Geef toch toe dat je een eikel bent

De vijand in jezelf is sinds de Romantiek een belangrijk thema in de westerse literatuur. Romanhelden zijn druk bezig zichzelf te bestrijden of voor te liegen.

Komt de vijand van buiten of zit die in jezelf? In sommige Donald Duck-verhalen is de vijand een klein rood duiveltje, gewapend met een drietand, dat Donald allerlei valsheden influistert. Hij komt dus van buiten, maar we weten als lezer dat dit kwaadaardige ventje een afsplitsing is van het geweten. Ook in oude heiligenverhalen dient de vijand (het kwaad) zich vaak aan als iets dat van buiten komt. Verkeerde vrienden, praalzucht, mooie dames: allemaal verleidingen van buiten, allemaal door de duivel ingefluisterd. Je kunt pas heilig worden als je ze overwint. Maar wat moet je precies overwinnen? Jezelf of de verkeerde anderen?

Medium vijandinjezelf

Augustinus zag al in dat de vijand wel degelijk ook van binnen zit en dat je dus jezelf moet bestrijden wil je een goed leven leiden. Hij neemt het zichzelf in zijn autobiografische Belijdenissen (vijfde eeuw na Christus) ernstig kwalijk dat hij zich in zijn jeugd niet tot zijn schepper bekeerde. ‘Want dit is mijn zonde’, schrijft hij, ‘dat ik niet in hem, maar in zijn schepselen, in mijzelf en anderen, genot, verhevenheid en waarheid zocht, en zo stortte ik mij in smart, verwarring en dwaling.’

Let op dat ‘in mijzelf’. Het kwaad kwam dus niet alleen van buiten maar lag ook in hemzelf. Augustinus put zich vervolgens uit in uitvoerige, maar weinig concrete opsommingen van al het kwaad waar hij zich aan overgaf. ‘Hels genot’, ‘lichtschuwe minnarijen’, ‘verkwisting’, ‘hebzucht’. Bijzonder aardig is dat hij dit toch niet alleen toeschrijft aan influisteringen van de duivel die hem op het kwade pad wil brengen. Want even verderop schrijft hij: ‘Wat was het anders, dat mij genot gaf, dan te beminnen en bemind te worden?’ Dus zijn wending naar het kwaad kwam voort uit een innerlijke behoefte geliefd te worden. En hierin ziet Augustinus verderop wel degelijk de eerste kiemen van zijn bekering.

Bij Franciscus van Assisi zat het met de bestrijding van het kwaad weer anders. Hij probeerde het kwaad in zichzelf te overwinnen door extreme navolging van het leven van Jezus. Door goede werken, sober leven en nederigheid. Dus liet hij zich bijvoorbeeld in Assisi en omgeving geboeid aan een touw meevoeren en streng door zijn medebroeders straffen omdat hij een keer aan een stukje gebraden kip had gedacht. Hij voerde zijn eigen ‘slechtheid’ op als argument ter bekering, al wist de bevolking heel goed (ze moesten vaak lachen om zijn dwaze voorstellingen) dat het wat slechtheid betrof met hem allemaal reuze meeviel. Hij keek overdag regelmatig recht de zon in, schrijft zijn biograaf Thomas de Celano enigszins verbijsterd, omdat zo zijn ogen zouden tranen en hij aldus steeds over het lijden van de Heer kon wenen. Extreme ascese dus, als voorbeeld van kwaadbestrijding. Augustinus had dit ongetwijfeld streng afgekeurd.

In de moderne tijd vind je dit gedrag niet vaak meer, extreme navolgers zie je niet meer, men verzwijgt liever waar het allemaal vandaan komt. Ook zelfkastijders hebben afgedaan, zelfbeschuldigingen als die van de genoemde heiligen doen er niet meer toe. Zeker niet als ze gepaard gaan met opzienbarende performances als die van Franciscus. Iemand als Geert Wilders bestrijdt niet de vijand in zichzelf. Je zult hem niet snel handenwringende sketches zien opvoeren waarin hij zijn eigen slechtheid als argument voor de verbetering van de wereld uitserveert (‘Vroeger was ook ik moslim’). We willen nog wel navolgen, vooral als we daarmee de vijand buiten ons kunnen benoemen, maar de vijand in ons die we door navolging en zelfkastijding zouden kunnen bestrijden laten we het liefst met rust. Wie nu navolgers wil hebben, demonstreert vooral zijn of haar gewiekstheid, opent een Facebook-pagina, een Twitter-account, schrijft columns of spreekt voor een paar duizend man over de nieuwste richting in de managementtheorie.

