De linkse kritiekcrisis

Geen blauwdruk voor een nieuwe economische orde

Op 2 april spreken politiek leiders op de G20-top in Londen over hoe de wereld van na het neoliberalisme er uit moet zien. Het tij is gunstig voor voorstanders van radicale verandering. Maar waar blijft hun andere economie?

Medium varken

‘WE WILLEN HET KAPITALISTISCHE SYSTEEM opnieuw uitvinden, omvormen en een einde maken aan de kwaadaardige praktijken van het verleden. Laissez-faire c’est fini’, sprak een machtig staatshoofd in de aanloop naar de G20-top van volgende week. ‘Iedereen realiseert zich dat er fundamentele veranderingen nodig zijn’, schreven de regeringsleiders van twee economische grootmachten in een doorvoeld pleidooi voor een Handvest voor Duurzaam Economisch Handelen, waarin ‘de krachten van de markt aangevuld worden met een set waarden, beginselen en regels, zodat recht wordt gedaan aan de belangen van mensen in dit tijdperk van globalisering’. Het eerste citaat kwam uit de mond van de rechtse etatist Nicolas Sarkozy, het tweede uit de pen van de christelijk-conservatieve rentmeesters Jan Peter Balkenende en Angela Merkel.
Wie nog twijfelde aan het einde van de ideologie in het denken over arbeid en geld, zal door de financiële crisis wel zijn overtuigd. In de discussie over concrete hervorming van de economie is het volstrekt onvoorspelbaar wie pleit voor overheidsingrijpen, regulering of stimulering. Wel is duidelijk dat die discussie niets met ideologie te maken heeft en alles met het behouden van banen, bedrijven en welvaart – veranderen om te behouden dus, een progressief conservatisme dat over alle politieke lijnen heen valt. Economische discussies gaan vrijwel uitsluitend over wat het beste werkt, niet wat het uiteindelijke doel is.
Dat lijkt heel logisch, maar in de herfst regende het nog oproepen om de fundamenten te overdenken van de manier waarop we produceren, consumeren en verdelen: om een publieke discussie te houden waarin ‘alles besproken moest kunnen worden’ met als doel een fundamenteel gezondere en rechtvaardigere economie. Dat laatste moest internationaal worden afgesproken, in de eerste plaats op de lang geanticipeerde G20-top van komende week.
In werkelijkheid zal het in Londen niet gaan over de fundamenten van onze economie, maar over regulering van geldmarkten of fiscaal stimuleren van de economie. Dat laatste is wat Obama doet: de geldkraan opendraaien, belastingen verlagen en nog meer lenen. Het IMF en China zijn voor, net als de bonte verzameling die als ‘opkomende economieën’ bekendstaat. De Europeanen willen vooral dat Wall Street en alle fantasierijke financiële instrumenten waarvoor die straatnaam staat strak aan banden wordt gelegd. Geen enkel alternatief plan voor de wereldeconomie zal worden besproken. Dat is niet zo verrassend als het om neomarxistische vergezichten gaat, maar ook mild progressieve schetsen liggen niet op tafel. Een hoofdreden daarvoor is dat die linkse blauwdrukken er niet zijn.

TIEN JAAR GELEDEN was ‘Een andere wereld is mogelijk’ de toverleus bij protest tegen de neoliberale ideologie die steeds meer overheden en internationale structuren binnendrong. Dat was duidelijk als een symbolische gebalde vuist naar de machtigen bedoeld, naar regeringsleiders en organisaties als het IMF en de Wereldbank. Het was altijd helder dat zij misschien hier en daar lippendienst zouden bewijzen aan het alternatieve gedachtegoed, maar dat zij zich niet werkelijk tot het antiglobalisme zouden bekeren. Nu liggen de kaarten anders: de overtuiging dat er in de kern van ons economische systeem iets mis zat wordt nu bijna universeel geaccepteerd en het establishment roept bijna even hard om verandering als de traditionele oppositie.
Tegelijkertijd heeft niet één econoom van naam – in binnenland of buitenland – zich bij de aanblik van afbrokkelende financiële luchtkastelen bekeerd tot oud-linkse ideeën. En niet één heeft zich opgeworpen met een werkelijk alternatief plan om de wereldeconomie op nieuwe, gezondere leest te schoeien. Weliswaar zijn overal neo-keynesianen opgedoken en zijn in allerlei landen haastige neo-keynesiaanse plannen doorgevoerd. Keynes hoort volgens de schoolboeken bij ‘links’, maar dat zegt niet zoveel als zelfs Milton Friedman en Richard Nixon zich als keynesiaan afficheerden en Ronald Reagan het grootste keynesiaanse plan van de afgelopen decennia doorvoerde. Ook in de huidige crisis heeft keynesianisme niets met politieke kleur te maken: krediet droogde op, de vraag naar financiële en andere producten zakte in en overheden bleken de enige partijen met geld en geloofwaardigheid genoeg om in te stappen. Linkse economen die zich roeren, zoals in Nederland Sweder van Wijnbergen of Willem Vermeend, bevelen pragmatische, politiek kleurloze stappen aan om het financiële stelsel te redden.
De paradoxale situatie dient zich dan ook aan dat nu de wereld klaar is om naar het alternatief te luisteren, het muisstil blijft uit de hoek waar dat vandaan moet komen: daar waar twintig jaar oppositie is gevoerd tegen het neoliberalisme. Weliswaar eisen traditionele kopstukken van de alternatieve beweging als Noreena Hertz en Naomi Klein hun gelijk op, maar het linkse alternatief van nu is het linkse alternatief van tien jaar geleden. Dat betekent niet dat de ideeën slecht zijn, wel dat ze niet aangepast zijn aan de problemen en mogelijkheden die het laatste half jaar zijn ontstaan. En dat ze ook niet als zodanig in het publieke debat worden gepresenteerd.
‘Er is geen nieuw discours, geen nieuwe grand theory. De alternatieve ideeën die nu worden uitgedragen zijn concepten die sinds de jaren negentig verder zijn uitgewerkt’, beaamt Fiona Dove, directeur van het in Amsterdam gevestigde Transnational Institute, een wereldwijd wetenschappelijk activistennetwerk waarbij grote namen uit de progressieve beweging aangesloten zijn. ‘De grote media vragen progressieve economen wel sneller om hun mening. Maar van hen wordt vaak iets alomvattends verwacht als antwoord op de financiële crisis, terwijl velen juist geloven in een pakket gerichte hervormingen. Op een recent progressief congres werd wel opgeroepen tot een nieuw discours, maar het is nog niet precies duidelijk wat dat nieuwe discours inhoudt. En rechts kan dat discours gemakkelijk wegkapen.’

