Sorry in Canada

Geen buffel en geen jongen

Canada staat in Nederland bekend als vreedzaam en vriendelijk. Maar ook het door de Fransen en Engelsen gekoloniseerde land gaat gebukt onder het koloniale verleden. Het ongemak is er al jaren, maar verandering is het moeilijke deel.

De Canadese premier Justin Trudeau ondergaat een reinigingsritueel door spiritueel leider Cecil Grinder samen met stamhoofden van de Chilcotin. Trudeau reisde door het gebied van de Chilcotin om zijn excuses aan te bieden voor het ophangen van zes van hun stamhoofden tijdens de Chilcotin- oorlog. Chilko Lake, British Columbia, november 2018 © Jonathan Hayward / The Canadian Press / ANP

‘Alles is een verhaal. Canada is een verhaal, de economie is een verhaal, het rechtssysteem. Wie indiaan is, drinkt – dat is een verhaal dat inheemse mensen hebben geïnternaliseerd, een slachtofferverhaal.’ Voor in de collegezaal staat advocaat en schrijver Harold R. Johnson, een markante figuur met lange grijsblonde vlechten en blauwe ogen in een gerimpelde, zongebruinde huid. Johnsons leven leest als een avonturenroman. Zijn moeder was inheems, Cree, zijn vader Zweeds. Van hen – vooral van haar – leerde hij jagen en vissen, overleven in de bush. ‘Daardoor’, vertelt hij, ‘kon ik ook de werelden van het leger, de mijnbouw en de rechtspraak aan met zelfvertrouwen, ik had altijd iets om op terug te vallen.’ Johnson schopte het tot openbaar aanklager en vervolgde in die functie vele inheemse mannen die vergrijpen hadden gepleegd onder invloed van alcohol. Het opsluiten van al die mannen, merkte hij, hielp hen en hun gemeenschappen niet verder, ze kwamen alleen met een extra trauma terug. Johnson schreef er een boek over, waarin hij pleit voor een ‘nieuw verhaal’ dat de nadruk niet legt op het stereotype van ‘de dronken indiaan’ maar op mensen die hun verslaving de baas worden. Dat is van levensbelang, zegt hij, want: ‘Verhalen kunnen je doden.’

Johnson spreekt op het congres Reading, Writing, Storytelling, Viewing: Researching How Cultural Forms Support Reconciliation, dat de MacEwan-universiteit in Edmonton begin juli 2019 organiseert. Edmonton is de hoofdstad van de Canadese provincie Alberta, een provincie rijk geworden door oliewinning en conservatiever dan de rest van het land. Van oudsher wonen hier veel inheemse mensen; zo’n kwart miljoen van de vier miljoen inwoners van de provincie identificeert zich als ‘First Nations’ (wat we vroeger ‘indianen’ noemden), ‘Métis’ (mensen met een gemengd Europese en inheemse afkomst) of – al is deze laatste groep klein – ‘Inuït’. In heel Canada is Edmonton de stad met de op een na grootste inheemse populatie. De universiteit doet dan ook haar best om mee te gaan in de nationale ontwikkeling om te ‘dekoloniseren’, om inheemse kennis binnen de poorten en in het curriculum te krijgen. Een trotse Cree-dame, Roxanne Tootoosis, aangesteld als indigenous knowledge keeper, opende het congres met een tabaksceremonie. Via de rook en het bijbehorende traditionele gebed probeerde ze verbinding te maken met ‘de wereld van de geesten’. Een uitdaging, binnen de betonnen muren van het moderne universiteitsgebouw. Dat zag Tootoosis ook: ‘Wij denken holistisch, academici denken lineair’, zei ze, aansluitend op haar gebed. ‘Het zal moeilijk zijn jullie mee te krijgen in ons verhaal.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Emy Koopman over hoe Canada omgaat met de First Nations. Is echte verzoening mogelijk? Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Direct als Johnson klaar is met spreken, vertrekt Tootoosis, en met haar vrijwel alle studenten met een inheemse achtergrond. Ze missen het verhaal van een joods-Duitse Amerikaan die er een specialisme van heeft gemaakt om via poëzie intergenerationele trauma’s te helen. Ze missen ook de lezing van een van oorsprong Maleisische academicus over catharsis via het kijken van films. Ze komen pas terug voor de documentaire van een inheemse filmmaker. De niet-inheemse Canadezen in de collegezaal zijn te beleefd om er wat van te zeggen in aanwezigheid van Tootoosis. Op de borrel naderhand uiten sommigen tegenover buitenlandse academici wel openlijk hun ongenoegen.

