Geen antwoord

Mijn op de basisschool ontwikkelde interesse in de Tweede Wereldoorlog bleek zo hardnekkig dat ik, eenmaal achttien en volwassen, geen andere keuze zag dan Duits te studeren. Duitse taal en literatuur vond ik prachtig, maar in werkelijkheid was het me echt om die oorlog te doen. In mijn studie dacht ik het antwoord te kunnen vinden op de vraag die me al tien jaar bezighield: hoe kon het bestaan, al dat grote, onnoemelijke Kwaad?

Met wat geschiedenisvakken krijg je zo’n vraag niet beantwoord, ontdekte ik al snel, dus zocht ik mijn heil bij filosofie. Daar bleken echter vooral nog méér vragen opgeworpen te worden, en de antwoorden die ik vond bevredigden onvoldoende. Misschien, dacht ik, moest ik het dichter bij huis zoeken. Mijn voorouders hadden die oorlog zelf meegemaakt, zij hadden ongetwijfeld over deze vraag nagedacht.

Maar mijn grootouders en overgrootouders – onderwijzers en boeren uit het noorden van dit land – hadden geen spannende verhalen of wilden er niet te veel woorden aan kwijt. Het was vreselijk, maar wij hadden het best goed, was de snelle conclusie. ‘Een ondervoede spillebeen kwam aansterken bij ons’, vertelde mijn oma. ‘Hij zei nooit iets en was bang voor de geit, want die trok eens de zakdoek van zijn hals.’ Ik was teleurgesteld en schaamde me. Was dat het? Wilde ik spannende verhalen? Was deze uit de hand gelopen fascinatie niets meer dan het verlangen naar een recreatieve vlucht uit mijn eigen veilige leven?

Het internet dan maar. Als ik niet kon slapen googelde ik nazi’s en zoomde ik in op hun gezichten. Ik probeerde iets te zien, een gemene deler die het allemaal verklaarde. Er zijn genoeg foto’s te vinden van SS’ers in hun tienertijd of als kleuters op de arm van hun moeder. Was het toen al begonnen? Vaak wisselde ik deze zoekacties af met scrollen door de Twitter-pagina van Auschwitz Memorial, waar dagelijks foto’s van vermoorde joden worden geplaatst. Ik probeerde het één aan het ander te linken, wat niet lukte. Ik dacht aan een dichtregel van Gerrit Kouwenaar: ‘doden/ ontleven in andere oorden.’

De poëzie misschien? Ik ben er nog niet uit of die wél antwoorden geeft, maar ik heb het gevoel dat ik dichtbij kom als ik de bundel Geloof me niet als ik vertel over de oorlog lees, van de Palestijnse dichteres Asmaa Azaizeh. Zij spreekt het kwaad rechtstreeks toe: ‘Hé Kwaad/ wij volgen jou stom en blind als foetussen/ en we komen jankend uit je baarmoeder./ Ik luister naar je gejank als liefdesliedjes, ik herinner me jouw kuddes die in/ mijn lucht fladderen, ik herinner me de puppy’s die je gevoed hebt’.

Het kwaad, schrijft ze in hetzelfde gedicht, heeft geen gezicht in het bijzonder. Is dat waarom ik het antwoord niet kan vinden, omdat de herkomst van kwaad zich telkens in iets anders schuilhoudt, en dus alle duiding ontglipt?

Als er geen oorlog is is men geborgen, huizen
zijn woonachtiger dan greppels sluiers asters, wit
eet alleen, alleen het zwart moet men vasten

men tafelt oneven in zomers als deze, doden
ontleven in andere oorden, eten in woorden
sneeuwt hongerwinters zolang men vlees moet lezen

men kan de telefoon alarmeren, in pillen uittreden
men kan oneindig zijn om zich te verkleinen

buiten op pleinen dreigt vallende stilte, binnen
steeds zachter haarstrelen, nergens is onweer –

‘als er geen oorlog is’ Gerrit Kouwenaar
Uit: Het bezit van een ruïne,
Poetry International & Uitgeverij Querido, 2005