jaren werk verschaft. Mogelijk is het zo ver in 2020. Vanaf dat jaar moet volgens de huidige plannen de investeringsdrift van de overheid weer aanwakkeren. Maar met een beetje pech zitten er nog een paar kabinetten tussen vandaag en 2020. En de etterende recessie maakt de toekomst hoogst onzeker.

Nog een probleem: het is goed mogelijk dat kennis ‘weglekt’. Een land huurt wel de ingenieurs uit Nederland in, kijkt wat ze bouwen en kan het vervolgens zelf. De kennis is nog wel te verkopen, maar het echte bouwen niet meer. Is dat een reëel risico? Bout: ‘Dat zou wel een zielige gedachte zijn. Juist door de samen­werking met het buitenland, juist door die wisselwerking, kun je je voordeel doen. Als je in de top van de wereld zit, moet je globaal denken.’ Anderen bevestigen de noodzaak om juist in het buitenland de meest ingewikkelde klussen aan te nemen – het is de enige manier om scherp te blijven, gedwongen te worden om nieuwe technieken te ontwikkelen en oplossingen te verzinnen, die dan ergens anders weer verkocht kunnen worden. Met andere woorden: het buitenland heeft de Nederlandse ingenieurs nodig, maar die hebben ook het buitenland nodig om zichzelf te ontwikkelen.

Voorlopig zit Nederland nog aan de goede kant van de balans, maar de nieuwe waterlanden roeren zich. Neem Singapore, dat openlijk heeft aangegeven het Nederland van Azië te willen worden. ‘Ik ben het meest bevreesd dat Singapore een thuismarkt creëert voor zijn eigen bedrijven’, zegt Henk Nieboer, directeur van ingenieursbureau Witteveen+Bos, ‘terwijl er tegelijk in Nederland geen thuismarkt meer is – geen Ruimte voor de Rivier, geen grensmaas-project, geen deltaplan, geen tweede Maasvlakte – dan drogen we snel op.’

En dus gaan we de grens over, om ervoor te zorgen dat zelfs als andere landen een voorsprong dreigen te ontwikkelen Nederland daarvan deels kan profiteren. Daarom stuurt Deltares onderzoekers naar Singapore: wellicht steken ze iets op dat ze later zelf kan gebruiken. Bovendien is het goed voor de contacten. Momenteel komt dertig procent van hun opdrachten uit het buitenland. Dat moet vijftig procent worden. Vooralsnog zitten ze op de goede weg. Maccabiani vertelt over hoe de onderzoekers van Deltares er als eerste bij waren toen watersnood in Thailand afgelopen najaar de straten van Bangkok onder water zette: ‘Wij hadden daar toevallig iemand zitten. Die kon toen de software leveren om uit te rekenen hoe hoog het water zou komen en waar de zandzakken het best geplaatst konden worden.’ Sinds 2006 werken ze in een joint venture samen met de overheid in Singapore die een eigen onderzoeksinstituut naar Delfts model aan het bouwen is. En ook de Amerikanen kijken de kunst af: in Loui­siana helpen Nederlandse onderzoekers met het opzetten van een lokale Deltares-kloon. ‘Een enorm compliment’, aldus Maccabiani.

Maar van complimenten kun je niet leven, dat weten ze bij Deltares ook. Dus hoe zorgen ze ervoor dat ‘de slimste zijn’ zich ook vertaalt in ‘geld verdienen’? De onderzoekers benadrukken dat ze een organisatie zonder winstoogmerk zijn, en dat hun voornaamste taak een publieke is: de kennis leveren die ervoor zorgt dat Nederland droge voeten houdt en over voldoende water beschikt. Bovendien houden ze er een open businessmodel op na: kennis over waterbouwkundige projecten is vrij beschikbaar als Deltares het eenmaal ontwikkeld heeft. Veel van hun software is gemaakt volgens open source-principes.

Is Nederland daarmee de gekke Henkie van de internationale waterwereld? Het land dat zijn unieke kennis makkelijk weggeeft? Op het eerste gezicht wel. Terwijl andere landen hun nationale waterindustrie het liefst zo veel mogelijk afschermen, staat de Nederlandse watereconomie wijd open: buitenlandse bedrijven kunnen hier komen leren het water buiten te houden. Toch is die strategie verstandiger dan op het eerste gezicht lijkt. Als semi-publieke instelling is Deltares snel welkom voor een overleg met buitenlandse overheden. Met Deltares kunnen ze praten, de markt verkennen, zonder direct af te hoeven rekenen. Dat is aantrekkelijk voor landen, maar op die manier is Deltares ook de wegbereider voor Nederlandse bedrijven. ‘Ze gaan mee op onze bagagedrager’, legt Maccabiani uit. ‘Wij stellen onze plannen op met de expertise van Nederlandse waterbedrijven in het achterhoofd. En Deltares raadt Nederlandse waterbouwers aan bij onze buitenlandse klanten. Zo trekken we samen op om de Chinezen buiten de deur te houden.’

