Zomerlezen: De mannenleeslijst (7)

Geen compliment aan zijn adres

Met zijn roman Twee vrouwen (1975) koos player Harry Mulisch zowaar voor een vrouwelijk perspectief. Maar wat zei hij daarmee over de rol van de man?

Harry Mulisch rond 1975 © Steye Raviez / HH

Wat zou Harry Mulisch precies hebben gedacht toen hij de auteursfoto voor de achterflap van Twee vrouwen koos? Met zijn torso ontbloot en zongebruind, pinkring en glimmend horloge om, het sigarettenpijpje losjes in de hand, poseert hij innig tevreden tegen de achtergrond van een azuurblauwe zee. Misschien cultiveerde hij met veel plezier zijn reputatie als player, misschien was hij zeer content met zijn rentree in het fictionele domein. Na zich ruim een decennium te hebben toegelegd op non-fictie keerde Mulisch in 1975 terug naar de romanvorm: de oorlog in Vietnam was afgelopen, ‘we kunnen elkaar weer verhaaltjes gaan vertellen’, liet hij Ischa Meijer optekenen in de Haagse Post.

In datzelfde interview, naar aanleiding van de publicatie van Twee vrouwen, zegt Meijer zich te herinneren dat Mulisch niet wezenlijk geïnteresseerd zou zijn in vrouwen: ‘Nou, haha, niet geïnteresseerd in vrouwen?! Nou, nee, niet om er gesprekken mee te voeren. ’t Is zelden voorgekomen dat ik van een vrouw iets leerde – ik heb wél van vrouwen geleerd hoe ze iets dóen, hoe ze zijn, hoe ze in het leven staan, dat wel; maar niets geleerd van wat ze reflecterend, discursief daarover denken, vertellen.’

Het was niet voor niets dat de critici – lees: mannelijke critici – in 1975 verbluft leken dat Mulisch in zijn nieuwe roman voor het vertelperspectief van een vrouw had gekozen. Over de geloofwaardigheid waarmee hem dat gelukt was, verschilden de meningen wel: Willem Bulter stelde in de Twentse krant Tubantia dat Mulisch getuigde van ‘een groot inlevingsvermogen in de vrouwelijke psyche’, in het Nieuwsblad van het Noorden vond Johan van der Woude dat Mulisch’ mannelijke blik zich in de details verraadde: ‘Als Sylvia volgens Laura haar voorgoed verlaten heeft, komt zij eerst na drie dagen op het idee in de kast na te zien of Sylvia haar kleren soms heeft meegenomen. Een vrouw zou dat onmiddellijk doen.’

Ter gelegenheid van de nationale leesbevorderingscampagne Nederland Leest – een initiatief van de cpnb – werd Twee vrouwen in 2008 opnieuw uitgegeven en via openbare bibliotheken landelijk verspreid. De herlancering bracht een nieuwe golf van reflectie teweeg op het inmiddels canonieke werk en was aanleiding voor een reeks interviews met Mulisch, die zijn machistische imago nog altijd zorgvuldig onderhield: ‘Vroeger zei ik weleens dat er met vrouwen niet te praten valt’, zei hij tegen Ad Fransen in HP/De Tijd. ‘Dat was vooral om te plagen. Zoiets badinerends zou ik nu niet meer zeggen. Er zijn natuurlijk best vrouwen met wie je kunt praten, alleen ken ik er niet zo veel van.’

Mulisch lijkt ons met zijn uitspraken over vrouwen haast uit te dagen toch vooral iets van zijn misogynie te vinden. Maar misschien zit de kern van de zaak niet in zijn vrouwbeeld, maar in zijn visie op heteroseksuele mannelijkheid. Welke ideeën over mannelijkheid worden in Twee vrouwen via de vrouwelijke waarneming gepresenteerd? Ik-vertelster is de 35-jarige Laura Tinhuizen, kunsthistorica, die na een huwelijk van zeven jaar alweer vijf jaar gescheiden is van toneelcriticus Alfred Boeken omdat het niet lukte om kinderen te krijgen. Op een dag wordt zij halsoverkop verliefd op de twintigjarige Sylvia, een kapster uit het dorpje Petten. Sylvia komt bij Laura in Amsterdam wonen, en er ontwikkelt zich een liefdesrelatie.

