Geen Bach!

Quirine Viersen (1972) werd vaak bekroond op internationale concoursen. Als eerste Nederlandse won ze een prijs op het prestigieuze Tchaikovsky Celloconcours. Ze speelt in de Biënnale een belangrijke rol: ze zit in de jury van het concours, ze geeft een masterclass, ze geeft met Dmitri Ferschtman een recital en ze neemt een van de Bach & Breakfast-suites voor haar rekening.

Wat gaat dat worden, die Cello Biënnale?Quirine Viersen: ‘Maarten Mostert, de artistiek leider, ken ik al heel wat jaren, eerst via de Sinfonietta en nu ook via het conservatorium, waar ik een gastdocentschap vervul. De Biënnale is duidelijk zijn festival: héél eigenzinnig, verre van doorsnee, repertoire van Boccherini tot Goebaidoelina, fantastisch. Het concours is ook verre van gebruikelijk – geen Bach! Ik heb zelf vaak aan concoursen meegedaan en er is altijd Bach bij. Hier niet. Briljant, om die dubbelsonate van Boccherini te doen, en de sonate voor cello en piano van Henriëtte Bosmans. Dat kennen cellisten in Nederland misschien, maar in het buitenland zeker niet. En in de laatste ronde Tsjaikovski of Schumann. Goed, dat kent iedereen, maar die sonate van Ravel voor viool en cello is weer ongebruikelijk, en echt moeilijk te doorgronden.’

De lat ligt hoog?

‘Het programma is veeleisend. Ik ken het meeste wel, omdat ik natuurlijk al heel wat jaren bezig ben, maar er zijn dingen bij die ik zelf nog nooit gespeeld heb. Een leerling van mij doet mee; hij is negentien, dus voor hem is bijna alles nieuw.’

Kent u de andere solisten?

‘Met Patrick Demenga gaf ik begin deze maand nog een concert in het Concertgebouw. Ik ken hem goed. Wispelwey zie ik natuurlijk vaak, en Jean-Guihen Queyras ook regelmatig. Het is een klein wereldje, maar solisten zien elkaar natuurlijk niet vaak spelen, want ze treden zelf op.’

De Biënnale heeft met zijn concours en de masterclasses een sterk ‘educatief’ karakter. Is er in Nederland voldoende kwaliteit aanwezig?

‘Dat is eigenlijk meer een vraag voor na afloop, denk ik. Er zijn er genoeg die cello willen studeren, in Nederland, veel leerlingen op de conservatoria, dat is het punt niet. Ik ben wel benieuwd naar het niveau, naar wie er naar die masterclasses komen. Ik geef er zelf een van twee uur, daarin kun je weinig doen, twee leerlingen hoogstens, dus het is fragwürdig of dat zoden aan de dijk zet.’

U houdt van modern repertoire, maar hier speelt u Bach, Beethoven en Schumann. Was dat uw keuze?

‘Nou, nee. Maarten Mostert heeft zo’n waanzinnig programma samengesteld, en hij heeft zo veel repertoire in zijn hoofd, en het is zo’n uitzoekerij wie wat wil spelen dat ik hem graag ter wille ben geweest. Hij vroeg of ik de Tweede suite van Bach wilde spelen, en dat wil ik graag, maar de Vierde was ook goed geweest. Als ik hem niet zo ontzettend goed had gekend, als vriend, en hem niet zo respecteerde en bewonderde had ik misschien wel iets anders gewild, maar ik houd niet van moeilijk doen als het niet hoeft. Dan speel ik een keertje niet Goebaidoelina.’

h Woensdag 1 november, Grote Zaal, 20.30 uur, e 20,-/16,-

Dubbelrecital: Quirine Viersen, cello, Markus Schirmer, piano: Beethoven, Tweede sonate in g; Schubert, Arpeggione-sonate.

Dmitri Ferschtman, cello, Mila Baslawskaja, piano:

Tsjaikovski, Glinka, Rachmaninov, Russische romances; Sjostakovitsj, Sonate voor cello en piano in d op. 40