Geen antwoord

Twee dagen geleden stond ze ineens op mijn antwoordapparaat. Mijn oma. Ik had niet gedacht dat het ooit zover zou komen. Dat er een geslaagde transactie zou plaatsvinden tussen mijn oma en het apparaat. Mijn oma vindt een antwoordapparaat niet handig. Ze vindt het een sta-in-de-weg. ‘Ik bel je wel eens op’, zei ze tot nu toe steevast als ik haar sprak. ‘Maar dan krijg ik dat blikken ding. En daar praat ik niet tegen.’ Vroeger kreeg ze haar kleindochter nog wel eens aan de lijn als ze belde. Daar hoopt ze op, die enkele keer dat ze mijn nummer draait. (Zij draait nog echt - het toestel van mijn oma is van voor de druktoetsen, mijn zoon van drie zou niet weten wat hij ermee aanmoet.)

Op dezelfde dag dat ik vanuit mijn huiscomputer mijn eerste schreden op het Internet zette, betrad mijn oma uit de vorige eeuw het tijdperk van de nieuwe media. Een tijdperk waarin direct contact op vele manieren kan worden vermeden. Reuze makkelijk voor mensen die niet zo dapper zijn. Wat zijn er ineens een hoop mogelijkheden om onplezierige mededelingen te doen! Afspraken afzeggen doe ik bij voorkeur via het antwoordapparaat: bellen als je zeker weet dat de betreffende persoon er niet is. Die kan dan niks terugzeggen, dus wordt een akelig gesprek voorkomen. De fax vervult die functie ook prima, helemaal omdat mijn computer alleen faxen kan versturen, niet ontvangen. Al heb je grote kans dat de ontvanger van de fax zich afvraagt wat er mis is met een telefoontje. Maar nu is er dan e-mail. Een ideaal medium voor de omtrekkende beweging, omdat je nooit weet wanneer een verzonden bericht de geadresseerde bereikt. E-mailen doe je achteloos, tussen de bedrijven door, en wekt minder associaties met telefoneren.
Op de Dokumenta in Kassel stond er een prachtig kunstwerk over deze omtrekkende beweging. Matthew Ngui heette de man die in een van de tentoonstellingsgebouwen een stelsel van buizen had aangelegd. Het was een soort oertelefoon: door die buizen konden bezoekers op de benedenverdieping praten met een persoon op de bovenverdieping. Deze persoon antwoordde via een computer, en de boodschappen die hij verzond waren beneden te lezen, op een monitor die naast de spreekbuis stond. De muren waren op beide verdiepingen behangen met uitgeprinte A4'tjes waarop je kon lezen wat voor gesprekken de persoon boven in de Dokumenta-periode had gevoerd.
Het waren moeizame gesprekken. De stemmen van de bezoekers moesten een lange weg afleggen naar boven. ‘Spreek langzaam en duidelijk’, was een zin die telkens terugkwam. En er kwamen wel meer zinnen terug. De persoon boven was een levend individu, dat aan iedere nieuwe bezoeker weer andere vragen stelde. Maar een deel van zijn conversatie leek voorgeprogrammeerd. Het doel van zijn gesprek was het opnemen van een bestelling; de man was op de bovenverdieping exotische hapjes aan het koken voor de mensen die zich via de spreekbuis meldden. De kok bracht de analoge conversatie terug tot een digitale gebeurtenis: om de paar zinnen meldde hij of het gesprek wel of nog niet had geresulteerd in een succesvolle transactie. En als hij een bestelling had ontvangen, verliet hij zijn computer met de omslachtige mededeling dat de veronderstelling dat men bestellingen kon plaatsen, tijdelijk niet juist was.
Als mijn oma mij opbelt, moet ze zich ongeveer hetzelfde voelen als de gebruikers van deze Dokumenta-installatie. Uitgenodigd door een medium dat direct contact suggereert, probeert ze een gesprek aan te knopen. Maar haar poging wordt vertraagd op de digitale omweg die in het communicatietijdperk triomfeert. Het zou eerlijker zijn om een passender boodschap op mijn antwoordapparaat te zetten. Geen joviaal, beloftevol, analoog praatje, maar een digitale mededeling: 'De veronderstelling dat men via dit apparaat antwoord verkrijgt, is momenteel niet juist.’