De watersector staat goed bekend, is strak georganiseerd en schuift wereldwijd bij regeringen aan tafel. Maar er is één punt van zorg: onze goede reputatie is gekocht met stevige onderzoeksbudgetten. Harry Baayen van Deltares: ‘We zitten bij de beste projecten omdat we een goede naam hebben. Als je dat verwaarloost, zak je snel weg.’ Wat Baayen betreft is er dan ook ‘reëel risico’ dat Nederland in de toekomst niet meer eerste keus zal zijn: ‘In vrijwel alle Europese landen wordt er juist meer geïnvesteerd in wateronderzoek. Behalve in Nederland. Ook de Verenigde Staten worden een steeds grotere speler, hetzelfde geldt voor Australië en Canada. Wat betreft schaal zijn India en China een bedreiging, al leiden die hun ingenieurs vooral op voor de thuismarkt. Ze gaan niet direct de wereld over.’

Vooral in het toepassingsgericht onderzoek kan er wel een tandje bij, vinden vrijwel alle watertopmannen. Nu is het nog te veel verdeeld: de universiteiten doen het fundamenteel onderzoek, bedrijven en bureaus als Deltares zijn er voor de toepassing. Voorbeelden zijn er genoeg. Zo nam het Maritiem Research Instituut in Ede onlangs een gigantisch golfslagbad (inhoud: 35 miljoen liter water) in gebruik om natuurlijke omstandigheden van de scheepvaart te kunnen nabootsen. Ook bij Deltares beschikken ze over een miniatuurversie van de wereldwaterhuishouding. In een enorme hal, achter op het terrein, worden zeeën, rivieren, meren en havens in het klein nagebouwd. In het ‘Atlantic Basin’ staat momenteel een schaalmodel van de Westerschelde. In het ‘Pacific Basin’ wordt de golfslag in een Koreaanse haven gesimuleerd. Dit soort onderzoek moet ook door het nwo ondersteund worden, vindt de watersector.

De overheid fungeert ook als een belangrijk smeermiddel. Dat blijkt een maand terug. De top van de Nederlandse watersector zit opnieuw in het vliegtuig naar Bakoe, nu samen met minister Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur). Twee jaar na de overstromingen in Azerbeidzjan heeft Nederland voet aan de grond gekregen. Er liggen contracten, er wordt al gegraven, de onderzoekers hebben missies uitgevoerd en de Azerbeidzjaanse minister van Noodsituaties, Kamaladdin Heydarov, kwam op bezoek naar Nederland. Hij behoort tot de kern van de presidentiële entourage, maar de ontvangst in Den Haag is typisch Nederlands, vertelt Harry Baayen van Deltares: ‘Zo een man wordt dan bij het vliegveld opgehaald door zijn eigen ambassadeur. Hij gaat naar de minister voor een overleg bij een kopje koffie. Komt bij ons op bezoek, dan organiseren we een klein symposium. Maar het blijft zakelijk. Er wordt gezamenlijk gegeten maar daarna gaan ze weer en moeten ze zichzelf redden.’

In Bakoe beseft het gezelschap dat het ook anders kan. Dat persoonlijke relaties essentieel zijn, dat een beetje fêteren en je gasten ver­maken daarbij hoort. ‘Als wij komen staat de minister op het vliegveld te wachten. De staatssecretaris is er de hele tijd bij, op hun kosten reizen we het hele land door, per helikopter naar allerlei bijzondere plekken.’ Het is een mengeling van gastvrijheid en relatiemanagement. ‘Wij kunnen daar wat van leren’, beseft Baayen.

En Azerbeidzjan staat niet bepaald bekend als een land met ‘transparante aanbestedingsprocedures’ en strenge concurrentieregels. ‘Dat kan lastig zijn’, erkent Henk Nieboer van Witteveen+Bos. Ook daarmee moeten Nederlandse bedrijven leren omgaan: ‘We houden ons in ieder geval ver van illegale transacties. Het kan ook zijn dat we bevriende bedrijven een stuk werk laten uitvoeren, of ze eens inschakelen als we ergens anders werken.’ Het is de voor-wat-hoort-wat-cultuur, noodzakelijk om contracten te verwerven. Dat snapt de sector ook wel. Fugro, bijvoorbeeld, steunt het Azerbeidzjaanse symfonieorkest. Zo werkt dat.