Sinds het einde van de achttiende eeuw hoort ‘goedpraten’ van het kwaad in de literatuur tot een nieuw genre. De vijand in en van jezelf wegredeneren. Het grote voorbeeld, naast het werk van De Sade, is Rousseau’s meesterwerk Bekentenissen (1782) waarin zelfmedelijden, narcisme en megalomanie om voorrang strijden. De vijand in dit werk is Rousseau’s ongeremde en tot wangedrag leidende ambitie om het te gaan maken. Hoe dan ook. Hij wil succes hebben, alles moet daarvoor wijken en wie hem op weg naar succes voor de voeten loopt, kan rekenen op ongenadige afrekeningen. Rousseau spaart zichzelf niet, dat maakt dit werk zo fraai. Je kunt het niet anders dan handenwringend lezen. Geef nu toch toe dat je een eikel en een nitwit bent, voel je jezelf denken tijdens lezing ervan, en dat geeft hij ook wel toe, maar steeds heeft hij een sterk zelfmedelijdende rationalisatie voor zijn gedrag achter de hand. Altijd slaagt hij erin allerlei kwaadaardigheden die hij toch echt begaat weg te redeneren. Hij schrijft zijn wangedrag expliciet toe aan een nooit overwonnen schuldgevoel over de dood van zijn moeder: ze overleed bij zijn geboorte. Hij is schuldig aan haar dood, pepert hij de lezer zelfmedelijdend in, maar tegelijkertijd grijpt hij deze tragische gebeurtenis aan om zijn wangedrag goed te praten. Hij kon er niks aan doen, het leven viel nu eenmaal niet mee, hij meende het niet zo kwaad, et cetera. De vijand, dat zijn bij Rousseau de anderen, terwijl je als lezer steeds scherper zijn doortrapte redeneertrant doorziet. Hij rationaliseert de vijand in zichzelf. Wat dit betreft is hij een echt modernistische schrijver.

‘Ik hing hem op terwijl de tranen uit mijn ogen stroomden en met een gevoel van de allerdiepste wroeging in mijn hart’

Met het werk van Edgar Allan Poe (1809-1849) komt het thema van de vijand in jezelf de moderne literatuur voorgoed binnen. Klassiek voorbeeld is het morbide verhaal The Black Cat. Eerst mishandelt de held zijn kat Pluto (god van de onderwereld!). Hij steekt hem ‘zomaar’ een oog uit. ‘Hebben we niet allemaal een steeds terugkerend verlangen, ook al gaat het in tegen al onze intenties, om de wet te overtreden, alleen maar omdat we het een wet vinden?’ houdt de opgewonden verteller ons retorisch voor. Een paar dagen later hangt hij de kat op, ook zomaar: ‘Ik hing hem op terwijl de tranen uit mijn ogen stroomden en met een gevoel van de allerdiepste wroeging in mijn hart.’

Maar ja, toch ophangen. Doen wat je ten diepste niet wil, tegen jezelf in gaan dus. Zelfvernietiging. Dan gaat hij, uit wroeging en verdriet, op zoek naar een andere kat, en hij vindt hem. De held vat opnieuw een geweldige haat voor de kat op (zelfhaat), onder meer omdat die kat zo goed met zijn vrouw kan opschieten. Wanneer hij de kat met een bijl wil doden slaat hij per ongeluk zijn vrouw de hersens in. Hij metselt haar lichaam in in een muur van zijn huis. De kat is verdwenen. Als de politie op bezoek is horen ze ineens geluid uit de muur komen, gemiauw, gepiep, gekrab. Hij heeft per ongeluk de kat bij zijn vrouw ingemetseld. Prachtig verhaal, waarin freudianen later de hele psychoanalytische theorie rondom het onbewuste meenden te herkennen.