WEGGEKAAPT OF NIET, de laatste maanden is in kernlanden in de wereldeconomie een reeks veranderingen doorgevoerd die rechtstreeks uit de progressieve agenda geplukt lijken: staatsbelangen in grote bedrijven, meer beperkingen en toezicht op kapitaalmarkten, het insnoeren van belastingparadijzen en het bankgeheim, aan de schandpaal nagelen van graaiers, grote aandacht voor duurzaamheid en groene oplossingen. Maar progressieve agendapunten mogen dan breed geaccepteerd zijn, progressieve economen staan nog steeds aan de randen van het publieke debat. Volgende week zullen zij hun adviezen niet geven op de officiële conferentie, maar op de inmiddels gebruikelijke alternatieve variant een kilometer verderop, waar ook de op Zuid-Afrikaanse bushmen-mythologie of eco-wicca geënte oplossingen zullen worden voorgedragen.
Progressieve economen, zoals de Braziliaan Marcos Arruda, de Filippijn Walden Bello of de Amerikaanse Susan George, hebben in westerse landen ook geen centrale rol in het publieke debat opgeëist. Zijn ze zo gewend geraakt aan hun rol van outsider dat ze dociel in de marge blijven zitten? ‘Daar zit zeker waarheid in’, zegt Fiona Dove. ‘Progressieve economen zouden assertiever moeten worden. Ze zijn gewend geraakt aan hun rol in de marge. Een deel van het probleem is een loopgravenmentaliteit: als je jarenlang een loopgravenoorlog hebt gevoerd, spring je niet zomaar uit de greppels zodra het kan. Tegelijkertijd weerspiegelt hun gedrag ook een realistische beoordeling van hun werkelijke invloed op het beslissingsproces.’
Die invloed zal wel groeien, denkt Dove: ‘Als de gevolgen van de crisis ernstiger worden – over een jaar of twee – zullen progressieve economen veel serieuzer worden genomen. Nu zie je toch dat deze G20 een poging is om terug te gaan naar business as usual: de leiders van de rijke landen doen wanhopig pogingen om het kapitalisme te behouden in zijn huidige vorm; zij belijden vooral de idee dat gered moet worden wat er te redden valt, nadenken over de toekomst kan daarna wel. Dat is de verkeerde insteek: nu wordt de basis gelegd voor de wereldeconomie van de volgende twintig jaar.’
Daar komt een belemmering bij: niet alleen is de G20 nog niet klaar voor alternatieven, progressieve economen zijn ook niet klaar om de G20 te zien als nuttig podium voor verandering. In progressieve hoek is de Groep van Zeven – en alle variaties daarop – synoniem met overheersing van de wereld door westerse bedrijfsbelangen. In boeken als Deglobalization van het Filippijnse antiglobaliseringskopstuk Walden Bello wordt de G7 als centraal en onhervormbaar instrument van mondiale economische onrechtvaardigheid beschreven en daar schuif je dus niet aan.
De vraag rijst wat dan wél een geschikt podium is. De G20 zijn niet de traditionele heersende elite van de wereld: ook landen als India, Mexico, Indonesië en Zuid-Afrika zijn vertegenwoordigd. Twaalf landen die volgende week zijn uitgenodigd zijn niet-westers. Uit recente maatregelen in zowel westerse en als niet-westerse landen en uit de debatten die er worden gevoerd blijkt dat de bereidheid om te lenen uit het progressieve instrumentarium groot is en dat de animo voor verandering onder politici ongekend is. Bovendien verliepen de voorbereidende gesprekken voor de G20 angstwekkend stroef – zo werd stevig onderhandeld over de vraag of de openingstekst van de conferentie moest reppen van ‘substantiële’ of van ‘significante’ vergroting van het IMF-budget. Het uitgelezen moment dus voor een nieuwe blauwdruk en dat nieuwe discours. Maar die moeten er dan wel zijn.