Ik ben hier uitgenodigd als literatuurwetenschapper, maar ik ben vooral gekomen omdat ik een reisserie over Canada maak, waarin de First Nations een prominente rol spelen. Het congres valt tussen twee draaiperiodes in en voelt als een kans om meer te leren over hoe Canada omgaat met zijn koloniale verleden. Vanuit Nederland zien we Canada – als we het al zien – als vreedzaam en vriendelijk, praktisch Scandinavisch, maar is Canada op dit gebied echt zo’n rolmodel? Terwijl de andere internationale academici met stijgende verbazing toezien hoe het congres dat over verzoening zou gaan zich opsplitst in twee kampen, maak ik notities. Ik noteer dat vrijwel elke officiële bijeenkomst van een Canadese overheidsinstantie, school of ngo, zo ook deze, begint met een land-erkenningsstatement: ‘Wij erkennen dat het land waarop wij ons nu verzameld hebben het traditionele gebied is van…’ Ik noteer dat de niet-inheemse Canadese academici zich ‘settler Canadians’ noemen, zelfs als hun familie recentelijk vanuit Europa gemigreerd is. Ik noteer dat er ook Canadezen met een volstrekt ‘wit’ uiterlijk een claim leggen op een Métis-identiteit en vinden dat zij dezelfde erkenning verdienen als First Nations. Ik noteer: hoe vruchtbaar is deze dynamiek? En: verzoening lijkt ver weg.

Voordat ik me erin verdiepte, had ik het vage beeld dat Canada weliswaar een inheemse bevolking heeft, maar dat de kolonisten daar beter mee zijn omgegaan dan die in Australië en Amerika. Enige waarheid zit daar wel in: toen de Fransen en Britten in de zestiende en zeventiende eeuw hun weg zochten door het onherbergzame noordelijke landschap, hadden die de oorspronkelijke bewoners hard nodig. Met name tussen de Fransen en de First Nations werd druk gehandeld (beverbont tegen kookgerei, drank en wapens), samengewerkt en getrouwd – vandaar die ‘Métis’, wat Frans is voor ‘gemengd’. Gewapende strijd in het Canadese gebied ging in de eerste plaats tussen de Britten en Fransen, die ieder coalities sloten met verschillende, rivaliserende stammen. De Fransen probeerden de inheemse bevolking wel te bekeren tot het katholicisme, maar erg volhardend waren ze daar niet in. Zonnekoning Louis XIV gaf officiële instructies aan zijn onderdanen dat zij het land niet mochten afpakken van de inheemse bevolking. Die instructies bleven geldig totdat de Britten in 1763 de Fransen versloegen.

Het Britse koninkrijk wilde logischerwijs toegang tot de beste plekken en natuurlijke bronnen van het land (van goud tot olie) en sloot in de achttiende en negentiende eeuw een reeks verdragen (Treaties) met de oorspronkelijke bewoners. In de vaak haastige onderhandelingen, en met een militaire overmacht als drukmiddel, wisten de Britten de meest gunstige voorwaarden te bedingen. De inheemse bevolking had daarbij ook een ander idee van wat een Treaty betekent dan de Britten: First Nations zagen het als een afspraak van mensen onder elkaar over hoe je met het land omgaat, terwijl het voor de Brits-Canadese overheid een wettelijk bindend instrument was om land in bezit te nemen.

