Geef toch toe aan gekkigheid!

JOKE VAN LEEUWEN
ALLES NIEUW
Querido, 156 blz., € 18,95

Joke van Leeuwen zet je altijd op een onnadrukkelijke manier aan het peinzen, zowel in haar werk voor de jeugd en haar poëzie als in haar proza. Ze blijft ook in haar nieuwe roman, haar tweede, trouw aan haar uitgangspunten: ze vermengt drama met lichtvoetigheid en voegt aan deze ingrediënten speelse en soms grillige invallen toe rondom taal en werkelijkheid. Van Leeuwen is een verbaasde, vaak geestige observeerder die menselijke onmacht, miscommunicatie en vervreemding niet met grote woorden omcirkelt maar altijd langs een omweg benadert. Dit betekent dat haar werk soms alleen lichtvoetig en speels lijkt te zijn, juist omdat ze het verdomt de zwaarte ervan, de geëngageerde ernst die eraan ten grondslag ligt, de overhand te laten krijgen. Daardoor krijgt het, paradoxaal genoeg, soms ook iets vrijblijvends, al is dit bij nader inzien toch niet het goede woord. Je kunt beter zeggen dat ze haar ambitieuze literaire programma voortdurend aan het oog probeert te onttrekken. Bij haar geen expliciete gevoelsuitbarstingen en larmoyant gezeur, ze voegt steeds tegenwicht toe, vaak door kleine, verborgen humor die haar betrokkenheid draaglijk moet maken. Engagement, melancholie en maatschappelijke woede vechten in haar werk om voorrang en langzamerhand slaagt ze erin er steeds duidelijker contouren aan te geven. In haar poëzie spreekt ze zich af en toe het duidelijkst uit, maar ook daar altijd vermomd en half verzwegen. In een van de gedichten uit de bundel Vijf manieren om op iemand te wachten (2001) staat het als volgt: ‘Ik moest naar huis terug./ Ik moest/ er woorden bij. Maar hoe te weten/ of wat ik in mij woorden zei/ en zij in hun taal anders ook/ in hun taal net zo heette.’
Het gaat ook in haar nieuwe roman voor een belangrijk deel om miscommunicatie. Van Leeuwen brengt twee personages bijeen, de een is een oude vrouw die verstikt is geraakt in schuldgevoel rondom haar dochter die alle contact met haar heeft verbroken. De ander is een jonge vrouw, net afgestudeerd kunstenares, die de tweede verdieping huurt van de oude vrouw en probeert ‘door te breken’ in de kunst. Afwisselend komen beiden aan het woord, en zo krijgen we langzamerhand meer zicht op hun dromen en verwachtingen. De jonge vrouw ontdekt in haar appartement steeds meer sporen van het verleden van haar huurbazin. Sporen van haar dochter: een oud bureau, foto’s en een afgesloten kamer. Ze dringt meer en meer door tot het leven van die dochter. Dit alles neergezet in de typische Van Leeuwen-stijl: concreet, indringend en soms licht absurdistisch: ‘Het bureau waaraan ik werk is vroeger vast van die dochter geweest, mijn kamer was haar kamer waarin ze zich kon terugtrekken. Op het bureaublad zitten vlekken waar ze haar handen moet hebben gehouden en er heeft een pen gelekt, een ouderwetse vulpen zoals mijn ouders nog hadden, die ik mooi vond omdat je er de inkt mee uit een potje kon opzuigen, in een paar grote slokken, daarna kwam die er in woorden weer uit.’ Opvallend zijn de realistische ingrepen die de schrijfster in de tekst plaatste. Ze voegde schetsjes, ontwerpen en tekens toe van de kunstenares, maar ook meer dramatische tekeningen van een collega-kunstenaar die in een psychiatrische inrichting is opgenomen. Ook getypte briefjes van de dochter aan haar moeder staan verspreid door het boek, plus fotokopieën van onvoltooide briefjes van de moeder. Ze werken mooi uit als pijnlijk intieme bewijsstukken van verwoeste mensenlevens.
Er zit iets aarzelends in deze roman. Aan de ene kant stond Van Leeuwen zichzelf de haar kenmerkende vrolijke invallen toe, dit werk bevat allerlei bizarre en geestige passages. Zie bijvoorbeeld de beschrijving van het vriendje Flor van de kunstenares wanneer ze gestoord worden bij het vrijen: ‘(…) en Flor zat op het bed en zijn lul hing moedeloos naar beneden als een teleurgesteld kind dat niet meer mag spelen.’ Of de beschrijving van mensen die ergens ‘in een rij staan te wachten met al hun gedachten opgevouwen in hun hoofd’. Aan de andere kant werkte ze in deze roman meer dan anders met elementen uit de realistische en melodramatische romantraditie, waarbij ze zich dus weinig ruimte gunde voor rare strapatsen. Ik vond dat jammer.
Geef toch toe aan gekkigheid! Nu blijft die oude vrouw in hoofdzaak alleen onderdrukt en verdrietig, zwak en hulpeloos, je kunt merken dat Van Leeuwen erg met haar te doen heeft. Maar daarmee heb je nog niet een boeiend personage. Mijn interesse voor haar bleef juist daardoor op een laag pitje staan. Waarom haar geen tegenwicht gegeven? Iets krachtigs en doortrapts, een rare vrolijke draai, iets krankzinnig levenslustigs, waar ik verbaasd naar zou kijken en die de roman zou uittillen boven het melodramatische? Juist dit soort tegendraadse ingrediënten zijn de sterke kanten van Van Leeuwens schrijverschap. De scheve blik, de weigering te zwelgen in (zelf)medelijden, de geestige dwarsigheid. Geef mij het gemene van een personage, het krankzinnige, het ontwapenende, het dartele, het wonderbaarlijke. Schrijfmiddelen die Van Leeuwen als geen ander beheerst, dat heeft ze wel bewezen, maar waar ze in deze roman minder dan anders mee heeft willen werken.