Het is de angst voor seksuele overbodigheid die de mannen in Twee vrouwen tot geweld drijft

Zodra Laura zich na enkele teruggetrokken wittebroodsweken met Sylvia in het openbaar begeeft, blijkt dat de mannelijke respons seksualiserend is, op het bezitterige af: ‘En wat de mannen betreft – afgezien van hen, die het niet kon schelen en die op een normale manier op ons reageerden, zag ik twee reacties in hun ogen: geilheid op die twee meiden, of, vaker, haat, woede, omdat zij door ons ontkend werden, vernietigd.’ Dat de seksuele uitsluiting die de tweede categorie mannen ervaart daadwerkelijk tot geweld kan leiden, ondervindt het koppel aan den lijve tijdens een tripje naar Nice. Eenmaal neergestreken op een terrasje schuiven er meteen twee Nederlandse mannen aan; de ene concentreert zich op Laura, de ander op Sylvia, en na een drankje opperen ze naar een discotheek te gaan, waar Sylvia vol overgave met een van de mannen danst, tot Laura het genoeg vindt en aankondigt dat ze naar huis gaan. Haar danspartner kan er nog net een verbouwereerd ‘Wat?’ uitpersen wanneer Sylvia hem goedmoedig gedag zwaait: ‘Maar verder had hij geen tekst meer en gooide in plaats daarvan zijn glas whisky in haar gezicht. Op hetzelfde ogenblik kreeg ik van de mijne een harde klap.’ Zodra de mannen zich realiseren dat hun investering zich niet gaat uitbetalen in seks verliezen ze dus hun zelfbeheersing. Daar komen ze eigenaardig mee weg: alsof het een hilarische anekdote is, hollen Laura en Sylvia lachend naar hun hotel.

In het verlengde van seks is ook voortplanting in Twee vrouwen een belangrijke markering van mannelijkheid. Dat aspect wordt belichaamd door Alfred, een nogal patriarchaal figuur. Hij wordt sprekend geïntroduceerd op het moment dat hij zijn ex-vrouw belt om de geruchten over haar relationele status te verifiëren. Desgevraagd bevestigt Laura haar verhouding met Sylvia, waarop al snel blijkt waarom Alfred die relatie in twijfel wil trekken: ‘Het is ook niet zo’n compliment aan mijn adres.’ De man kan zich niet voorstellen dat zijn voormalig heteroseksuele vrouw zonder voor hem aanwijsbare oorzaak lesbisch is geworden, en herstelt zijn eergevoel met een voor Laura pijnlijke uithaal: ‘Is het misschien omdat je geen kinderen kunt krijgen?’

In het middelste hoofdstuk van de roman, het is ook echt de passage waar het hele verhaal uiteindelijk om draait, houdt Alfred een monoloog waaruit blijkt dat hij rotsvast gelooft in de man/vrouw-relatie als enige natuurlijke vorm. Het gezelschap heeft net een opvoering van Orpheus en Eurydice bezocht – intertekstuele verwijzingen naar de Griekse mythologie: check – waarin de vrouwenrollen door mannen worden gespeeld. Dat brengt Alfred tot een bespiegeling op het genre van de tragedie, waarin volgens hem – zonder dat hij uitlegt waar die waarheden voor staan – de menselijke waarheid tegenover de goddelijke waarheid staat: ‘En aan die tegenspraak gaat de held ten gronde, zij trekt hem uit elkaar.’ Daarom kan de travestie in de uitvoering de toneelcriticus ook maar weinig bekoren: ‘Ja, ik wou beweren dat in de menselijke wereld een afspiegeling van die twee waarheden alleen te vinden is in het feit, dat er mannen en vrouwen zijn. Historisch ligt het natuurlijk eerder andersom, maar als je een stuk maakt met alleen mannen of alleen vrouwen, dan kun je nooit tot een echte tragedie komen, hoogstens tot allerlei melodramatische toestanden, die je mooi kunt ensceneren.’