Hoe sterker de grip van de Europese kolonisten op het nieuwe land, hoe benarder de positie van de oorspronkelijke bevolking, die al gedecimeerd was door voorheen onbekende ziekten als pokken en mazelen. Vanaf de late negentiende eeuw begon de Canadese overheid met vergaand assimilatiebeleid: inheemse kinderen werden weggehaald bij hun families voor verplicht christelijk onderwijs. De kinderen mochten niet langer hun eigen taal spreken en kregen een westerse naam toebedeeld. Dit kostschoolsysteem, dat zo’n honderd jaar bleef voortduren, had volgens historicus John Milloy als doel ‘de Indiaan in het kind te doden’. Niet alleen de inheemse cultuur werd gesmoord. Als gevolg van ziektes als tuberculose, ondervoeding en mishandeling stierven naar schatting tussen de 3200 en zesduizend kinderen tijdens hun kostschoolperiode. De mensen die het fysieke en seksuele geweld niet te boven kwamen en zichzelf later van het leven beroofden, zijn daarin niet meegeteld.

Door het hardnekkige beeld van Canadezen als ‘aardig’ komen hun wreedheden elke keer weer aan als een schok

Door het hardnekkige beeld van Canadezen als ‘aardig’ – ‘the Myth of Nice’, zoals de Canadese komiek Will Ferguson het nationale imago noemt – komen hun wreedheden elke keer weer aan als een schok. Ook voor henzelf. Als Canadezen ergens níet op willen lijken, is het op onderbuurman Amerika: luidruchtig, grof, gewelddadig. Worden ze daar toch op betrapt, dan zal een verontschuldiging niet lang op zich laten wachten; ‘sorry’ zeggen hoort bij hun nationale identiteit.

De afgelopen decennia hebben vele Canadezen in machtsposities zich verontschuldigd voor het kostschoolsysteem. De United Church of Canada begint, in 1986, als nog niet eens alle scholen zijn gesloten. ‘We tried to make you be like us and in so doing we helped to destroy the vision that made you what you were’, zegt de kerkleider, ‘we ask you to forgive us’. Pas twee jaar later accepteert de inheemse gemeenschap de excuses als een belangrijke stap voorwaarts, maar wel een waarvan ze aangeven te hopen dat die niet slechts symbolisch is.

In de jaren negentig volgt de ene na de andere kerk met excuses voor specifieke kostscholen. De Canadese politie kan niet achterblijven, die verontschuldigt zich in 2004 voor hun bijdrage in het weghalen van kinderen (‘truly sorry’). De eerste officiële excuses door de nationale overheid worden gemaakt in 2008, door de conservatieve premier Stephen Harper: ‘We recognize that this policy of assimilation was wrong, has caused great harm and has no place in our country (…) The government of Canada sincerely apologizes and asks the forgiveness of the Aboriginal peoples of this country for failing them so profoundly. We are sorry.’ Direct na Harper verontschuldigt ook de leider van de Liberalen zich voor de rol van zijn partij, die tijdens de twintigste eeuw zeventig jaar aan de macht was. Er is dan al, op 1 juni 2008, een Waarheids- en Verzoeningscommissie ingesteld. Deze spreekt met duizenden kostschooloverlevers en concludeert in 2015 dat er sprake is geweest van ‘culturele genocide’.

Flash forward naar Canada in 2019. De inheemse bevolking, die vier à vijf procent vormt van het totale inwonertal van 37 miljoen, heeft nog altijd grote problemen met werkloosheid, suïcidaliteit, alcoholisme en huiselijk geweld. Meer dan dertig procent van de gevangenispopulatie is inheems en ongeveer de helft van de inheemse kinderen leeft in armoede. In de westelijke provincie British Columbia protesteert de Wet’suwet’en (een van First Nations) fel tegen een oliepijpleiding die een privaat energiebedrijf met overheidstoestemming door hun gebied wil trekken. En dan is er de nationale schandvlek van de talloze verdwenen en vermoorde inheemse vrouwen. In 2014 had de politie al vastgesteld dat er in Canada tussen 1980 en 2012 zo’n twaalfhonderd inheemse vrouwen zijn vermoord of verdwenen en dat inheemse vrouwen een veel grotere kans lopen dan niet-inheemse om het slachtoffer te worden van geweld. De regering-Trudeau stelde in 2016 een nationale commissie in om de moorden en verdwijningen te onderzoeken, voor een uiteindelijk budget van 92 miljoen Canadese dollar. Het rapport, dat begin juni 2019 verschijnt, is onverbiddelijk. De commissie stelt dat ook deze vorm van ‘koloniale genocide’ als zodanig erkend moet worden en dat de Canadese overheid hiervoor verantwoordelijk is door zowel haar daden als wat ze heeft nagelaten. Hoewel het rapport aangeeft dat er geen precies aantal te plakken is op de verloren levens, staat er tegelijkertijd: ‘We know that thousands of Indigenous women, girls and 2SLGBTQQIA [two-spirit, lesbian, gay, bisexual, transgender, queer, questioning, intersex and asexual] (…) have been lost to the Canadian genocide to date.’