Het thema van de vijand in jezelf is sinds de Romantiek bon ton in de westerse literatuur. Vaak uitgebeeld in twee elkaar bevechtende of tegenstrijdige figuren, in dubbelgangers. Zie bijvoorbeeld The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde (1866) van Robert Louis Stevenson. Bij ons heb je natuurlijk Willem Frederik Hermans die zijn helden, vooral in zijn vroegere werk, steevast de afgrond in jaagt omdat ze het gelijk of het ongelijk van zichzelf niet kunnen verdragen. De typische Hermans-held bevecht in hoofdzaak zichzelf. Zie vooral in De donkere kamer van Damokles het dubbelpersonage Osewoudt en Dorbeck.

Je komt zelfbestrijders in de literatuur sinds de late negentiende eeuw steeds vaker tegen. Bij Dostojevski bijvoorbeeld de moordenaar Raskolnikov in Misdaad en straf. Zeker ook bij Kafka, wiens personages de ‘schuld’ vooral bij zichzelf zoeken, en die niet aan de een of andere ‘ander’ geven of bij ‘de’ instituties neerleggen. Ze vinden altijd dat ze zelf ‘gevonnist’ zouden moeten worden. Dus zijn ze altijd in de weer zichzelf te bestrijden of voor te liegen.

In de recente Nederlandse literatuur zie je dit thema prominent opduiken in het oeuvre van Wessel te Gussinklo, wiens ‘helden’ zichzelf altijd tegenspreken, tot de orde roepen, ondermijnen en erop uit zijn hun hoge idealen naar beneden te halen. Ze bestrijden de kleinburger in zichzelf, dat is de vijand, alles tevergeefs natuurlijk. Dit geeft aan zijn werk een hoogst dwingende, pijnlijke, maar zeker ook wanhopig-geestige toon. Altijd proberen zijn helden zichzelf gerust te stellen, het gaat vast allemaal goed komen, maar steeds lopen ze in de val van hun eigen onvermogen ooit tot articulatie van hun drijfveren te komen. ‘O de vreselijke onzinnigheid van alles wat hij beweerde’, staat bijvoorbeeld in de uiterst obsessieve roman De opdracht (1995). Of: ‘(…) terwijl hij alleen maar aardig wilde zijn tegen iedereen, dat wist hij zeker’. Ja, dat wist hij zeker, maar de onzekerheid druipt ervan af. Ook in Te Gussinklo’s nieuwste, geslaagde roman Zeer helder licht (2014) leidt dit bij de held tot zelfhaat en tot onvermogen te formuleren waar het hem om begonnen is. Soms weet hij alleen nog een raar soort gestotter uit te brengen, vol ‘ach ja’, of ‘weet ik veel’ of andere dooddoeners.

Tot de traditie van de literaire zelfbestrijder hoort zeker ook het werk van de adembenemende veelschrijver Herman Brusselmans. Zojuist verscheen zijn, als ik het goed heb, 71ste boek, Poppy en Eddie en Manon. Ruim vijfhonderd pagina’s minimale belevenissen, opnieuw prietpraat tot in het oneindige. Brusselmans bestrijdt zichzelf door een steeds verder uitgewerkte parodie van en op literatuur en van en op zichzelf. Hij schrijft destructieve literatuur omdat hij niet wil ondergaan in romantische pathetiek en borstklopperij. Je kunt zijn werk opvatten als een bijna religieuze, zo men wil mystieke poging zichzelf zo klein mogelijk te maken. Zijn literatuur wil een voorbeeld zijn van nederigheid. Alle mooischrijverij helpt hij in zijn werk om zeep, iedere diepzinnigheid maakt hij belachelijk, ieder sentimentalisme is bij hem een gotspe, ieder geloof in schoonheid een kwestie van onzin. Literatuur is bij hem het toppunt van gekunsteldheid en moet bestreden worden. Pas dan kan ‘bekering’ tot stand komen. Literatuur is de grote vijand en precies daarom schrijft hij zo obsessief literatuur.

Brusselmans is de Franciscus van de Nederlandstalige literatuur. Hij zet zichzelf neer als nitwit, ouwehoer, zelfmedelijdende kwast, semi-racist, grappenmaker, kletskoekexistentialist, nep-betweter en halve gare, alleen om de hovaardige schrijver in zichzelf te bestrijden. Hij wil geen schrijver zijn en daarom schrijft hij volgens een volstrekt eigen, ijzeren logica de ene roman na de andere. Zijn werk is het hoogtepunt en tegelijk ook het eindpunt van de Nederlandstalige Romantiek.


Beeld: Richard Mansfield als Jekyll & Hyde, circa 1885 (Library of Congress).