Het is een wat cryptisch fragment, waarvan de essentie lijkt te zijn dat er een man/vrouw-onderscheid nodig is voor ware kunst; zonder de twee seksen rest er niets dan melodrama. Aan het einde van de roman komt Mulisch daar ingenieus op terug, want door toedoen van Alfred eindigt de liefde tussen Laura en Sylvia in een heuse tragedie. Omdat Sylvia graag een kind wil schenken aan de onvruchtbare Laura verzint ze een list: ze begint een affaire met Alfred, die ogenblikkelijk zijn tweede vrouw en kinderen voor haar verlaat. Zodra ze zwanger van hem is, gaat Sylvia terug naar Laura, die dolblij is met haar terugkeer, maar dubbele gevoelens heeft bij haar doortrapte methode: ‘Ik had medelijden met hem, zoals hij dat met mij had gehad, maar tegelijk voelde ik iets van triomf. Hij bestond helemaal niet. Hij was alleen gebruikt voor een soort kunstmatige inseminatie.’

Het is de angst voor seksuele overbodigheid, de vrees om enkel nog nodig te zijn als instrument voor de bevruchting, die de mannen in Twee vrouwen tot geweld drijft. Het duurt niet lang voordat Alfred erachter komt dat hij in zijn mannelijke rol buitenspel is gezet, en net als de mannen in Nice neemt hij fysieke wraak – deze keer met een fatale afloop. De politieagent die Laura van het noodlot verwittigt, presenteert haar de kale feiten, die de tragedie toch poëtisch rond maken: ‘Een liefdesgeschiedenis, lijkt ons. Ze is getroffen in haar hoofd, haar hart en haar buik. Het schot in haar hart was dodelijk.’

Afhankelijk van de invalshoek is het mogelijk om Twee vrouwen te lezen als een vooruitstrevende roman. Je zou kunnen beargumenteren dat de weergave van een liefdesrelatie tussen twee vrouwen emanciperend heeft gewerkt. En waar in Mulisch’ eerdere werk het mannelijke vertelperspectief de lezer veelal verleidde kritiekloos mee te gaan in aangereikte vrouwbeelden, wordt met de keuze voor een vrouwelijk perspectief de invloed van het heteroseksuele mannelijke rolpatroon op de levens van vrouwen ook eens tegen het licht gehouden. Laura en Sylvia krijgen binnen de beslotenheid van hun relatie de ruimte om mannen een beetje belachelijk te maken, en Alfred eindigt als de morele verliezer, de man die het niet kan verkroppen dat vrouwen zonder hem kunnen.

Mulisch haakte daarmee stevig aan bij de actualiteit: de roman laat zien hoe mannen zich staande proberen te houden ten tijde van de tweede feministische golf – 1975 was door de Verenigde Naties uitgeroepen tot het internationale jaar van de vrouw – en de emancipatie van homo’s en lesbiennes. Maar die ogenschijnlijke vooruitstrevendheid zit alleen aan de oppervlakte; uiteindelijk houdt Mulisch de bestaande genderhiërarchie gewoon intact. Zijn de vrouwen geen schakel in de relatie tussen twee mannen, of een middel tot seks en nageslacht, dan zijn ze mannenhaters, vehikels voor mannelijke krampen. Alfred sleurt Laura en Sylvia in zijn verscheurdheid mee, zij moeten het met hun leven bekopen wanneer ze zich niet aan de regels der seksen houden, en dit geweld tegen vrouwen wordt gepresenteerd als een tragedie van epische proporties. In al zijn gelaagdheid en complexiteit is Twee vrouwen toch ook een roman over gekrenkte mannelijkheid.