Een ‘genocide’ die nu nog gaande zou zijn – Canada haalt even het wereldnieuws. Ik lees de berichten terwijl ik met de filmcrew op weg ben naar het valleidorpje Smithers in British Columbia, om een aflevering te filmen over de Highway of Tears, een snelweg die bekendstaat als een plek waar sinds de jaren zeventig tientallen vrouwen verdwenen of levenloos werden teruggevonden. Niet alle slachtoffers langs die weg waren inheems, terwijl bij de opgeloste zaken meerdere daders zelf inheems bleken te zijn (zoals overal bij geweld tegen vrouwen: vaak komt het van dichtbij). Met de crew vragen we ons dan ook af: is het geen ernstige inflatie van het begrip ‘genocide’ om de ‘missing and murdered’ daaronder te laten vallen? Canadese media discussiëren druk over die vraag, zeker nadat Justin Trudeau, met enig ongemak en sprekend in de verleden tijd, de conclusies van de commissie heeft geaccepteerd: ‘what happened amounts to genocide’. Op sociale media verlopen de reacties zoals te verwachten: mensen ter linkerzijde betuigen nog maar eens grote spijt voor het vreselijke verleden en heden, terwijl de rechterzijde vooral onvrede uit over de verbreding van ‘vrouwen en meisjes’ naar iedereen-behalve-de-cis-heteroman (‘I hate my government, but what on earth is 2SLGBTQQIA?’). Verwijten dat het rapport sterk is beïnvloed door de huidige liberale ideologie lijken terecht: een van de 231 ‘bindende’ aanbevelingen om het geweld te stoppen is om de wachttijden voor geslachtsoperaties te verkorten, een wens van de transgemeenschap die juist indruist tegen meer fluïde inheemse genderconcepten.

Als buitenstaander is het makkelijk kritiek leveren, waar het om gaat is of het rapport de inheemse gemeenschap en de Canadese samenleving verder helpt. In Smithers spreek ik mensen die zelf een familielid zijn verloren. Voor sommigen geeft ‘genocide’ de ernst van de situatie aan, voor anderen is het een abstractie die eerder averechts werkt. ‘Genocide is wat de nazi’s deden’, zegt Raechelle Wilson, een wing chief (helper van de chief) van de Wet’suwet’en die voor de nationale commissie heeft getuigd. ‘Wat er met mijn nichtje is gebeurd, is moord.’ Raechelle vindt dat ‘genocide’ de individuele verantwoordelijkheid weghaalt bij de dader en van haar nichtje een gezichtsloos slachtoffer maakt. Tegelijkertijd onderschrijft ze de conclusie dat de koloniale verhoudingen voortduren. Want de politie en media, benadrukt ze, reageren nog altijd apathisch als er een inheemse vrouw (of man) verdwijnt. Een andere familie die ik spreek, is zelf het politiewerk gaan doen – getuigen zoeken en de omgeving uitkammen – omdat de politie drie dagen na de verdwijning nog niet eens een dossier had geopend. De burgemeester zegt met enige trots dat er een buslijn is gekomen, zodat de meisjes niet meer hoeven te liften. Maar een kaartje kost bijna drie dollar en de bus rijdt alleen overdag.