In weinig sectoren is economische diplomatie zo van belang als in de watersector. Water is immers niet zomaar een private sector: delta’s en dijken hebben te maken met veiligheid, een overheidstaak. Het feit dat minister Schultz van Haegen meereist naar Bakoe is essentieel, beaamt iedereen. Het opent de allerbelangrijkste deur: tijdens het bezoek wordt de Nederlandse delegatie ontvangen door president Ilham Aliev. ‘Hij was zeer goed op de hoogte, ik was onder de indruk’, zegt Henk Nieboer. En de president is complimenteus. ‘Hij zei letterlijk: de oplossingen zijn goed, jullie zijn pragmatisch, jullie komen de afspraken na’, aldus Nieboer. Belangrijker dan die woorden is natuurlijk het informele stempel van goedkeuring dat een ontvangst door de president betekent. Zonder de aanwezigheid van de minister hadden Royal Haskoning, Damen scheepsbouw, baggeraar Van Oord en Witteveen+Bos die entree niet gehad. ‘Het straalt toch af op de bedrijven die meereizen. En met die contacten kun je dan weer aan de gang’, zegt Nieboer.

Tegelijk zeggen alle betrokkenen dat de Nederlandse overheid geen contracten kan sluiten, dat er wel ‘een business-case’ moet zijn, dat bedrijven zelf het pad moeten effenen. En daarom bepaalt het bedrijfsleven, en niet de overheid, de reisbestemming. ‘Wij moeten het initiatief nemen en zeggen: we willen naar die en die landen, de overheid kan helpen die ­bezoeken te organiseren en ons binnen te krijgen op het hoogste niveau’, aldus Jan Bout. ‘Dat is veel effectiever.’ Bout heeft zijn oog al laten vallen op een aantal landen waar én de overheid een cruciale rol speelt én de delta’s een issue zijn, én waar geld is om er iets aan te doen. ‘In Azië is een enorm laaglanddeel. Indonesië, met Jakarta. Vietnam is ook zo’n land.’ En uiteraard Thailand, dat vorig jaar dramatisch overstroomde. De sector wilde dolgraag aan de slag en dus ging staatssecretaris Atsma in maart naar Bangkok.

Is Nederland daarmee hard op weg de belangrijkste waterbouwer in Azië te worden? Niet helemaal. De grootste markten India en China blijven voorlopig buiten beeld. Er zijn verschillende pogingen geweest om samen te werken met regeringen van de Aziatische reuzen, maar die liepen uiteindelijk stuk op protectionistische maatregelen en ‘integriteitsproblemen’, vertelt Harry Baayen. ‘In India romen de deelstaten een stuk van de overheidsbudgetten af. In China moet je altijd samenwerken met nationale bedrijven’, aldus de Deltares-­directeur. Dan liever Azeri, die zien ons graag komen, getuige de oorkonde die in Baayens kast staat: Deltares behoort tot de Dutch friends of the government of Azerbeidjan, staat er in zwierige letters op geschreven.


Waterland

Nederland is een waterland, luidt het terechte cliché. We wonen niet alleen in een delta, maar we verdienen er ook geld mee. Er werken ongeveer tachtigduizend mensen in de watersector, die bestaat uit een deel ‘maritiem’ (zeeschepen, havens, maritieme industrie), een deel ‘watertechnologie’ (drinkwater, irrigatie) en een deel ‘deltatechnologie’ (dijken, waterkering, drooglegging). Nederland is met een marktaandeel van veertig procent wereldwijd vooral groot in de waterbouw, een onderdeel van de deltatechnologie. In totaal heeft Nederland zes procent van de markt in handen in delta’s, en in irrigatie en drinkwater veel minder. De onderzoekintensiteit (gemeten naar de r&d-budgetten ten opzichte van de totale toegevoegde waarde) is hoog: vijf procent, ten opzichte van 1,7 procent gemiddeld in andere sectoren. Net als bijvoorbeeld high-tech, agrofood en energie behoort ‘water’ tot de zogenaamde topsectoren, pijlers die de Nederlandse economie de komende decennia moeten dragen en die daarom extra ondersteuning krijgen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Infrastructuur.