Vinod Subramaniam

Even kriskras door de loopbaan van Vinod Subramaniam: hij is als natuurkundig onderzoeker verbonden geweest aan diverse buitenlandse universiteiten, waaronder het beroemde Duitse Max Planck Institut; in 2004 werd hij aangesteld als hoogleraar biofysische technieken aan de Universiteit Twente; in 2013 werd hij directeur van het FOM-instituut AMOLF, de gerenommeerde organisatie voor natuurkundig onderzoek in Amsterdam, en in 2015 werd hij rector magnificus van de Vrije Universiteit, ook weer in Amsterdam.
Pff.
Zes jaar lang, tot september 2021, was hij, geboren in Madras (Zuid-India), het gezicht van de universiteit die zich ooit nadrukkelijk beriep op haar gereformeerde wortels. ‘Dat ze me vroegen, vond ik getuigen van lef’, zegt Subramaniam. ‘Een brahmaanse hindoe als ik die zo’n functie mag vervullen aan een universiteit met zo’n andere traditie.’ Hij grinnikt even. ‘Bij de VU nemen ze levensbeschouwing serieus, elke levensbeschouwing, ook de mijne.’
Subramaniam kreeg veel lof: de Vrije Universiteit behoort inmiddels tot een van de meest diverse van het land, zeker wat betreft de studentenpopulatie. Bij zijn afscheid als rector barstte een lid van de studentenraad, een vrouw met een hoofddoek, in tranen uit. Dat trof Subramaniam, daar had hij niet op gerekend. ‘Ineens realiseerde ik me dat het ertoe doet om een rolmodel te zijn, en dat word je bijna zonder dat je het wilde, vanwege je afkomst, bijvoorbeeld. Er zijn zoveel studenten die niet automatisch de aansluiting hebben met de oude, gereformeerde VU. Ze zien aan mij dat je er ook op een andere manier kunt komen.’
Hij vertelt hoe inspirerend hij het vond om te merken dat de VU veel studenten trekt die de eersten van hun familie zijn om academisch onderwijs te volgen. ‘Die hebben geen rolmodellen thuis, die kunnen hun moeder of vader niet naar hun studentenervaringen vragen: ze beginnen iets nieuws, ze begeven zich op onbekend terrein.’ Subramaniam ziet zeker parallellen met het publiek van Het Concertgebouw, waar juist de nieuwkomers, die weinig tot geen ervaring hebben met klassieke muziek, een drempel over moeten. Als rector aan de VU legde hij de nadruk op een stevige begeleiding voor studenten en een strak onderwijsprogramma. Liever iets te ‘schools’ dan te weinig persoonlijke aandacht.
Je mag spreken van een fikse carrière, zowel in wetenschappelijk als in bestuurlijk opzicht: sinds het najaar van 2021 is Subramaniam voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Twente. Hij mompelt het terloops, maar het is toch goed te horen: ‘De eerste en enige gekleurde universitaire collegevoorzitter in Nederland.’
Je zou denken: zo iemand is inmiddels wel wat gewend, die kijkt er niet van op wanneer er om hem geworven wordt. Dat blijkt toch niet het geval, want toen hij in de zomer van 2021 gepolst werd om toe te treden tot de raad van commissarissen van Het Concertgebouw zag hij dat niet aankomen. ‘Ik dacht, toen iemand mij benaderde: maar dat is nog eens een glazen plafond om te breken! Dat ze iemand als ik vragen om zich zozeer te verbinden met deze tempel van de westerse klassieke muziek.’
Hij was al langer een geregeld concertganger, samen met zijn vrouw: kaartjes kopen, een hele abonnementsserie. Kijk, dat hoeft hij nu als commissaris niet meer te doen. Maar zelfs hij, man van de wereld en van de wetenschap, kent het gevoel in Het Concertgebouw net iets anders bekeken te worden; alsof zijn aanwezigheid uitleg behoeft, alsof hij er eigenlijk niet thuishoort. Subramaniam, nadrukkelijk: ‘Ik stoor me er niet aan.’
Hij peinst nu ook hardop over het verschil tussen iemand als hijzelf met India als vaderland, een land dat allang bezig is een superpower in de wereld te zijn, en de Nederlandse Surinamer of Marokkaan, die niet kan bogen op een achtergrond met zo’n wereldwijde impact.
Als scholier bezocht Subramaniam een katholieke middelbare school in New Delhi, waar het gezin vanwege het werk van zijn vader naartoe verhuisde. Naast die school stond de katholieke kathedraal van New Delhi. ‘Als vanzelf liep je er binnen en hoorde je er muziek.’ Subramaniam noemt het ‘een geluk’ dat hij zodoende werd blootgesteld aan de westerse klassieke muziek. ‘Er is natuurlijk ook de Indiase traditie van klassieke muziek, weer heel anders. Maar hoewel ik er niet mee ben opgevoed, werd ik toch meteen gegrepen door Bach. Dat is kennelijk iets werkelijk universeels.’