Slaapzaal van een Canadese kostschool voor inheemse kinderen. Canada, 1950 © Hulton Archive / Getty Images

‘De genocide op vrouwen en meisjes begon in Europa.’ Mel Bazil, een gemeenschapswerker in Smithers die net als Raechelle lid is van de matriarchale Wet’suwet’en, is er stellig over: het probleem is het onderdrukkende patriarchale systeem dat werd geboren in Europa en vanuit daar als onderdeel van imperialisme en kapitalisme de wereld overtrok. ‘Heksenverbrandingen’, zegt Mel, ‘hadden als doel om vrouwen de traditionele kennis van medicijnen, het land en de geestenwereld af te nemen. Dat systeem van mannelijke dominantie is naar Canada gekomen. En het zijn niet alleen mannen die eraan meedoen. De koningin van Engeland is ook patriarchaal.’

‘De genocide op vrouwen en meisjes begon in Europa. Het systeem van mannelijke dominantie kwam naar Canada’

In hoeverre de leefwijze in Europa vóór het christendom correspondeerde met een ideaalbeeld van gelijkwaardige mensen in harmonische verbinding met de natuur, is bij gebrek aan betrouwbare bronnen en een veelvoud aan paganistische stammen moeilijk te zeggen. Maar Mels verhaal biedt een broodnodig alternatief in een tijd waarin doorgaan met ongebreideld kapitalisme de natuur, dieren én mensen steeds verder in de verdrukking brengt. In een land als Canada, waarvan de economie zo stevig leunt op mijnbouw en fossiele brandstoffen, zal dit niet snel het nieuwe verhaal worden, maar in Smithers is Mel wel een van de weinigen die jongeren hoop biedt. ‘We doen elkaar en onszelf geweld aan’, zegt hij, ‘dat komt voort uit de trauma’s die we opliepen door het kolonialisme. Maar nu zijn we ons actief aan het dekoloniseren.’

Vanuit het buurtcentrum organiseert Mel activiteiten met de lokale jeugd. Ze gaan vissen, wandelen, kanoën en nemen deel aan traditionele ceremonies. Een complete terugkeer is het niet: Mel rijdt zelf in een forse pick-up-truck en vraagt de jongeren ook zeker niet om alles wat westers is op te geven. Als ik met hem en een klein groepje jongeren mee ga om te kanoën, bestaat het offer aan de voorouders uit chips op een plastic bordje. De kano is gesubsidieerd, net als Mels baan – deze dekolonisering is afhankelijk van wat de Canadese overheid bereid is te gunnen. Maar als we het meer oproeien en de zon doorbreekt terwijl Mel een legende vertelt over monsters die van zich laten horen als First Nations hun eigen wetten overtreden, dan voelt dat alsnog als een bescheiden vorm van magie.

Verontschuldigingen zijn, in Canada tenminste, het gemakkelijke deel. Enkele dagen nadat Trudeau het rapport van de nationale commissie in ontvangst heeft genomen, geeft hij zijn eigen land al een schouderklopje. Het werk dat Canada heeft gedaan ‘to highlight the challenges that we have faced and that in some ways are ongoing’, zegt de liberale premier tijdens een D-Day-herdenking in Normandië, is een ‘positive lesson’ voor de rest van de wereld. Zoals komiek Ferguson schrijft over het Canadese zelfbeeld: ‘Self-conscious niceness is not niceness at all; it is a form of smugness.’

Verandering is het moeilijke deel. De problemen van de inheemse gemeenschap zijn met de overheidsacceptatie van de term ‘genocide’ verre van opgelost. Ook als je, zoals Canada doet, investeert in commissies en voorzieningen, je hoofd steeds dieper buigt, de gemarginaliseerde groep op papier alle kansen geeft, met belastingvoordelen en subsidies, vaag je generaties van doorgegeven trauma’s nog niet zomaar weg. Met alles wat je als overheid geeft, loop je het risico een nieuwe afhankelijkheid te creëren. En het idee dat de dominante cultuur ruimte moet maken voor de inheemse is mooi, ware het niet dat er in Canada geen sprake is van een verenigde inheemse gemeenschap die met één stem spreekt. Terwijl de Wet’suwet’en in British Columbia tegen pijpleidingen strijden, hebben vele First Nations in Alberta banen in de olie-industrie. Terwijl de beweging Idle no More, opgericht door drie inheemse en één niet-inheemse vrouw, in haar strijd tegen kapitalisme en kolonialisme spoorlijnen blokkeert en #CancelCanada trending maakt, publiceren Inuït-ondernemingen in het blad Aboriginal Business over de goudmijnen die zij in hun provincie Nunavut zullen exploiteren.

