Geeft niet, ik loop

Het sprongbeen (L’astragale, 1965) begint met een klap en gaat verder met pijn. Anne is ontsnapt: ‘De hemel was zeker tien meter naar boven geschoven. Ik bleef zitten, ik had geen haast.’ Maar als ze probeert weg te lopen, blijkt ze wat gebroken te hebben: haar sprongbeen, het botje dat hiel met enkel verbindt. Die vrijheidsbeperkende blessure zal haar ruim een jaar lang dwarszitten, het jaar dat het romandebuut van Albertine Sarrazin bestrijkt.

Medium sarrazin sprongbeen

Het was een sensatie toen het verscheen, en je kunt wel bedenken waarom: Sarrazins negentienjarige Anne is een sympathieke kleine dievegge, een hoertje, dat maling heeft aan alles, stiekem verliefd wordt op haar redder en maar niet te ver vooruit kijkt. Ze is leuk. Plus: Sarrazin doorbrak taboes door te schrijven over gevangenschap, prostitutie, biseksualiteit. Ten slotte: ze bestond echt.

Sarrazin had ook gejat en gehoereerd, ze was bij een overval gepakt, ze had ervoor gezeten en ze was ontsnapt, en net als Anne had ze daarbij dat botje gebroken. Ook Sarrazin was toen door een lange vent gered en op verschillende onderduikadressen ondergebracht. Vele kleine misdaden, veroordelingen en een huwelijk later kreeg haar verhaal een voorlopig happy end toen in 1965 L’astragale en La cavale een groot succes bleken. Ze werd met Jean Genet vergeleken. Ze kreeg de Prix des Quatre-Jurys. Ze werd vertaald: Cirklen, Der Astragal, El astralago, L’astragalo, El Astrágalo, Astragal. Ze werd verfilmd.

Medium sarrazin

Twee jaar later was het opeens voorbij, toen ze stierf aan bloedvergiftiging na een operatie – op 29-jarige leeftijd. Zo’n levensverhaal geeft een boek gewicht. Maar Het sprongbeen kan op eigen benen staan. Sarrazin is een wendbaar schrijfster, die in die eerste twee zinnen al het contrast zoekt tussen een dichterlijk beeld en een droge vaststelling. Ze schiet heen en weer tussen tegenwoordige en verleden tijd, ze laat Anne mensen aanspreken, wegdromen, rondkijken. Ze is in één zin braaf op het clichématige af, poëtisch op het pathetische af, en uiterst origineel en geestig: ‘Aan de onderkant speelt mijn enkel verschrikkelijk op, smelt in vurige sleuven bij elke hartenklop – ik heb een nieuw hart in mijn been dat nog slecht is afgestemd en chaotisch op het andere reageert.’

Chaotisch, dat is het, en ik twijfel continu of dit boek slordig is of avontuurlijk. Sarrazin werkt veel scènes niet uit, zet even vaak ongelukkige beeldspraak als bijzondere in, beschrijft haar emoties in plaats van ze te tonen en schrijft opvallend omfloerst over seks. Want wat staat hier? ‘Nadat Julien de sleutel in het slot heeft omgedraaid, strekt hij zich in hemdsmouwen uit op het bed en valt onmiddellijk in slaap.’ En zelfs als Anne weer het hoerenleven opgezocht heeft, wordt met name ‘de liefde bedreven’.

Aangekomen bij de laatste zin realiseerde ik me dat Het sprongbeen veel beter in elkaar zit dan gedacht

Maar dan kom je verderop dit tegen: ‘Ik herinner me de waarde van post, de verbetenheid waarmee we schreven of erop wachtten; maar in de gevangenis gaan je gedachten prevelen, je beelden zoemen als grote gevangen insecten, je jaagt erop, je vangt er wat, je prikt ze vast, maar in elk geval vermink je ze: in ontvangen of verzonden brieven benadruk je, laat je weg, vervorm je…’

Insecten, wat een beeld! Om het een tweetal zinnen later te verpesten met meisjesdagboekproza: ‘Als ik vandaag in je woorden geloof, is dat omdat ik de wil, de behoefte heb om erin te geloven. Morgen…’

Ja, er had wat meer weggelaten moeten worden. Ja, dit is een typisch debuut, even onhandig en zoekend als getalenteerd geschreven. Het is een wat braaf verslag van een rauw bestaan. Maar aangekomen bij de laatste zin realiseerde ik me dat Het sprongbeen veel beter in elkaar zit dan gedacht. Ik had verbetener moeten zijn, beter moeten jagen, want dan had ik al eerder één beeld gevangen dat Anne’s vrijheid verbreedt tot iets wat niets met gevangenissen te maken heeft: bewegingsvrijheid, letterlijk en figuurlijk, romantische ruimte, morele vrijheid, onafhankelijkheid. En ze gaan niet altijd samen. Ik lees de slotzin, een nieuwe afdaling: ‘Geeft niet, ik loop: voor de agent uit daal ik de trap af en ik hink nauwelijks.’ De eerste keer dat Anne ‘loopt’: ‘Hij draagt me voorzichtig en veilig, ik ben weg uit de modder en ik loop in zijn armen tussen hemel en aarde.’ Anne kruipt, loopt zonder gips, met espadrilles, voorop, in zijn armen, ze tippelt.

De herontdekking van Het sprongbeen is te danken aan een Amerikaanse. Sarrazins oeuvre bleef ook na die eerste sensatiejaren beschikbaar in Frankrijk, maar elders werd het na een decennium wel stil. De in 2013 verschenen heruitgave met een voorwoord van Patti Smith leverde een nieuw publiek en acht vertalingen op. Smith, schrijft ze, had het boek in 1968 ontdekt en altijd gekoesterd. Misschien om de verkeerde redenen – Smith’s waardering is heel persoonlijk, vooral voor Sarrazins levenskunst – maar we mogen haar dankbaar zijn voor deze kans. Voor de vrijheid dit talent te genieten.

Albertine Sarrazin, Het sprongbeen, Voorwoord Patti Smith, vertaald door Nelleke van Maaren. De Bezige Bij. 256 blz., € 19,90

(L’astragale, voorwoord Patrick Besson, Ed. Points Seuil, 208 blz.,€ 11,20)


Beeld: Philippe le Tellier/Paris Match/Getty Images