Ik vraag even door over die ouderlijke achtergrond. ‘Safely middle class?’ Daar mag ik gerust ‘safely upper middle class’ van maken. Zijn vader had zelf gestudeerd in Groot-Brittannië en schopte het uiteindelijk tot senior partner van een van India’s grootste accountancyfirma’s, vergelijkbaar met KPMG, het van oorsprong Nederlandse, internationale accountants- en adviesbureau. ‘Maar westerse klassieke muziek heb ik van huis uit niet meegekregen. Ik hoorde weleens wat op de radio en later, op die katholieke school, kwam ik in aanraking met veel kerkmuziek. Maar ik speelde bijvoorbeeld zelf geen instrument, zoals mijn dochter dat nu wel doet. Ik zie wat een verschil zoiets maakt: al repeterend en musicerend raakt ze vertrouwd met het idioom.’
Subramaniam benadrukt nog eens het belang dat Het Concertgebouw moet hechten aan de eerste generatie luisteraars, ‘al die mensen die niet vanzelfsprekend met klassieke muziek zijn opgegroeid, die net als ik niet zelf een instrument bespelen. Geef die nieuwe Concertgebouw-bezoekers extra steun, meer begeleiding, zoals dat ook op de VU gebeurt met nieuwkomers. Geef ze het idee: ik hoor hier, deze muziek is ook voor mij gemaakt.’
En natuurlijk, vindt Subramaniam, mag je ook van de nieuwkomers verwachten dat ze bereid zijn nieuwe dingen te leren en zich die eigen te maken. Ook als het betekent dat ze wat extra moeite moeten doen, omdat ze het idee van klassieke muziek niet met de paplepel ingegoten hebben gekregen. ‘Uiteindelijk zijn kleur, afkomst, levensbeschouwing of geloof niet afdoende redenen om iemand binnen te willen halen in Het Concertgebouw.’ Maar – het is een van zijn weinige, Engelse zinnen tijdens dit interview: ‘Everybody deserves a fair chance.’
Als achttienjarige student vertrok Subramaniam vanuit India naar New York, om zich aan de Cornell University in te schrijven. Hij werkte er als vrijwilliger in de bijbehorende concertzaal, waar hij mensen naar hun plaatsen begeleidde. ‘Zo heb ik al doende kunnen kennismaken met heel verschillende klassiekemuziekstijlen, want ik bleef natuurlijk hangen in de zaal, ik wilde ervaren wat al die mensen gingen beleven.’ En, zegt hij: ‘Vergeet niet: wat wij nu scharen onder de noemer “westerse klassieke muziek” is van zichzelf al heel divers.’
Nee, het lijkt Subramaniam niet per se een goed idee om Wagner vanaf nu in Het Concertgebouw enkel nog door een zwarte sopraan ten gehore te laten brengen. En een programmering van negentig procent zogeheten wereldmuziek, daar ziet hij ook geen heil in. ‘Het is belangrijk dat ook de staf van Het Concertgebouw, alle mensen die er op de een of andere manier voor werken, divers is qua samenstelling. En geef ook jonge, aanstormende talenten het podium.’
Een tijdje geleden las Subramaniam een artikel in The New Yorker over de jonge Afro-Amerikaanse bas-bariton Davóne Tines, die de conventies van de klassieke muziek uitdaagt. ‘Zo’n bericht stuur ik meteen door naar directeur Simon Reinink.’
De kop van het verhaal in The New Yorker luidde: ‘Deze man verandert wat het betekent een klassiek zanger te zijn’. Tines zingt onder meer werk van de zwarte avant-gardecomponist Julius Eastman, die onbehoorlijk onbekend bleef tot aan zijn dood in 1990, en die net als de zanger zelf zijn zwarte en homoseksuele ervaring laat doorklinken in zijn muziek.
Subramaniam: ‘Het Concertgebouw zal zijn verhaal op een andere manier moeten vertellen. Het gaat niet alleen om kleur en afkomst, het gaat ook over de leeftijdsopbouw van het publiek. Er groeit een hele generatie op in Nederland die huiverig is om Het Concertgebouw te betreden, omdat ze denken dat het niets voor hen is. Dus de luiken moeten open.’
Subramaniam deed het eerder aan de VU. Zo wil hij ook een eerste generatie Concertgebouw-bezoekers ‘leren om te leren, leren om te luisteren’.
Stephan Sanders sprak in deze maandelijkse interviewreeks met uiteenlopende mensen over de vraag hoe de wereld van de klassieke muziek inclusiever kan worden. Deze reeks is een samenwerking tussen De Groene en Het Concertgebouw. De negen gesprekken van Sanders in deze reeks, met onder meer Vinod Subramaniam en Jaap van Zweden, zijn gebundeld in het boek Van exclusief naar inclusief, uitgegeven door Het Concertgebouw i.s.m De Groene Amsterdammer. Het boek is voor €15 te koop in onze webwinkel.