In Edmonton, op de derde dag van het Verzoeningscongres, neemt onderwijswetenschapper Dwayne Donald – deels Cree, deels Noors – ons (settler-Canadese, inheemse en buitenlandse academici) mee op zijn rivierwandeling. Hij wijst aan welke bessen en bladeren eetbaar zijn. Hij vertelt over de geschiedenis van zijn mensen. ‘De Papaschase Cree en de Britten’, zegt hij, ‘tekenden een verdrag in 1876. Twaalf jaar later werd dit land onteigend om Edmonton uit te breiden.’ Hij beklaagt zich niet, hij geeft het sec aan: dit is gebeurd. ‘Ik heb zowel familie die is weggejaagd als familie die van het kolonialisme heeft geprofiteerd’, zegt hij. Die dubbelheid maakt dat hij zich interesseert voor de wisselwerking tussen de verschillende groepen in Canada, tussen de verhalen van gekoloniseerde en kolonist.

Hij wijst naar een kale rots en vertelt de legende van de buffeljongen. Geboren als mensenkind raakt de buffeljongen zijn ouders kwijt tijdens een trektocht. Hij wordt gevonden door een kudde buffels. Zij voeden hem op. Toch voelt hij dat hij niet helemaal bij hen hoort. Op zeker moment trekken de mensen weer langs en sluit hij zich bij hen aan. Even denkt hij dat hij zijn plek heeft gevonden, totdat de mensen op buffels gaan jagen. Hij keert terug naar zijn buffelouders, zonder rust te vinden. Op een dag biedt zijn buffelvader hem een uitweg: ‘Als je één keer omrolt, zul je veranderen in een buffel. Rol je twee keer om, dan zul je veranderen in een steen.’ De buffeljongen rolt één keer om. Uiterlijk is hij nu een buffel. Hij kan draven en grazen. Alleen: kloppen doet het nog steeds niet. Als zijn buffelvader is gestorven, rolt hij zich voor de tweede keer om.

‘Het kostschoolsysteem haalde het verhaal weg’, had Harold Johnson aan het begin van het congres gezegd, ‘en zette er niets voor in de plaats.’ De afstammelingen van de inheemse bevolking zijn buffel noch jongen, zoekende naar een manier om niet in steen te veranderen.

‘De weg naar verzoening’, zegt Dwayne Donald, ‘is lang, en instituties willen al te graag the messy stuff in het midden overslaan. Als we de koloniale logica, dat proces van ontkende relaties, willen doorbreken, moeten we andere manieren vinden om ons tot elkaar te verhouden.’ Hij laat een afbeelding zien van de medaille die een inheemse stam kreeg als die een verdrag sloot met de Britse kolonisten. Op de medaille staan twee mannen tegenover elkaar en geven elkaar een hand. ‘Dat beeld’, zegt Donald, ‘gaf inheemse mensen het idee dat er een familieverbintenis werd aangegaan.’ Hij zou nu verder kunnen ingaan op hoe de verdragen werden geschonden, maar dat doet hij niet. Hij wil het gevoel oproepen van die oorspronkelijke hoop op samenwerking. Hij wil een mooi verhaal. ‘Als we elkaar kunnen aankijken als medemensen’, zegt hij, ‘dan kunnen we helen.’


Met dank aan hoogleraar amerikanistiek Hans Bak. De vijfdelige VPRO-reisserie Paradijs Canada is vanaf zondag 30 augustus te zien op NPO 2. De eerste aflevering gaat over de Highway of Tears

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En soms laat men het verleden het liefst links liggen. De komende weken volgen in de serie over ‘sorry’ van staatswege nog Duitsland, Spanje en India.